Tag Archives: Toendjoengan Soerabaja

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 3)

18 Mrt

Mariniersbrigade

Soerabaja

Voetbalclub THOR

m_soerabaja-9Toen ik enigszins geacclimatiseerd was in Soerabaja, ging ik mijn vleugels uitslaan. Als fanatiek voetballer (opgeleid bij de legendarische voetbalclub Armada uit Grevenbicht) ging ik op zoek naar een voetbalclub.
Een van de weinige actieve clubs was THOR (Tot Heil Onzer Ribbenkast). THOR was een voetbalclub met een oude geschiedenis. Zo had er in de dertiger jaren de toen 24-jarige Bep Backhuys in gevoetbald. De club nam toen deel aan de landelijke voetbalcompetitie op Java. Nu was er niet veel meer over van die glorie. Men nam dus iedereen als lid aan, ook militairen. In de hoop dat er goede voetballers tussen zaten.
Een van de sponsors was een Chinees restauranthouder, waar wij wel eens een consumptie van kregen. Bep Backhuys kreeg waarschijnlijk iets meer. Later zou Bep Backhuys de eerste betaalde Nederlandse profvoetballer in Metz in Frankrijk worden.

Een incident tijdens het voetballen kan ik mij herinneren. Er speelden steeds nieuwe mensen mee. Zo was er ineens een Indische Kapitein van het Leger, die directeur was van de plaatselijke gevangenis. Hij speelde redelijk en fanatiek. Tijdens de rustpauze nam hij een teil, vulde die met water en ging er met zijn voeten met schoenen en al inzitten. Even lekker de voeten afkoelen.Wij, Europeanen, keken er met grote ogen naar.
Baboes

Door de dagelijkse hitte werd er veel gezweet. Er werd per dag meermalen gewisseld van kleding. De gedragen kleding m_soerabaja-11moest dan worden gewassen.  Voor het wassen van de kleding maakten wij gebruik van een zevental baboes (zie foto). Voor de duidelijkheid de marinier, links op de achterste rij, dat ben ik.  Zij wasten met de handen in een van de bijgebouwen rond de binnenhof. In de villa kwamen zij niet en de sergeant-majoor van de huishoudelijke dienst (rechts op de eerste rij) zorgde ervoor, dat zij niet door ons zouden worden lastig gevallen.
Het was wel hilarisch om de dames onderling te horen praten. Namen van ons onthielden zij niet, daarom verzonnen ze voor iedereen een toepasselijke naam. Zo keken ze naar de rang van de militairen. “Toean litnan” (mijnheer luitenant), dat was gemakkelijk. Daarvan was er maar een, de commandant. “Toean sersan” (mijnheer sergeant) werd moeilijker, daarvan waren er meer. De naam werd gebruikt voor de reeds genoemde sergeant-majoor, die in feite hun baas was en alles met hen regelde en hen waarschijnlijk ook uitbetaalde.
Verder keken ze ook naar de bezigheden van de mariniers. Zo was er een “toean sopir” (mijnheer chauffeur), ofschoon er hier meer van waren. Ook uiterlijke kenmerken werden gebruikt. Iemand met blond haar werd gedoopt tot “toean poetieh” (mijnheer wit).

m_soerabaja-10

Op een dag waarop ik mijn wasgoed ophaalde, zei de oudste baboe, die ook zo’n beetje de leiding had, triomfantelijk en lachend tegen me, dat zij voor mij een nieuwe naam hadden bedacht, namelijk “toean tèk-tèk” (mijnheer tik-tik). Ik was de enige achter een schrijfmachine en die ratelde. Hoe zij dat wisten was mij een raadsel. Kennelijk had een het wel eens gehoord en gezien.

Voortaan heette ik “toean tèk-tèk” en ik beschouwde het als een geuzennaam.

De gouden ring

Het was tijdens een van mijn uitstapjes naar Soerabaja.Het was tegen de avond aan (schemering)., dat ik op de Toendjoengan een wat oudere man tegen een gevel gehurkt zag zitten, die iets ten verkoop aanbood.
Bij nadere bestudering bleek het om een ring met een groene steen te gaan. Hij noemde een bedrag, zo idioot laag, dat het geen zin had om met hem te gaan pingelen, wat doorgaans wel gebeurde. Toen ik hem vroeg of het goud was, knikte hij bevestigend met zijn hoofd. Vermoedelijk zal hij mij niet begrepen hebben, want hij knikte op alles bevestigend met zijn hoofd.

Ik besloot de ring te kopen in de veronderstelling dat hij hem wel ergens gejat kon hebben, of misschien uit de erfenis van zijn vader kwam. Toen ik hem het geld gaf, stond de man voor het eerst op. Waarschijnlijk had hij er de hele dag al gezeten. Hij raakte uitgelaten, feliciteerde mij uitbundig met de koop en ging er snel vandoor. Waarschijnlijk dacht hij, dat ik me wel eens zou kunnen bedenken. Hij had in ieder geval voor een paar weken te eten.

De andere morgen wilde ik mijn aanwinst wel eens bij daglicht bewonderen. En ja  hoor, mijn ringvinger was groen uitgeslagen. Het was dus toch koper. Boos deed ik de ring af en gooide hem door het geopende raam op de binnenhof. Aan een koperen ring en groene vingers had ik niets. Als ik hem bewaard had, kon ik hem nu tonen als een bewijs van een grenzeloze naïviteit in die tijd.

m_soerabaja-12Nu was het zo, dat dagelijks met de baboes twee djongossen (zie foto) opdraafden. Zij verrichten klusjes rond het huis, hielpen de baboes en hielden de binnenhof schoon. Een van de jongens (op de foto, die op de boom van de watertank, niet die dikke) kwam triomfantelijk naar binnen en liet mij de ring zien, die hij op de binnenhof gevonden had.

Hij toonde zich uitgelaten, want zo’n bezit had hij nog niet gehad. Wist hij wat koper was. Wie weet, sleet hij de ring binnenkort weer aan een nieuwe koper.

Ik stelde met genoegen vast, dat ik voor een habbekrats eerst een oude en toen een jonge inlander blij had gemaakt en ging over tot de orde van de dag.

Res nullius

Toen ik op latere leeftijd aan de Universiteit van Maastricht Nederlands Recht studeerde, kwam ik het begrip Res nullius tegen. Sinds de Romeinse tijd sprak men van res nullius, als iemand als eigenaar van een roerende zaak duidelijk afstand deed van het recht van eigenaar. Dan ging het recht van eigendom op de betreffende zaak over op de eerste, die bezit over deze zaak verkreeg. Dat Romeins recht was ook al bij die djongos bekend, of misschien hadden de baboes het hem verteld.

Dat het er niet altijd serieus toeging, vertelt de volgende foto van een ongeloofwaardige foto metamorfose.

m_soerabaja-14

(wordt vervolgd)
Pierre Swillens

Advertenties

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 2)

16 Mrt

Soerabaja

Militaire Politie

Na een lange zeereis kwamen wij dus aan bij de haven van Soerabaja (Oost-Java). Hier werden we gelegerd in een kazerne. Van daaruit maakten wij een aantal marsen; zonder water om te wennen aan het klimaat en ontberingen. Op zekere dag werden we ingedeeld bij de diverse afdelingen van de Mariniersbrigade. Zo hoorde ik mijn naam afroepen bij een tiental mariniers, die ingedeeld werden bij de Militaire Politie. Nu was dit het laatste waar ik mij geschikt voor achtte.

Mariniersbrigade

De Mariniersbrigade werd opgericht op 13 september 1945 te Camp Davis (USA). De brigade werd gevormd door oorlogsvrijwilligers en langdienstverbanders van het Korps Mariniers. Na een opleiding in de USA werden zij in november/december 1945 verscheept naar Nederlands Indië.
Het eerste contingent slaagde erin om te landen in Batavia, maar de rest werd tegengehouden door de Engelsen, die de macht hadden overgenomen van de Jappen. Deze contingenten verbleven tijdelijk op Malakka, totdat zij in maart 1946 aan land mochten gaan in Soerabaja. De Mariniersbrigade zou op Oost-Java verantwoordelijk worden voor de handhaving van orde en veiligheid.

Opleiding bij de Militaire Politie (MP)

De MP was gehuisvest in een klein kampje, wat zij deelde met de Veiligheidsdienst. Deze dienst had een tiental krijgsgevangenen in afzondering. Jonge kerels waar wij vrijelijk contact mee mochten hebben. Door een van die jongens liet ik mijn haar knippen, hij had kennelijk bij een kapper gewerkt. Toen hij met een los Gilettemesje, tussen zijn vingers geklemd, mijn bakkebaarden bij schoor, kreeg ik het toch even benauwd.

Zoals eerder gezegd, voelde ik mij niet geschikt voor politiewerk. Ik hoorde dat de ‘schrijver’ naar Nederland zou repatriëren en dat men daardoor met een groot probleem kwam te zitten. Zijn werk bestond namelijk uit het tikken van de processen -verbaal, die door de MP werden opgemaakt van alle incidenten, waarbij mariniers waren betrokken. Deze processen-verbaal werden afgehandeld door de Krijgsraad van de Zeemacht in Soerabaja. Belangrijk werk dus, waarbij voor continuïteit moest worden gezorgd.

Ter oplossing van dit probleem stelde ik mij voor als ervaren typist (ik kon in ieder geval met een schrijfmachine omgaan). Dankbaar nam men dit voorstel aan en ik werd snel tot ‘schrijver’ bevorderd. Dit leverde meteen een aantal prettige voordelen op, ik was immers de enige schrijver. Ik hoefde geen wacht te lopen en was vrijgesteld van politiediensten. Het enige wat ik moest doen was het halen van de deadlines van de in te dienen processen-verbaal.
Deze werden wel getikt in zes- of zevenvoud. Dus als ik een tikfout maakte, kwam de techniek van de losse blaadjes achter de carbons van pas. Het was dus zaak om zo weinig mogelijk tikfouten te maken.

Huisvesting

soerabaja-8Na het kampje werd de MP ingekwartierd in villa’s, waarvan de laatste (zie foto) ik mij het beste herinner. Dit was een luxe villa, waarschijnlijk gebouwd door een rijke Chinees, die toen de Jappen kwamen de benen had genomen.
Centraal in het gebouw was een grote en hoge eetzaal, waarvan de vier wanden waren bekleed met donker hout. In dit hout waren door ervaren houtsnijders taferelen uitgesneden, waarbij elke wand een der vier jaargetijden voorstelde. Het tafereel winter was dus erg vreemd in de tropen.

Het gebouw omzoomde een grote binnenhof, waarlangs de dienstgebouwen waren gevestigd. In een van die vertrekken hing een elektrisch nummerbord. Kennelijk was het de ruimte, waar het personeel verbleef in afwachting of hun nummer naar beneden viel. In dat geval werden zij geacht om voor de heer of vrouw des huizes op te draven.  Dit bordje illustreerde de onderdanigheid van de inlanders en de macht van de rijken.

Marinierskantine

m_soerabaja-3

De vrije tijd mochten we doorbrengen in de stad Soerabaja. Meestal bezochten wij dan de Marinierskantine (zie foto). De Marinierskantine was gelegen aan de Toendjoengan, een brede winkelstraat.
Het gebouw was tijdens de Japanse bezetting een warenhuis geweest en nu ingericht om de mariniers vertier te bezorgen. Er werden films vertoond en er speelde een combo, gevormd uit muzikanten onder de mariniers. Ook herinner ik mij een optreden van Pia Beck met het Miller Sextet.
Tijdens Oranjefeesten was er een Oranje-diner voor fl. 4,-. Toch gingen we liever voor fl. 2,50 naar de Chinees.

De Lintworm

soerabaja-1

Wij maakten hierbij gebruik van de Lintworm. Dit vervoermiddel had een vaste lijn vanaf de Darmo-kazerne naar de stad met diverse op- en afstap plaatsen.  Het vervoermiddel was ontwikkeld door de Eerste Luitenant der Mariniers HC.Th.Lindner en bestond uit een truck met een verlengde oplegger. Het voertuig bood plaats aan 113 personen (77 zit- en 36 staanplaatsen).  Er kon gemakkelijk worden opgestapt, dan wel afgestapt. Aan het einde van de dag gingen we met de Lintworm naar huis.
Andere vervoermiddelen waren onze eigen trucks, dan wel de ‘bedjaks’ (driewielige fietsen met een bak voor twee personen) met de bestuurder achterop.
Motto: waar een lintworm al niet goed voor is.

Pierre  Swillens

(wordt vervolgd)