Tag Archives: wiel kusters

Charles Beltjens (deel 3)

17 Feb

Charles Beltjens en zijn erkenning

Eindelijk eerherstel

Inleiding

Charles Beltjens vond voor zijn werk als dichter geen erkenning in Sittard. Zijn gedichten in het Frans werden niet begrepen en men vond hem maar een zonderling. Na een afgebroken liefdesaffaire verliet hij Sittard en zijn gedichten werden somber. Hij keerde zich af van zijn geloof in de katholieke kerk.

Later keerde hij terug in Sittard, de laatste jaren zat hij meer in de kroeg dan thuis. Wel ging hij onverdroten door met dichten, totdat een slopende ziekte hem fataal werd en hij op jonge leeftijd (58) stierf. In alle eenzaamheid werd hij in Sittard begraven, geen steen sierde zijn graf.

Wat gebeurde er tot 1940?

Vreemd genoeg werd er een jaar na zijn dood in 1890 reeds een comité gevormd, onder voorzitterschap van de toenmalige burgemeester H. Rutten. Dit comité stelde zich tot doel om de gedachtenis van Charles Beltjens levend te houden en zijn werk te eren. Zijn graf zou worden versierd met een bronzen borstbeeld en een uitgave van al zijn gedichten zou worden verzorgd. Het bleef bij plannen.

In 1932  werden de plannen voor een herdenking opnieuw opgepakt, maar ook deze plannen hadden geen succes.

In 1940 (50 jaar na de dood van Charles Beltjens) ging men er eens goed voorzitten. Men zou ter herdenking een borstbeeld of medaillon plaatsen in een park (van zijn graf was mogelijk niets meer over), men zou een straat naar hem vernoemen en een bundel van zijn gedichten zou worden uitgegeven. Het uitbreken van de oorlog in 1940 gooide hier roet in het eten (Valkhoff 1940, p. 323).

Wat gebeurde er na 1940?

Charles Beltjenslaan

Eerst gebeurde er een hele tijd niets, totdat het gemeentebestuur van de gemeente Sittard een mooie straat in een nieuwbouwwijk in de Kollenberg vernoemde tot Charles Beltjenslaan. Dat was tenminste al iets.

Stichting Charles Beltjens

In 1982 werden door Jos Daniels uit Sittard en Harrie Strijkers uit Berg aan de Maas plannen gesmeed tot uitgave, respectievelijk heruitgave, van door hen verzamelde materialen. Gaandeweg rijpte bij hen het plan om hiervoor een stichting in het leven te roepen, met als doel om kleine uitgaven over geschiedenis, volkskunde en cultuur in Limburg mogelijk te maken. Maar de stichting moest een naam hebben. Naar een idee van Hein Bovendeaard werd gekozen voor de naam Stichting Charles Beltjens. Nu kwam er een tweede doelstelling bij het instandhouder van de nagedachtenis van hun naamgever, de dichter Charles Beltjens.
Op 23 juni 1987 werd de stichtingsakte verleden voor notaris Wanders in Geleen.

De Stichting ging voortvarend te werk. Met het uitgeven van kleine werken werd begonnen. Daarnaast zou het in 1990 100 jaar geleden zijn, dat Charles Beltjens stierf. De Stichting wilde dat herdenken. Er zou een standbeeld van de dichter worden opgericht en een boek over de dichter worden uitgegeven, waarin zijn verzameld werk zou worden opgenomen. Er werd een comité gevormd om een en ander te realiseren. Door het onverwachte overlijden van Jos Daniels, de gangmaker van het project, op 10 januari 1989 kwam er echter een kink in de kabel.

Literaire avond

Terwijl het project weer was opgepakt, werd de sterfdag van Charles Beltjens op 21 juni 1990  herdacht op een literaire avond met o.a. voordrachten van dr. Peter J.A. Nissen en dr. Wiel Kusters.

Charles Beltjens herdicht

Eveneens ter opluistering van de 100ste sterfdag verzocht de Stichting Charles Beltjens een viertal dichters om op hun eigen  wijze in een gedicht het werk van Charles Beltjens te herdenken. De dichters waren Hans Berghuis, Frans Budé, Leo Herberghs en Wiel Kusters. Hun gedichte werden, onder de titel: Charles Beltjens herdicht, in 1991 gepubliceerd. De tekst van deze brochure is gratis te downloaden vanaf de website http://www.dbnl.org/tekst/berg058char01_01/ . Gebruik de tab Downloads voor het downloaden van een PDF.

Jardin  d’Isabelle

Het gemeentebestuur van Sittard was inmiddels begonnen met het opknappen van de Franse tuin achter het pand Markt 28. In dit pand had vroeger in de tijd van Charles Beltjens de dokter Frans Cornelis de Borman gewoond. De Borman was gehuwd met een dochter van de rijke familie Engelen, vandaar dat de tuin Engelenhof, of misschien wel in het dialect ‘Engelenhaof’ werd genoemd. Isabelle was een dochter van De Borman en Charles Beltjens werd op haar verliefd. Urenlang zat hij met Isabelle in de tuin en droeg zijn gedichten aan haar voor.
Geen wonder dat het gemeentebestuur de opgeknapte tuin de naam ‘Jardin d’Isabelle’ gaf met een mogelijke verwijzing naar Charles Beltjens en zijn Franstalige gedichten.
De tuin maakt nu deel uit van de 24 geheime tuinen van Sittard (zie foto).

Vermakelijk is het verhaal van Wiel Kusters over de tuin in zijn artikel, getiteld: ‘Entree. De bomen van Beltjens’. Hij schrijft dat in het pand Markt 28 nu een Chinees restaurant is gevestigd. Op zekere dag stapt hij daar naar binnen omdat hij wel eens de Franse tuin van de Bormans wilde zien. De Chinezen begrepen zijn verzoek niet, of deden alsof. De onzichtbare achterkant van een restaurant ziet er meestal niet florissant uit. Hij ging onverrichterzake naar buiten.
Via een omweg bereikte hij op de Wal de achterzijde van de tuin. Hier was de tuin wel te betreden, maar hij zag alleen mar bomen. Bomen, die Charles Beltjens mogelijk ook gezien heeft. Verder was de tuin kaal.
Het artikel heeft geen datum, maar Wiel heeft dus de tuin gezien, voordat deze  opgeknapt werd.
beltjens-1

Herdenkingsmonument Charles Beltjens

De Stichting Charles Beltjens had aan de Sittardse beeldhouwer Guus Roebroek de opdracht gegeven om een monument te ontwerpen. Dit gebeurde met steun van de gemeente Sittard en de provincie. Guus Roebroek kweet zich van zijn zaak en op 28 januari 1995 kon het monument worden ingehuldigd door de toenmalige burgemeester J. Tonnaer.
Het beeld kreeg een toepasselijke plaats in de Jardin d’Isabelle.

Math Vleeshouwers was verzocht om hierbij een spreekbeurt te houden. De weerslag van deze spreekbeurt werd later gepubliceerd onder de titel: Onthulling monument Beltjens in de Jardin d’Isabelle. Hij geeft een beschrijving van het beeld en de gedachten van de kunstenaar hierbij. De bronzen buste staat op een hardstenen sokkel, waaruit opengebroken  bronzen stroken verrijzen, verwijzend naar de kooi van de gevangen condor uit het gedicht Le condor captif. De stroken gaan over in de buste, waardoor het lijkt alsof Charles Beltjens ontsnapt aan de Sittardse kooi van onbegrip.

Charles Beltjens Poésies

Ook een andere doelstelling maakte de Stichting waar. In 1995 werd de bundel Charles Beltjens Poésies gepubliceerd met verzamelde gedichten van de dichter. Deze bundel heb ik reeds uitgebreid besproken in deel II, zodat ik hier volsta met een korte beschrijving. De bundel heeft een educatief karakter, omdat de Verzamelde gedichten worden voorafgegaan door twee inleidingen, een van dr. Peter J.A. Nissen met een biografische schets van Charles Beltjens en een van dr. Wiel Kusters over Charles’ gedichten. De inleidingen zijn gebaseerd op de voordrachten, die door beide heren werden gehouden op de literaire avond van 21 juni 1990.

Epiloog

Uiteindelijk heeft de stad Sittard, zij het wat laat, haar stadsgenoot geëerd. Vooral de Stichting Charles Beltjens heeft hier een groot aandeel in gehad. Zij hebben de naam van hun naamgever alle eer aangedaan. Vooral de uitgave van de dichtbundel Charles Beltjens Poésies is een goede zaak. Heet Nederland kan nu kennisnemen van een groot aantal gedichten van hem. En ook het herdenkingsmonument is een goede zaak. Elke dag worden de Sittardenaren herinnerd aan een groot dichter en aan het onrecht wat hem tijdens zijn leven werd aangedaan.

Laat ik eindigen met de slotwoorden, die Math Vleeshouwers sprak tijdens zijn toespraak op 28 januari 1995;

“Beltjens als kunstenaar niet begrepen, als Sittardenaar te laat geëerd. Monument en Verzamelde gedichten, opgericht en uitgegeven dank zij de stichting die zijn naam draagt, vormen een eerherstel”

Maastricht, 17 februari 2017

Pierre Swillens

Bronnen

Berghuis, Hans e.a.
Charles Beltjens herdicht
Uitgeverij Herik, Landgraaf 1991

Kusters, Wiel
Entree. De bomen van Beltjens
in Een korte historische terugblik, Harrie Strijkers, 1995

Strijkers, Harrie
Een korte historische terugblik, Stichting Charles Beltjens 1995

Vleeshouwers, Math
Onthulling monument Beltjens in Jardin d’Isabelle
in Een historische terugblik, Harrie Strijkers, 1995

Valkhoff, P.
Een vergeten Limburgse romanticus,
in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

.

 

Advertenties

Charles Beltjens (deel 2)

11 Feb

Charles Beltjens en zijn gedichten

Een rijk œuvre

Inleiding

CB_FOTO, 10-05-2002, 11:51, 8C, 1660x2136 (1552+3114), 100%, vroege fotogra, 1/80 s, R45.7, G29.8, B41.9

Charles Beltjens schreef zijn gedichten in het Frans. Waarom dat zo was, heb ik in deel 1 uitgelegd. Omdat het in deze blog zo functioneel is, leg ik het nog eens uit. Bij hem thuis werd uitsluitend Frans gesproken. Zijn moeder was van Waalse afkomst. Hij volgde jarenlang Franstalig onderwijs in Rolduc. Hendrik Peters, zijn directeur aldaar en bekend als flamingant, begon te dichten in het Frans. In Maastricht dichtten de dichters André van Hasselt en Theodore Weustenraad eveneens in het Frans (Nissen 1995, p. 12).

 

 

Charles zal zelf wel hebben ondervonden, dat het dichten in het Frans hem beter afging dan in het Nederlands. Het zoeken naar rijmwoorden bijvoorbeeld. Bij mijn weten zijn er geen probeersels van hem gevonden, waarbij hij dichtte in het Nederlands.

GEDICHTEN

II Cahier de Poésie

Charles Beltjens moet vlak na het beëindigen van zijn middelbare schoolopleiding in Rolduc in 1849 begonnen zijn met dichten. Er is een schrift gevonden, gedateerd 1851, met als opschrift II Cahier de Poésie. De aanduiding II (deuxième) wijst erop, dat er een eerder schrift moet zijn geweest.
In het schrift, dat bewaard wordt in het Gemeentearchief Sittard staan, met potlood geschreven, voltooide en onvoltooide gedichten, zoals het ‘Adieu ã Rolduc’ (Nisssen 1995, p.11).  Hieruit blijkt dat Charles goede herinneringen had aan zijn opleiding in Rolduc.

Valkhoff schrijft, dat hij inzage heeft gehad in het schrift, dat hij overigens ‘een dik kladcahier’ noemt. Hij beschrijft dat uit de voltooide en onvoltooide gedichten blijkt, dat er heel wat in de geëxalteerde jongeling Charles Beltjens omging. Hij somt op: ‘vizioenen van de Hel, liefdesgedachten, romantische dromerijen, verlangens naar een lief wezen, incarnatie van zijn smachtende aspiraties (Valkhoff 1940, p. 311).

Enkele bijzondere gedichten

Ode sur le XXVme anniversaire de l’indépendance nationale de la Belgique schreef Charles Beltjens in 1855 ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de onafhankelijkheid van België, tot stand gekomen in 1830. Eerder had hij al in 1851 geschreven Épitaphe De Louise-Marie Première Reine des Belges.
Dit wijst erop, dat Charles zich meer Belg voelde dan Nederlander.

Aurore…ydille , een liefdesgedicht, dat hij in 1862 schreef aan zijn ex-geliefde Isabelle de Borman. De liefdesaffaire met Isabelle de Borman was reeds in 1852 geëindigd, dus Charles moet dit gedicht dus lang in zijn kast hebben gehad, dan wel aan hebben gewerkt.   Overigens werd dit gedicht in 1883 bij een ‘concours litéraire’ in Verviers bekroond met een eervolle vermelding. In 1885 werd Aurore samen met Le condor captif in Nederland gedrukt bij de drukkerij van Ger Tholen in Sittard.

A l’auteur des chansons des Rues et des Bois schreef Charles in 1866. Victor Hugo had in 1865 in ballingschap in Brussel de bundel Les chansons des Rues et des Bois geschreve. Deze bundel werd in Frankrijk niet goed ontvangen, daarom schreef Charles als bijval aan Victor Hugo dit gedicht.
Er ontwikkelde zich een correspondentie tussen Victor Hugo en Charles Beltjens, die wel een jaar duurde. Victor Hugo moet dus kennis hebben genomen van het werk van Charles Beltjens en dit hebben becommentarieerd.
Het gedicht werd in 1891, na de dood van Beltjens,  gepubliceerd in La Revue Belge.

Le condor captif, dit gedicht schreef Charles Beltjens in mei 1870 toen hij in Parijs verbleef. Hij beschreef een gebeurtenis tijdens een wandeling door de Jardin des Plantes. Het gedicht werd in 1885, samen met het gedicht Aurore, gedrukt door Ger Tholen in Sittard. Het gedicht is zo bijzonder, dat ik er iets meer aandacht aan wil besteden.

Le condor  captif

fbp_untagged_juvenile_condor_3418

Op een stralende morgen in mei 1870, het is 1 mei, wandelt Charles Beltjens in de Jardin desPlantes in Parijs. De Jardin des Plantes is een botanische tuin, waarin ook een dierentuin is gevestigd. Charles zal hier wel vaker hebben gewandeld, maar ditmaal is het een uitzonderlijke dag, zodat Charles lichtelijk in extase raakt.
Plotseling wordt hij opgeschrikt door een angstkreet, een soort wanhoopskreet. Als hij naderbij komt , ziet hij een joelende menigte voor een kooi, waarin een condor is opgesloten. De condor met een vleugelwijdte van wel drie meter doet verwoede pogingen om aan de kooi te ontsnappen. Bij zijn pogingen waait door zijn vleugelslag het stof in de kooi op en buigen de omliggende struiken door de wind. Maar de pogingen slaan te pletter tegen het plafond van de kooi of tegen de omringende tralies.
Uiteindelijk valt de condor reutelend op de grond. Charles heeft compassie met de condor, vandaar zijn gedicht.

Het gedicht omvat 65 strofen van vier versregels. Charles gebruikt de eerste zeven strofen om aan te geven, wat voor een mooie meimorgen het is. Ploteling hoort hij die wanhoopskreet en dan beschrijft hij wat hij aantreft.

De strofen 20 en 21 luiden als volgt:

Dans un cri formidable, il s’eleva, terrible,
Comme s’il eût tenté d’en briser le plafond ;
Sa tête alla frapper la barrière inflexible
Et poussant un long râle, il tombe sur le fond.

Tel qu’un ange déchu, les ailes pantalantes,
Le colosal oiseaigisait silecieux  ;
Par moment,, relevé sur ses jambes tremblantes,
Il geignait tristement, en regardant les cieux.

Wiel Kusters geeft in zijn inleiding ‘Condor en papegaai’ van de bundel Charles Beltjens, Poésies, een vrije vertaling hiervan. Hij schrijft
“Met een ernome kreet kwam hij omhoog, angstaanjagend, alsof hij de bovenkant van de kooi wilde stukslaan. Zijn kop sloeg tegen het onbuigzame traliewerk; reutelend viel hij op de grond. Als een gevallen engel lag de reusachtige vogel met stuiptrekkende vleugels op de bodem van de kooi. Toen hij weer op zijn trillende poten stond, keek hij naar de lucht en kermde droevig  (Kusters 1995, p. 24-25).

Op internet ontdekte ik op de website van Bep Mergelsberg van 17 september 2012 een ‘Nederlandse vertaling van Le Condor Captif van Charles Beltjens’. De vertaler/vertaalster? laat hierbij de oorspronkelijke dichtregel in het Frans volgen oor de vertaalde dichtregel in het Nederlands. Jammer genoeg worden er maar 11 van de 65 strofen vertaald.
Er is wel een vertaling van de strofen 20 en 21. Hieronder laat ik de Nederlandse vertaling hiervan volgen.

In een verschrikkelijke schreeuw, verheft hij zich
(het woord ‘terrible’ wordt hierbij onvertaald gelaten)
Alsof hij probeert het plafond te verbrijzelen
Zijn hoofd stoot zich aan het onbuigzame hekwerk
En, een lange rochel uitstotend, valt hij op de grond.

als een gevallen engel, met trillende vleugels,
Lag de colossale vogel geluidloos;
Soms weer rechtkomend op zijn tillende benen,
Grient hij droevig bij het zien van de hemel.

Het is wel interessant deze letterlijke vertaling te vergelijken met de vrije vertaling van Wiel Kusters.

Wiel Kusters begint overigens zijn inleiding met een verwijzing naar een gedicht van Rainer Maria Hilke ‘Der Panther’, dat deze schreef in 1907. Hilkes gedicht gaat over eenzelfde belevenis als Charles Beltjens in 187l0. Ook hij wandelt in de Jardin des Plantes in Parijs en ziet een dier  in een kooi achter tralies. Ditmaal niet een condor. maar een panter. Ook hier, een dier dat gewend is om in zijn leefomgeving hard te moeten lopen om een prooi te vangen. Nu opgesloten in een kleine ruimte is dat niet meer mogelijk en loopt hij alleen nog maar kringetjes.
Het dier is afgestompt en neemt door de tralies de buitenwereld niet meer waar. Hij houdt zijn oogleden gesloten. Af en toe verheft hij zijn oogleden gedeeltelijk, maar de indrukken, die hij hierbij opdoet, sterven in zijn hart (Kusters 1995, p. 21). De geschiedenis herhaalt zich, na ruim dertig jaar.

Wiel Kusters gaat dan in zijn inleiding uitgebreid in op het gedicht ‘Le condor captif’ van Charles Beltjens. Hij beschrijft hoe Charles mijmert over het feit, dat de gevangen condor in zijn leefgebied hoog boven de Andes majestueus zou kunnen vliegen. En hij gaat ook in op de gedachten van Charles, dat de vogel mogelijk beïnvloed wordt door aromatische geuren, die tot hem doordringen en hem onrustig maken. Vandaar zijn gedrag in zijn kooi. Zo vindt Charles het mogelijk, dat schepen in een nabije haven geuren uit Zuid-Amerika kunnen meebrengen, die door een zacht briesje naar de kooi van de condor kunnen worden gevoerd. De vogelt waant zich in zijn leefgebied en tracht de vrije ruimte te kiezen.

Ook vergelijkt Wiel Kusters het gedicht Le condor captif met producten van andere dichters. Hij stelt hierbij dat Charles schatplichtig zou zijn aan werken van Charles Baudelaire en Edgar Allen Poe door termen en gedachten te gebruiken, die ook in de gedichten van deze dichters voorkomen. Niet zo verwonderlijk omdat er verwantschap bestaat tussen de gedichten van Baudelaire en Poe. Maar dat doet volgens hem niets af aan de authenticiteit van Charles gedicht. Hij beschrijft een belevenis op een mooie mei-dag (Kusters 1995).

Aan het gedicht Le condor captif is in Nederland veel aandacht besteed. Ik schreef reeds, dat in 1885 het gedicht werd gedrukt bij Ger Tholen in Sittard. In 1993 verzorgde drs Ger Theunissen een educatieve editie van dit gedicht en in 1995 werd het gedicht opgenomen in de bundel Charles Beltjens Poésies. Deze bundel is als e-book gratis te downloaden van de website http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=belt002 van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Hardy Mertens componeerde zelfs een muziekstuk ‘Requiem for the captive condor’, dat werd uitgevoerd door de Banda Musicale Monestir. Ik heb dit muziekstuk beluisterd, het is heel mooi. Via Google en de zoekterm le condor captif is dit wel te vinden. Beslist een aanrader.

Charles Beltjens Poésies

Dit is een bundel van gedichten van Charles Beltjens, in 1995 uitgegeven door de Stichting Charles Beltjens.  Over de Stichting Charles Beltjens meer in deel 3. De gedichten zijn geselecteerd door drs. Guus Janssen, voorzitter van de stichting. Hij verzorgde ook het Voorwoord en het Glossarium . De bundel heeft een educatief karakter want de gedichten worden voorafgegaan door twee inleidingen. Een van prof. dr. Peter Nissen, getiteld: Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets en een van prof. dr. Wiel Kusters, getiteld: Condor en papegaai.

Epiloog

Charles Beltjens was geen lang leven beschoren. Na een lange slopende ziekte stierf hij op 58-jarige leeftijd. Hij had zich wel verzoend met de katholieke kerk. Dat was vooral te danken aan zijn vriendschap met pater Godefridus Jonckbloet, die leraar was aan het Aloysiuscollege aan de Oude Markt in Sittard (Nissen 1995,p. 19). In de laatste jaren was hij bijna elke dag te vinden in het café van Vatter Schiffelers. Men vond hem een zonderling en hij was eenzaam..
Toch is hij waarschijnlijk blijven dichten. Nog twee jaren na zijn dood publiceerde La Revue Belge nog gedichten van hem. Kennelijk had men daar een voorraadje.
Niet gewaardeerd in eigen land, werd hij in België en Frankrijk erkend als een groot dichter.

Laat ik eindigen met de treffende woorden, die Fons Hermans schreef over de laatste jaren van Charles Beltjens:

“De laatste jaren van zijn leven brachten hem naast de geestelijke troosteloosheid, die zijn deel was, ook nog het fysiek lijden van een kwaal, die zijn gezondheid langzaam sloopte. Maar toch zou hij voor zijn dood bij God de rust vinden, die hij zo hartstochtelijk maar vergeefs aan aardse bronnen zocht (Hermans 2014, p.13)”

Maastricht, 11 februari 2017

Pierre Swillens

Bronnen:

Hermans, Fons
Mensen in hun tijd. 12 Limburgse portretten, dbnl 2014  (eerder uitgegeven bij D’n Tomel, Sittard 1966)

Nissen, Peter J.A.
Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Kusters, Wiel
Condor en papegaai, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Stichting Charles Beltjens
Verzamelde gedichten, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Valkhoff, P.
Een vergeten Limburgse romanticus, in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

 

Charles Beltjens (deel 1)

20 Jan

Een vergeten dichter uit Sittard

Zijn leven en zijn werk

charles-beltjens-3

Inleiding

Als men vandaag de dag een Sittardenaar vraagt: “Noem eens een aantal bekende Sittardenaren”, dan zal hij of zij in negen van de tien gevallen de naam Toon Hermans noemen. Een aantal zal zich de naam van de stadsprofeet Zefke Mols herinneren of van de zanger Jo Erens. Een aantal mannen zal de namen van de voetballers Willy Dullens en Jan Notermans te binnen schieten.
Maar weinigen zullen de namen van de schrijver Felix Rutten of de dichter Charles Beljens  noemen. Grootheden waar in Sittard straten naar zijn genoemd en standbeelden voor zijn opgericht.

In deze serie weblogs wil ik de figuur Charles Beltjens nader belichten.

Biografie van Charles Beltjens

Charles Beltjens werd op 2 mei 1832 in Sittard geboren. Zijn vader, afkomstig uit Roermond, dreef een grote zaak in modeartikelen in de Limbrichterstraat. Zijn moeder, hoewel in Sittard geboren, was van Waalse afkomst. Zij was een dochter van een Luikse goudsmid, die zich in Sittard gevestigd had.

Eigenlijk was de familienaam volgens het geboorteregister Beltgens, maar aangezien de g in een j werd uitgesproken, had een of andere ambtenaar, dat in de loop der tijd aangepast. De vader van Charles tekende al met de naam Beltjens (Valkhoff 1940, p. 310).

Binnen de familie werd Frans gesproken. Dat was niet zo abnormaal, want binnen gegoede families in Roermond, Sittard en Maastricht werd Frans gesproken. De Waalse afkomst van de moeder zal daar zeker aan hebben bijgedragen.

Charles ging in Sittard naar de lagere school. Na beëindiging van de lagere school, stuurde zijn vader hem naar het College Kallen, een onderwijsinstituut in 1831 opgezet door de Sittardse priester Andreas Kallen. Aan deze onderwijsinstelling werd o.a. in Latijn en Grieks, Frans, Duits en Nederlands en wiskunde onderricht. Charles verbleef hier in het studiejaar 1842-1843

Rolduc

Waarschijnlijk achtte zijn vader deze opleiding niet adequaat en misschien hoopte hij wel dat Charles priester wilde worden Charles had nog vier broers, een priester in de familie was dus niet gek. Hij stuurde hem in 1843 naar de onderwijsinstelling in Rolduc. Rolduc had tussen 1830 en 1843 gefungeerd als klein seminarie van het bisdom Luik. De opleiding was dus Franstalig en gericht op ‘het ambt van priester.
Inmiddels was de opleiding overgegaan naar het pas opgerichte vicariaat in Limburg en inmiddels vrijgegeven voor niet-priesterstudenten. De opleiding bleef Franstalig. De van Weet afkomstige priester Hendrik Peters was de directeur. Hij had veel belangstelling voor de letterkunde en bracht dit over op de leerlingen. Merkwaardigerwijs was zijn belangstelling voor  de Vlaamse letteerkunde het grootst, terwijl voor de leerlingen van Rolduc een strafsysteem gold, wanneer zij niet Frans spraken tijdens en buiten de lessen. Bovendien ging hij later dichten in de Franse taal. Onmiskenbaar heeft hij een grote invloed gehad op de literaire ontwikkeling van Charles Beltjens, alsmede op diens voorliefde voor de Franse taal.
Bovendien legde Peters bij de opleiding een nadruk op de muzikale vorming van de leerlingen, Dit is waarschijnlijk de reden waarom Charles later viool  is gaan spelen (Nissen 1995, p. 10-11). Charles Beltjens had geen ambitie om priester te worden, maar de opleiding in Roldus zal hij met plezier hebben gevolgd.  Hij vertrok hier in 1849.

Verdere loopbaan

Of Charle in Rolduc al gedichten heeft geschreven, is niet bekend, maar kort na zijn vertrek aldaar moet hij met dichten zijn begonnen Hij schreef zijn gedichten uitsluitend in het Frans. Waarom hij zijn gedichten in het Frans schreef is niet zo verwonderlijk. Thuis sprak hij steeds Frans, zijn opleiding in Rolduc was Franstalig, zijn directeur Peters schreef als flamingant uitsluitend in het Frans. Bovendien schreven de Maastrichtse dichter André van Hasselt en Theodore Weustenraad in het Frans (Nissen 1995, p. 12).

Er is een schriftje gevonden, gedateerd 1851, waarin Charles met potlood voltooide en onvoltooide gedichten had geschreven. Een van de gedichten was getiteld ‘Adieu à Rolduc’. Op het schriftje had hij geschreven: II. Cahier de Poésies, hetgeen erop wijst dat er een eerder geschrift moet zijn geweest (Nissen 1995, p. 11). Valkhoff noemt dit geschriftje overigens een dik kladcahier (Valkhoff 1940, p. 311).

Als hij geen priester wilde worden, dan moest hij maar een vak leren. zo oordeelde de vader van Charles Beltjens en hij stuurde hem naar een oom in Leuven, om daar het vak van koopman te leren. Maar de dromerige Charles was niet geschikt voor het harde zakelijke leven. En na enige jaren keerde hij terug naar Sittard.

Nissen schrijft, dat niet bekend is, waar Charles Beltjens in de vijftiger en zestiger jaren van de negentiende eeuw precies heeft verbleven. Hij schrijft, dat dichters wel vaker een periode hebben, die zich aan de historische waarneming onttrekt (Nissen 1995, p. 13). Vast staat wel, dat hij zich bezig bleef houden met het maken van gedichten.

Romance met Isabelle de Borman.

In 1823 vestigde Frans Cornelis de Borman zich als geneesheer in Sittard. Hij had gestudeerd aan de univeriteit van Luik. Hij betrok een statig herenhuis aan de Markt. Daar achter lag een mooie Franse tuin, die reikte tot de Wal.
De Borman was een vermogend man en bereikte een hoog aanzien in Sittard. Zo was hij lid van de gemeenteraad.
Hij hield bijeenkomsten met gelijkgestelden en gelijkgezinden, waarbij gesproken werd over kunst en cultuur en gemusiceerd. Charles Beltjen kreeg toegang tot dit gezelschap, waarschijnlijk omdat hij kon vioolspelen. Het isook mogelijk, dat hij een klankbord vond voor zijn gedichten.

De Borman had een knappe dochter, Isabelle. Charles ontmoette haar en spoedig ontwikkelde zich een romance tussen beiden. Charles was met zijn lange haren en baard een flamboyante verschijning en Isabelle werd zijn muze. Urenlang zaten ze in de tuin en dan las Charles zijn liefdesgedichten, die hij voor haar geschreven had, voor.
Toen de rlatie serieus werd, verbrak vader De Borman deze. Hij vond Charles geen portuur voor zijn dochter. Charles raakte verbitterd en hij vertrok uit Sittard naar Brussel.

Brussel

Charles voelde zich als Franstalige dichter toch al meer Belg dan Nederlander. In 1855 schreef hij het lange gedicht ‘Ode sur le XXVme Anniversaire de l’Indépendance Nationale de la Belgique’ (Nissen 1995, p. 13).

Hij schreef een aantal brieven naar zijn ex-geliefde Isabelle, waarbij hij haar vader verweet, dat deze de relatie verbroken had vanwege standsverschillen. De Beltjens waren weliswaar welgesteld, maar het waren maar kooplieden. Het is de vraag of dat de enige reden was voor vader De Borman. Hij hield niet van de flamboyante bohemienachtige levensstijl van Charles, noch van diens liberale ideeën.

Parijs

Zeker is dat Charles Beltjens in de tweede helft van de zestiger jaren in Parijs verbleef. Deze jaren hebben grote invloed gehad op zijn dichten, zowel inhoudelijk als stilistisch. Hij kwam in contact met grote Franse schrijvers en dichters. Hij correspondeerde een jaar met Victor Hugo. Hij kwam in aanraking met het liberale gedachtengoed van Franse poëten. Hij zwoer het Godsbeeld af en maakte zich de ‘klassieke-heidense’ gedachtewereld in zijn gedichten eigen.
Hij zwoer eveneens de romantici af en sloot zich aan bij een groep jonge dichters, die zich de Parnassiens noemden en voor een minder hoogdravende stijl kozen (Nissen 1995, p. 15)..

Terug in Sittard

In 1872 keerde Charles Beltjens weer terug naar Sittard. Hier bleef hij de onbegrepen dichter en de eenling. De voedingsbodem, zoals in Parijs, ontbrak hier. Men beschouwde hem als een zonderling, een bohemien, die men dagelijks in een café kon aantreffen.

Wel bleek, dat Charles Beltjens zich in zijn laatste levensjaren weer met God verzoend had. Dat was te danken aan zijn relatie met de pater Godefridus Jonckbloet, leraar aan het Sittardse Aloysiuscollege aan de Oude Markt. Hij behandelde tijdens zijn lessen gedichten van Charles. Hij prees de stilistische kwaliteiten van Charles, ofschoon hij het vaak niet eens was met de inhoud.
Charles stierf op 20 juni 1890, voorzien van de laatste sacramenten, eenzaam, maar toch verzoend met God (Nissen 1995, p. 18).

Epiloog

Charles Beltjens is een ondergewaardeerde dichter. Hij had het lot, dat hij geboren werd in een provinciestadje, waar zijn werk niet werd begrepen. Bovendien had hij door zijn Franstalige gedichten een beperkte lezerskring. Er is weinig van hem gedrukt, tot 1995 geen enkele bundel. Eerst in 1995 bracht de Stichting Charles Beltjens de bundel Charles Beltjens Poésies uit.

Valkhoff schrijft:
(…) ik bedenk hoe geheel anders zijn lot had kunnen zijn, als hij, in Frankrijk geboren, daar geleefd had te midden van gelijkgezinde dichters. Zou hij dan niet voortdurend tot  meer en beter werk geïnspireerd zijn, waarvoor de aanleg bij hem aanwezig was?  (…) (Valkhoff 1940, p. 322).

Woorden waar weinig aan toe te voegen is.

Maastricht, 18 januari 2017

Bronnen:

Nissen, Peter J.A.
Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Kusters, Wiel
Condor en papegaai, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Valkhoff, P
Een vergeten Limburgse romanticus, in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

.

 

 

 

 

Volks- en kinderliederen

2 Okt

Terug naar onze jeugd

Iets over het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect)

Inleiding

Tijdens mijn studie over de gedichten van Wiel Kusters (zie hiervoor mijn vorige blogs over het werk van Wiel Kusters, speciaal deel 2) stuitte ik op internet op ‘Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele’. Een verzameling liederteksten, geschreven door Matthias Schollen in ‘Öcher Platt’. Het ‘Öcher Platt’  hoort tot hetzelfde taalgebied als het ‘Kirchroädsjer Plat’ (Kerkraads dialect), zodat ik als dialect-geïnteresseerde hier wel belangstelling voor had.
Maar nog meer groeide mijn belangstelling toen ik ontdekte, dat er kinderliedjes bij waren, die wij in onze jeugd zongen.  De vraag is dus, stamden die liedjes uit de Akense regio, of waren ze oorspronkelijk Limburgs of Nederlands. Hier zullen we wel geen antwoord op vinden.

Bij de reconstructie van de Limburgse of Nederlandse versie heb  ik hulp gehad van mijn vrouw Mientje, die een aantal liedteksten ook herkende en mij soms kon aanvullen uit haar herinnering.

Wij hebben een aantal van die herkenbare liedjes uit de verzameling overgenomen, waarbij wij links de originele versie weergeven en rechts de versie uit onze herinnering. Het cijfer tussen haakjes verwijst naar de nummervolorde in de Akense verzameling, dit voor degene, die ze wil terugzoeken.

Volks- und Kinderlieder

Het eerste liedje is al raak. Er wordt bij gezegd, dat bij elke regel op de hand van het kind wordt geklopt, dus met de handpalm naar boven. Bij de laatste regel wordt in de kinderhand gekriebeld (‘gekitzelt’).

(1)
Hast ne Dâler,                             Höbste geldj
Gank nohgene Maǝt,                 gank nao de mert
Gäld en Kouh,                             koup tich ’n kooj
E Stöck Leäver derzou               stök van de leaver
Kränzche,
Pänschche,                                   stök van de pens
Kirrewirrewänschche                 kielewielewens

Volgens de Akense verzameling werd bij het volgende liedje een voorwerp aan een draad gebonden en door het heen en weer bewegen een klok nagebootst. Ik weet niet of dit ook in Limburg werd herhaald, maar ik ken wel het liedje.

(12)
Bambani Beierjan,                       Bim bam beiere,
De Köster hat gen Eier.              de köster lös gen eiere.
Wat hat heä dan?                         Wat lös ‘r dan?
Speck egen Pann!                         Sjpek in de pan,
O wat ene leckesche                   mit ’n rogge botram.
Köster ess et dan.

Soms klopt er maar een regel.

(14)
Ninana Kengche                         Douwe douwe kindje
Zöckerche en et Möngche         sokker in ’t mundje
Zöckerche en et Päppche          peaperkook en viege
För et leivste Bäbbche               deit ’t kindj zjwiege

Soms komt een kinderliedje in het Nederlands terug.

(17)
Schloff Kengche schloff!!                             Slaap, kindeje, slaap
Die Vadder höid de Schoef,                         daar buiten loopt een schaap
Die Modder hoid de bontee Kouh,            een schaap met witte voetjes,
Kengche doig de Oeggelchere zou             die drinkt zijn melk zo zoetjes,

In de Limburgse versie eindigt dit met   slaap, kindje, slaap.

Soms is er geen touw aan vast te knopen.

(27)
Holz schnigge                                             Hout sjnieje
Van alle die Wigge                                     van alle wieëje
Klompe mâche                                            klompe make
Dat se krâche                                               dat se krake
Brüdche wenne                                            sjeale knech maak
Geälche zelle                                                ’t kindje de klumpkes rech.
Pam, pam, pus

Mijn vrouw kent bij de Limburgse versie nog een heel couplet erbij. Dit laat ik maar achterwege, omdat het bij de Akense versie niet voor komt.

Soms schiet mijn herinnering tekort. Tijdens de jaar wisseling werd het volgende gedicht gezegd:
(133)
GJöcksellig Nöijohr,                                    Zelig Nuujjaor
der Kopp vol Hoǝr,                                      de kop vol haor
Der Monk vol Zäng,                                    (de rest is me ontschoten).
Et Nöijohr egen Häng.

Naast liedjes worden in de Akense verzameling ook raadseltjes opgegeven, zoals deze
“(270)
Kaiser Karl hatte einen Hund,
Dem gab er den Namen mit seinem Mund.
Also hiess Karl seinen Hund.
Wie hiess der Hund?

Voor degene, die nog twijfelt, de hond heette inderdaad Also.
Deze tekst is ditmaal niet in het ‘Öcher Platt’. Deze wel:

(274)
Ein hauf Kauf hauf.

Oplossing: de helft van een half kalf, een vierde kalf dus.

In de categorie ‘Volksglauben’ komen spreuken voor, zoals:

(288)
Der Düvel schiesst zeläve net op ene klenge Houf.

Wij zeggen:
De duivel schijt altijd op de grootste hoop.

In Duitslaand gaat men dus uit van de kleinte hoop, in Nederland van de grootste.

Daarmee wil ik eindigen met het citeeren uit de Akense verameling van Matthias Schollen.

Epiloog

Met genoegen heb ik de Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele van Matthias Schollen gelezen. Enerzijds omdat ik kennis wilde nemen van het ‘Öcher Platt’, anderzijds omdat ik er herkenbare kinderliedjes in terugvond. Mijn vrouw, die mij daarbij hielp, vroeg mij waarom ik zo’n belangstelling voor kinderliedjes had. Je bent toch niet aan het ‘verkiendsje’. Dat niet, maar ik meen mij te herinneren, dat Pierre Kemp heeft gezegd, dat in ieder mens iets kinderlijks schuilt. In mij misschien wat veel, maar ik ben daar niet rouwig om.

Daarom vind ik het jammer, dat deze kinderliedjes verdwijnen. De kinderen horen ze niet meer. Vanaf twee jaar gaan ze naar een peuterklas en als ze vier of vijf zijn, dan spelen ze spelletjes op een tablet.

Vroeger waren er geen computers, telefoons, Tv’s en nauwelijks radio’s. De kinderen moesten door de ouders worden beziggehouden en dat gebeurde door de kinder- en speelliedjes. Ik was zes jaar toen ik voor het eerst naar school ging en daar kennis maakte met de schooldiscipline. Ik heb goede herinneringen aan mijn vroege jeugd met alleen de tucht van mijn ouders, soms met harde hand dat wel. Maar daarnaast genoot ik veel vrijheid.

Maastricht,  2 oktober 2016

Pierre Swillens

 

 

 

 

 

Wiel Kusters (deel 3)

26 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Poëzie

Inleiding

In dit deel publiceer ik een aantal gedichten van Wiel Kusters uit diverse bundels. Wiel Kusters schreef vaak gedichten over familieleden en het is daarom niet toevallig, dat mijn gedichten over zijn moeder, broer en vader gaan.
Het eerste gedicht ‘Langzame wals’ is mij trouwens aangereikt door mijn dochter Bianca. Bianca schrijft af en toe wel eens een gedicht en soms haalt een ervan een vrouwenblad.

Maar Bianca is ook geïnteresseerd in poëzie van anderen. Zij vertelde mij, dat zij een opschrijfboekje heeft, waarin ze mooie poëzie, die ze tegenkomt, noteert. Dat gebeurde lang geleden met het gedicht ‘Langzame wals’ van Wiel Kusters. Sinds die tijd behoort dit gedicht tot haar favorieten.
Omdat het over Wiels moeder gaat, neem ik het met plezier over.
Bianca bedankt voor je assistentie.

Langzame wals

Wiel Kusters beschrijft een moment uit zijn leven, dat kennelijk  een sterke indruk op hem heeft gemaakt. Als 4-jarige weet hij zich te herinneren, dat zijn moeder hem op haar arm heeft genomen om met hem te dansen in de keuken. Vooral het wandkleed dat aan de muur hangt, blijft hem bij.

Aan het sterfbed van zijn moeder komt die herinnering weer terug. En hij wil nu de rollen omdraaien en zijn moeder in de armen nemen om met haar te dansen. Tenminste wat van haar overbleef.

Hij doet dit in gedachten, daardoor komt zij los van de aarde en neemt misschien gemakkelijker afscheid. Hij danst met haar totdat zij in de grond is opgenomen.

LANGZAME WALS

Wij dansen, moeder, door de keuken
jij had mij lachend opgetild

vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio

geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan

een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden

opgenomen in de wals
tussen tafel stoelen pannen

dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing

geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet

dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor de ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest

zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag

jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons over was
op een stoel en in een bed

en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was

uit: Zielsverstand, 2007

Hohner

Het tweede gedicht gaat over zijn oudere broer. Deze werd op jongere leeftijd ziek en stierf jong. Ik weet niet of Wiel hem goed heeft gekend. Zijn broer was door zijn ziekte lang buitenshuis. Wanneer Wiel in een keukenla duikt, ontdekt hij daarin allerlei spullen, waaronder de mondharmonica van zijn broer. Het  is een Hohner The Echo Harp.

Wiel beschrijft uitgebreid het doosje, waarin de mondharmonica is opgeborgen. Op het deksel is een berglandschap geschilderd, waarin een man een pad bewandelt, dat in de richting van de kijker loopt. Wiel herkent hierin zijn overleden broer, die hem nadert uit het gebergte van zijn dood.
Eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen, dat de interpretatie van Wiels broer niet van mij is (ofschoon Wiel dat duidelijk in zijn gedicht aangeeft), maar door mij werd gelezen in een recensie over het gedicht Hohner van Jane Leusink op 7 juli 2015 in TZUM literair weblog.

Hohner

In een la van de keukenkast
lagen de sigaretten van mijn vader
een boekje over eerste hulp bij ongelukken
(een man is uit voorzorg op een plank gaan staan
en trekt met een wandelstok
de elektriciteitsdraad
van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander)
een alarmpistool ~~
veel dat mij is ontschoten
en een mondharmonica van het merk
Hohner ~~ The Echo Harp.

Op het doosje een berglandschap
een houten huis
rook uit de schoorsteen
en op de voorgrond een man
die een pas bewandelt
naar ons toe.

Mijn broer speelde The Echo Harp
La Paloma
of schoot met het pistool
wanneer hij niet tekende, schaakte, las
of al het andere waar hij
goed in was.

Nooit kwam ik tot muziek
op zijn Hohner
nooit tot iets anders dan een sireneachtig
in en uit van adem

wel proefde ik het hout
ruik daarvan de wat zoete geur
wanneer het vochtig wordt
van mijn speeksel
voel hoe mijn mond
dorstig wordt en droog.

Het is een muziek
waarmee mijn broer nu
uit het gebergte van zijn dood
nader treedt

het is een ademen
een adem en alleen
in in in
en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

uit: Hohner, 2015

Vaders horloge

Dit gedicht is opgenomen in ‘Dao tuut ‘t’, dat door Wiel Kusters werd geschreven als monoloog voor stem en tuba. In feite is ‘Dao tuut ‘t’ een lang (verhalend geschreven) gedicht.

Wiel trekt een parallel tussen het stofvrije doosje, waarin het horloge is opgeborgen, en het doosje van het beademingsapparaat, waaraan zijn vader in het ziekenhuis is verbonden.
In feite zegt hij het horloge was bestemd voor ondergronds gebruik en beschermd tegen stof met  een mica-klep. De longen van zijn vader zaten ook in een doosje, maar dat was niet afgeschermd tegen stof met een mica-klep. Zijn vader ademde tijdens zijn ondergronds werk ongehinderd het mijnstof in, dat hem later zo fataal zou worden.

Ook mijn vader, tevens mijnwerker, had zo’n horloge, niet in een doosje, maar wel met een klep. Het was dus niet bestemd voor ondergronds gebruik, maar meer voor de zondag, als hij een net vest droeg.
Wel zag ik hem, als hij het horloge raadpleegde door de klep te open, tegen het glas blazen. Waarschijnlijk zat er condens op. Het horloge was dus niet stofdicht, net als zijn longen overigens.

Vaders horloge

Mijn vaders horloge zat in een doosje
een ijzeren doosje
met rood vilt bekleed en
met een mica venstertje
zodat je de wijzerplaat kon zien
stofvrij min of meer
stofvrije tijd

een horloge voor onder de grond

later zat zijn adem in zo’n doosje
een luchtdicht doosje nee
een doosje dat een heel klein beetje kierde
dat wat adem doorliet
van buiten naar binnen en
van binnen naar buiten
zijn hart moest aan een ketting trekken
een zware ketting

wat mijn vader niet wist
toen hij zo hard aan de ketting moest trekken
was dat hij alleen nog zou vragen
‘hoe laat is het’
vlak voor hij stierf

(…)

uit: Dao tuut ’t (1998). Heruitgegeven als Schachtsignalen (2012).

Vader

Een gedicht uit zijn vroege werk. Als Wiel zijn vader ziet, dan denkt hij aan diens ondergronds werk in de steenkoolmijn. Hij beschrijft op plastische wijze  de ondergrondse toiletomstandigheden en de last die de mijnwerkers hebben van de muizen. Deze zijn waarschijnlijk via de schachtliften ondergronds geraakt. Daar ondergronds paarden worden gehouden, konden zij zich via paardenvoer, en wat de mijnwerkers aan eetbaars achterlieten, in leven houden.
Naast de paarden en muizen hielden de mijnwerkers ook kanaries ondergronds. Niet voor de zang, maar als een kanarie op zijn rug lag, dan wist de mijnwerker dat hij zich uit de voeten moest maken. De kanaries konden namelijk niet tegen mijngas.

VADER

voor mij was glück auf
een nachtgroet in het donker
gesproken door mannen

voor hun behoefte zittend
op de schop terwijl muizen
brood uit hun jaszak vraten

geen treffender beeld
voor de komende slaap
wanneer ik in bed
mijn vader groette
voor hij de deur sloot

Uit: Een oor aan de grond (1978)

knipsel-wiel-kusters-met-zijn-vader
Wiel Kusters met zijn vader
(foto uit In en onder het dorp)

Epiloog

Het is opvallend hoe vaak ‘adem’ en ‘ademen’ een rol spelen in Wiel Kusters gedichten. Het is niet toevallig, dat dit in twee voorgaande gedichten gebeurt.

Wiel Kusters had aan zijn opa en vader gezien hoe funest het ondergronds werken in de steenkolenmijnen was. Uiteindelijk verloren hun longen hun functie en kwamen ze in ademnood.

Wiel Kusters was zich bewust dat ‘ademen’ een levensbehoefte is, en dat in dat kader  zijn vader door ongezond werken in de mijn aan levensjaren had ingeboet. Een ervaring die ik reeds eerder had opgedaan.

Maastricht,26 september 2016

Pierre Swillens

 

Wiel Kusters (deel 2)

19 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Proza

Inleiding

Wiel Kusters (1947) is een productief man. Hij schreef gedichten, mar ook  proza. Bovendien schreef hij in 2010 een biografie, getiteld Een leven over het leven en werk van de dichter Pierre Kemp. Vervolgens schreef hij in 2014 een biografie, getiteld Mijn versnipperd bestaan over het leven van de kunstcriticus Kees Fens.

Het is ondoenlijk om deze omvangrijke productie te bespreken. Daarom bespreek ik in dit deel een (beperkte) selectie van zijn prozastukken, en zal in deel 3 een aantal voorbeelden van zijn poëzie behandelen.
De selectie is volkomen willekeurig en afhankelijk van de beschikbaarheid van de tekst.

Ik graaf, jij graaft

Wiel Kusters geeft graag blijk, dat hij uit een regio komt waar het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect) wordt gesproken. Zo ook in zijn boek ‘Ik graaf, jij graaft’, dat hij schreef in 1995. Het boek bevat aantekeningen over poëzie.
Hij begint met een kinderversje in ‘Kirchröadsjer Plat’, dat hij in zijn kinderjaren vaak heeft opgezegd.
Het luidt als volgt:
mienne nònk va Pònk
deë hauw inne hònk
deë sjieset loeter kaffejrònk.

Hij doet er ook de vertaling bij:
mijn oom uit Pont
die had een hond
die poept alleen maar koffiedik.

Opvallend is, dat zijn vertaling minder plat is dan het origineel. Moeilijk te duiden is het woord ‘kaffejrònk’. Kaffe (koffie) is nog te volgen, maar ‘jrònk’. Volgens mij staat er ‘grond’. In het Kerkraads dialect wordt de ‘g’ niet uitgesproken, maar een ‘j’ hiervan gemaakt, terwijl de ‘d’ of ‘t’ aan het inde van een woord (na een medeklinker?) wordt gewijzigd in een ‘k’, zie ‘hònk’ (hond).

Wiel Kusters was verrast, toen hij de ‘Aachener Sprachschatz’ (Akens woordenboek) kocht  en hij het woord ‘kaffiejronk opzocht. Hij vond daarbij het volgende versje:
miene Nonk Fonk uus Ponk, déa fresst at luuter kaffiejronk.
Hij (of de Aachener Sprachschatz?) laat hierbij een regel of woord weg, want niet de oom maar de hond van de oom vreet koffiedik. Aan de ene kant van de grens poept de hond koffiedik, aan de andere kant vreet hij dat spul zo laat Wiel Kusters blijken.
Na enig speurwerk op internet vond ik een bevestiging. Mijn verrassing was misschien nog groter dan die van Wiel Kusters. Ik vond namelijk het originele kinderliedje. Dat ging als volgt: :
miene Nonk Fonk us Ponk singe Honk, döm sing Konk ess wonk van alle de kaffigronk döm minge Nonk Fonk us Ponk singe Honk dronk.
Vrij vertaald staat er:
mijn oom Font uit Pont zijn hond, die heeft pijn aan zijn kont van al de koffiedik, die mijn oom Font uit Pont zijn hond dronk. Het versje uit Kerkrade komt in een ander daglicht te staan, want de hond in Aken poept wel degelijk koffiedik.
Het kinderversje is te vinden In een door Matthias Schollen samengestelde verzameling ‘Aachener Volks- und Kinderliedeer, Spiellieder und Spiele’.
Hoe oud het kinderversje is, is moeilijk te achterhalen. Dit soort versjes werd gebruikt om door de alliteraties de tong van de kinderen soepel te maken. Het zou wel eens een oud versje kunnen zijn, want er staat ‘kaffigronk’ en niet ‘kaffijronk’, zoals in de andere versjes. Mogelijk dat in die tijd de ‘g’ nog niet veranderd werd in de ‘j’.

Opvallend is de overeenkomst tussen het ‘Kirchröadsjer Plat’ en het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect). Ook daar wordt de ‘g’ veranderd in een ‘j’ en de ‘d’ of ‘t’ aan het einde van een woord in een ‘k’. Dit dialectgebied wordt niet gescheiden door de grens tussen Nederland en Duitsland.

Slapeloos in Amsterdam

Vermakelijk is het verhaal ‘Slapeloos in Amsterdam’, dat Wiel Kusters schrijft naar aanleiding van een bezoek aan de dichter Gerrit Kouwenaar.
Dit verhaal is gepubliceerd in ‘Brieven uit Mosanje’ van 9  augustus 2016 ter gelegenheid van de 93e geboortedag van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014).

Reeds eerder werd het verhaal gepubliceerd in: Ton van Reen (red), Wilde Flora, Heerlen, uitgeverij Leon van Dorp, 2016.

Wiel is bij de ontmoeting 28 jaar oud en is van plan om een proefschrift te schrijven over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij maakt een afspraak met de dichter in Amsterdam om hem in te lichten over zijn voornemen en om hem om toestemming en medewerking te vragen.
Hij wordt allervriendelijkst  ontvangen door de dichter en zijn vrouw. Na enig gekeuvel besloot de dichter om hem als ‘introduce’ mee te nemen naar de sociëteit De Kring om hem voor te stellen aan zijn collega-dichters. Maar eerst wil de dichter nog met hem een hapje eten, rijkelijk besproeid met alcohol. Bij dit hapje blijft het niet, er wordt ook nog een bezoek gebracht aan een café.
Wiel ziet de bui al hangen en belt met Maastricht dat het te laat wordt om de laatste trein naar Maastricht te halen en dat hij in Amsterdam blijft slapen. De vrouw van de dichter had hem al beloofd, dat zij een kamer voor hem gereed zou maken.
Uiteindelijk bereikten ze rond middernacht het etablissement, alwaar De Kring zitting hield.  Gerrit Kouwenaar werd allerhartelijkst door de collega-dichters ontvangen, aan Wiel werd geen aandacht geschonken. Hij maakte zich wel zorgen over de alcoholconsumptie van de dichter en uiteindelijk besloot deze om naar huis te gaan. Hierbij steunde hij nadrukkelijk op Wiel tijdens het lopen. De dichter woonde in een bovenwoning, dus het was een hele hijs om hem boven te krijgen. Wiel plaatste hem in een leunstoel, waarin hij in slaap viel. Hij had nog kenbaar gemaakt, dat zijn vrouw niet wakker gemaakt mocht worden, dus Wiel besloot niet op zoek te gaan naar een slaapkamer en bracht de nacht eveneens door in een leunstoel.
Bij het krieken van de dag en het horen van de tram, besloot Wiel om maar met stille trom te vertrekken om de terugreis naar Maastricht aan te vangen.
Hij had stellig de indruk, dat de dichter ingenomen was met Wiels voornemen om een proefschrift over zijn werk te schrijven.

In 1986 promoveerde Wiel Kusters aan de Universiteit van Utrecht met het proefschrift De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar.

Dao tuut ‘t

Wiel Kusters schreef in 1998 ‘Dao tuut ‘t’ als monoloog voor stem en tuba. Het Huis van Bourgondië in Maastricht maakte er een theaterproductie van, hetgeen leidde tot verschillende uitvoeringen in Midden- en Zuid-Limburg.

In 2012 bewerkte Wiel Kusters ‘Dao tuut ‘t’ tot een boek Schachtsignalen. Dit boek werd uitgegeven in het kader van de serie ‘Literair Limburg’. In het boek is de integrale tekst van Wiel Kusters vertaald in het Kerkraads door Lei Heijenrath.

De tekst bevat tien fragmenten. De titel ‘Dao tuut ‘t’ verwijst naar de signalen die de naburige mijn Willem-Sophia regelmatig produceerde, bijvoorbeeld als teken dat een dienst was afgelopen en een nieuwe was begonnen.

In de boekbespreking van ‘In en onder het dorp’ met Wim Brands, tijdens een uitzending van VPRO Boeken, haalt Wiel Kusters de titel aan. Hij zegt: “Dit is nauwelijks te vertalen. Moet je zeggen: daar fluit het” (einde citaat). Het was geen fluiten, het was ook geen toeteren, het leek meer op een scheepshoorn.

Wiel Kusters zegt, dat hij zijn moeder dan vaak hoorde zeggen: “Dao tuut ’t op de koel” (op de mijn). Zelf hoorde hij het als kind nauwelijks tijdens het spelen. Het hoorde erbij. Voor de ouderen, die in de nabijheid van de mijn woonden, was het een vast signaal, zoiets als het beieren van nabije kerkklokken.

De tekst gaat voornamelijk over Wiels familie, zijn opa, zijn vader en zijn moeder. Soms aandoenlijk, zoals het fragment over zijn opa van moederzijde. Die was ook mijnwerker geweest, op de Willem-Sophia, en kreeg door silicose (longziekte) in zijn laatste levensdagen geen lucht meer. Op een gegeven moment moet hij hebben geroepen: “dui mich die moer um, ich krie jing lòf” (duw mij die muur om, ik krijg geen lucht).

Voor mijzelf vind ik het tweede fragment mooi. Dat gaat over zijn vader en het schuurtje, waarin de vader graag werkt.
Het fragment begint als volgt:
Mijn vadr had een schuurtje
‘d’r sjtall’
‘d’r pap is in d’r sjtal’.

Voor mij is dat voldoende, de rest zou ik zelf wel invullen. Maar Wiel legt uit wat zijn vader zoal in het schuurtje doet. Wiel had zijn moeder vaak horen vragen: “wo is d’r pap”. Een overbodige vraag overigens, want als zijn vader thuis was, dan was hij in het schuurtje bij zijn ‘düfkess’ (duifjes) bijvoorbeeld.

Epiloog

Ik heb maar een kleine schets kunnen geven van al het prozawerk van Wiel Kusters. Maar ik heb een indruk willen geven van zijn voorliefde voor het Kerkraads dialect, maar vooral van zijn betrokkenheid bij zijn familie en zijn afkomst. Als zoon van een mijnwerker heeft hij de aftakeling door ongezond werk van zijn opa en zijn vader zien gebeuren . Een lot dat hem bespaard is gebleven. Iets wat ik twintig jaar eerder al had mogen zeggen, toen ik in dezelfde situatie verkeerde.

Maastricht, 19 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Herlezend moet ik constateren, dat het boek ‘Ik graaf, jij graaft’ aantekeningen bij poëzie bevat. Wiel Kusters bespreekt poëzie van andere dichters.
En ‘Dao tuut ‘t’ is eigenlijk een lang (verhalend) gedicht.
Het zijn dus niet al te beste voorbeelden van Wiel Kusters proza. Maar het zij zo, mijn verhaal is af, proza of geen proza.

 

 

Wiel Kusters (deel 1)

1 Sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.