Tag Archives: sittard

Charles Beltjens (deel 2)

11 Feb

Charles Beltjens en zijn gedichten

Een rijk œuvre

Inleiding

CB_FOTO, 10-05-2002, 11:51, 8C, 1660x2136 (1552+3114), 100%, vroege fotogra, 1/80 s, R45.7, G29.8, B41.9

Charles Beltjens schreef zijn gedichten in het Frans. Waarom dat zo was, heb ik in deel 1 uitgelegd. Omdat het in deze blog zo functioneel is, leg ik het nog eens uit. Bij hem thuis werd uitsluitend Frans gesproken. Zijn moeder was van Waalse afkomst. Hij volgde jarenlang Franstalig onderwijs in Rolduc. Hendrik Peters, zijn directeur aldaar en bekend als flamingant, begon te dichten in het Frans. In Maastricht dichtten de dichters André van Hasselt en Theodore Weustenraad eveneens in het Frans (Nissen 1995, p. 12).

 

 

Charles zal zelf wel hebben ondervonden, dat het dichten in het Frans hem beter afging dan in het Nederlands. Het zoeken naar rijmwoorden bijvoorbeeld. Bij mijn weten zijn er geen probeersels van hem gevonden, waarbij hij dichtte in het Nederlands.

GEDICHTEN

II Cahier de Poésie

Charles Beltjens moet vlak na het beëindigen van zijn middelbare schoolopleiding in Rolduc in 1849 begonnen zijn met dichten. Er is een schrift gevonden, gedateerd 1851, met als opschrift II Cahier de Poésie. De aanduiding II (deuxième) wijst erop, dat er een eerder schrift moet zijn geweest.
In het schrift, dat bewaard wordt in het Gemeentearchief Sittard staan, met potlood geschreven, voltooide en onvoltooide gedichten, zoals het ‘Adieu ã Rolduc’ (Nisssen 1995, p.11).  Hieruit blijkt dat Charles goede herinneringen had aan zijn opleiding in Rolduc.

Valkhoff schrijft, dat hij inzage heeft gehad in het schrift, dat hij overigens ‘een dik kladcahier’ noemt. Hij beschrijft dat uit de voltooide en onvoltooide gedichten blijkt, dat er heel wat in de geëxalteerde jongeling Charles Beltjens omging. Hij somt op: ‘vizioenen van de Hel, liefdesgedachten, romantische dromerijen, verlangens naar een lief wezen, incarnatie van zijn smachtende aspiraties (Valkhoff 1940, p. 311).

Enkele bijzondere gedichten

Ode sur le XXVme anniversaire de l’indépendance nationale de la Belgique schreef Charles Beltjens in 1855 ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de onafhankelijkheid van België, tot stand gekomen in 1830. Eerder had hij al in 1851 geschreven Épitaphe De Louise-Marie Première Reine des Belges.
Dit wijst erop, dat Charles zich meer Belg voelde dan Nederlander.

Aurore…ydille , een liefdesgedicht, dat hij in 1862 schreef aan zijn ex-geliefde Isabelle de Borman. De liefdesaffaire met Isabelle de Borman was reeds in 1852 geëindigd, dus Charles moet dit gedicht dus lang in zijn kast hebben gehad, dan wel aan hebben gewerkt.   Overigens werd dit gedicht in 1883 bij een ‘concours litéraire’ in Verviers bekroond met een eervolle vermelding. In 1885 werd Aurore samen met Le condor captif in Nederland gedrukt bij de drukkerij van Ger Tholen in Sittard.

A l’auteur des chansons des Rues et des Bois schreef Charles in 1866. Victor Hugo had in 1865 in ballingschap in Brussel de bundel Les chansons des Rues et des Bois geschreve. Deze bundel werd in Frankrijk niet goed ontvangen, daarom schreef Charles als bijval aan Victor Hugo dit gedicht.
Er ontwikkelde zich een correspondentie tussen Victor Hugo en Charles Beltjens, die wel een jaar duurde. Victor Hugo moet dus kennis hebben genomen van het werk van Charles Beltjens en dit hebben becommentarieerd.
Het gedicht werd in 1891, na de dood van Beltjens,  gepubliceerd in La Revue Belge.

Le condor captif, dit gedicht schreef Charles Beltjens in mei 1870 toen hij in Parijs verbleef. Hij beschreef een gebeurtenis tijdens een wandeling door de Jardin des Plantes. Het gedicht werd in 1885, samen met het gedicht Aurore, gedrukt door Ger Tholen in Sittard. Het gedicht is zo bijzonder, dat ik er iets meer aandacht aan wil besteden.

Le condor  captif

fbp_untagged_juvenile_condor_3418

Op een stralende morgen in mei 1870, het is 1 mei, wandelt Charles Beltjens in de Jardin desPlantes in Parijs. De Jardin des Plantes is een botanische tuin, waarin ook een dierentuin is gevestigd. Charles zal hier wel vaker hebben gewandeld, maar ditmaal is het een uitzonderlijke dag, zodat Charles lichtelijk in extase raakt.
Plotseling wordt hij opgeschrikt door een angstkreet, een soort wanhoopskreet. Als hij naderbij komt , ziet hij een joelende menigte voor een kooi, waarin een condor is opgesloten. De condor met een vleugelwijdte van wel drie meter doet verwoede pogingen om aan de kooi te ontsnappen. Bij zijn pogingen waait door zijn vleugelslag het stof in de kooi op en buigen de omliggende struiken door de wind. Maar de pogingen slaan te pletter tegen het plafond van de kooi of tegen de omringende tralies.
Uiteindelijk valt de condor reutelend op de grond. Charles heeft compassie met de condor, vandaar zijn gedicht.

Het gedicht omvat 65 strofen van vier versregels. Charles gebruikt de eerste zeven strofen om aan te geven, wat voor een mooie meimorgen het is. Ploteling hoort hij die wanhoopskreet en dan beschrijft hij wat hij aantreft.

De strofen 20 en 21 luiden als volgt:

Dans un cri formidable, il s’eleva, terrible,
Comme s’il eût tenté d’en briser le plafond ;
Sa tête alla frapper la barrière inflexible
Et poussant un long râle, il tombe sur le fond.

Tel qu’un ange déchu, les ailes pantalantes,
Le colosal oiseaigisait silecieux  ;
Par moment,, relevé sur ses jambes tremblantes,
Il geignait tristement, en regardant les cieux.

Wiel Kusters geeft in zijn inleiding ‘Condor en papegaai’ van de bundel Charles Beltjens, Poésies, een vrije vertaling hiervan. Hij schrijft
“Met een ernome kreet kwam hij omhoog, angstaanjagend, alsof hij de bovenkant van de kooi wilde stukslaan. Zijn kop sloeg tegen het onbuigzame traliewerk; reutelend viel hij op de grond. Als een gevallen engel lag de reusachtige vogel met stuiptrekkende vleugels op de bodem van de kooi. Toen hij weer op zijn trillende poten stond, keek hij naar de lucht en kermde droevig  (Kusters 1995, p. 24-25).

Op internet ontdekte ik op de website van Bep Mergelsberg van 17 september 2012 een ‘Nederlandse vertaling van Le Condor Captif van Charles Beltjens’. De vertaler/vertaalster? laat hierbij de oorspronkelijke dichtregel in het Frans volgen oor de vertaalde dichtregel in het Nederlands. Jammer genoeg worden er maar 11 van de 65 strofen vertaald.
Er is wel een vertaling van de strofen 20 en 21. Hieronder laat ik de Nederlandse vertaling hiervan volgen.

In een verschrikkelijke schreeuw, verheft hij zich
(het woord ‘terrible’ wordt hierbij onvertaald gelaten)
Alsof hij probeert het plafond te verbrijzelen
Zijn hoofd stoot zich aan het onbuigzame hekwerk
En, een lange rochel uitstotend, valt hij op de grond.

als een gevallen engel, met trillende vleugels,
Lag de colossale vogel geluidloos;
Soms weer rechtkomend op zijn tillende benen,
Grient hij droevig bij het zien van de hemel.

Het is wel interessant deze letterlijke vertaling te vergelijken met de vrije vertaling van Wiel Kusters.

Wiel Kusters begint overigens zijn inleiding met een verwijzing naar een gedicht van Rainer Maria Hilke ‘Der Panther’, dat deze schreef in 1907. Hilkes gedicht gaat over eenzelfde belevenis als Charles Beltjens in 187l0. Ook hij wandelt in de Jardin des Plantes in Parijs en ziet een dier  in een kooi achter tralies. Ditmaal niet een condor. maar een panter. Ook hier, een dier dat gewend is om in zijn leefomgeving hard te moeten lopen om een prooi te vangen. Nu opgesloten in een kleine ruimte is dat niet meer mogelijk en loopt hij alleen nog maar kringetjes.
Het dier is afgestompt en neemt door de tralies de buitenwereld niet meer waar. Hij houdt zijn oogleden gesloten. Af en toe verheft hij zijn oogleden gedeeltelijk, maar de indrukken, die hij hierbij opdoet, sterven in zijn hart (Kusters 1995, p. 21). De geschiedenis herhaalt zich, na ruim dertig jaar.

Wiel Kusters gaat dan in zijn inleiding uitgebreid in op het gedicht ‘Le condor captif’ van Charles Beltjens. Hij beschrijft hoe Charles mijmert over het feit, dat de gevangen condor in zijn leefgebied hoog boven de Andes majestueus zou kunnen vliegen. En hij gaat ook in op de gedachten van Charles, dat de vogel mogelijk beïnvloed wordt door aromatische geuren, die tot hem doordringen en hem onrustig maken. Vandaar zijn gedrag in zijn kooi. Zo vindt Charles het mogelijk, dat schepen in een nabije haven geuren uit Zuid-Amerika kunnen meebrengen, die door een zacht briesje naar de kooi van de condor kunnen worden gevoerd. De vogelt waant zich in zijn leefgebied en tracht de vrije ruimte te kiezen.

Ook vergelijkt Wiel Kusters het gedicht Le condor captif met producten van andere dichters. Hij stelt hierbij dat Charles schatplichtig zou zijn aan werken van Charles Baudelaire en Edgar Allen Poe door termen en gedachten te gebruiken, die ook in de gedichten van deze dichters voorkomen. Niet zo verwonderlijk omdat er verwantschap bestaat tussen de gedichten van Baudelaire en Poe. Maar dat doet volgens hem niets af aan de authenticiteit van Charles gedicht. Hij beschrijft een belevenis op een mooie mei-dag (Kusters 1995).

Aan het gedicht Le condor captif is in Nederland veel aandacht besteed. Ik schreef reeds, dat in 1885 het gedicht werd gedrukt bij Ger Tholen in Sittard. In 1993 verzorgde drs Ger Theunissen een educatieve editie van dit gedicht en in 1995 werd het gedicht opgenomen in de bundel Charles Beltjens Poésies. Deze bundel is als e-book gratis te downloaden van de website http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=belt002 van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Hardy Mertens componeerde zelfs een muziekstuk ‘Requiem for the captive condor’, dat werd uitgevoerd door de Banda Musicale Monestir. Ik heb dit muziekstuk beluisterd, het is heel mooi. Via Google en de zoekterm le condor captif is dit wel te vinden. Beslist een aanrader.

Charles Beltjens Poésies

Dit is een bundel van gedichten van Charles Beltjens, in 1995 uitgegeven door de Stichting Charles Beltjens.  Over de Stichting Charles Beltjens meer in deel 3. De gedichten zijn geselecteerd door drs. Guus Janssen, voorzitter van de stichting. Hij verzorgde ook het Voorwoord en het Glossarium . De bundel heeft een educatief karakter want de gedichten worden voorafgegaan door twee inleidingen. Een van prof. dr. Peter Nissen, getiteld: Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets en een van prof. dr. Wiel Kusters, getiteld: Condor en papegaai.

Epiloog

Charles Beltjens was geen lang leven beschoren. Na een lange slopende ziekte stierf hij op 58-jarige leeftijd. Hij had zich wel verzoend met de katholieke kerk. Dat was vooral te danken aan zijn vriendschap met pater Godefridus Jonckbloet, die leraar was aan het Aloysiuscollege aan de Oude Markt in Sittard (Nissen 1995,p. 19). In de laatste jaren was hij bijna elke dag te vinden in het café van Vatter Schiffelers. Men vond hem een zonderling en hij was eenzaam..
Toch is hij waarschijnlijk blijven dichten. Nog twee jaren na zijn dood publiceerde La Revue Belge nog gedichten van hem. Kennelijk had men daar een voorraadje.
Niet gewaardeerd in eigen land, werd hij in België en Frankrijk erkend als een groot dichter.

Laat ik eindigen met de treffende woorden, die Fons Hermans schreef over de laatste jaren van Charles Beltjens:

“De laatste jaren van zijn leven brachten hem naast de geestelijke troosteloosheid, die zijn deel was, ook nog het fysiek lijden van een kwaal, die zijn gezondheid langzaam sloopte. Maar toch zou hij voor zijn dood bij God de rust vinden, die hij zo hartstochtelijk maar vergeefs aan aardse bronnen zocht (Hermans 2014, p.13)”

Maastricht, 11 februari 2017

Pierre Swillens

Bronnen:

Hermans, Fons
Mensen in hun tijd. 12 Limburgse portretten, dbnl 2014  (eerder uitgegeven bij D’n Tomel, Sittard 1966)

Nissen, Peter J.A.
Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Kusters, Wiel
Condor en papegaai, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Stichting Charles Beltjens
Verzamelde gedichten, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Valkhoff, P.
Een vergeten Limburgse romanticus, in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

 

Advertenties

Voor het eerst in aanraking met Vrouwe Justitia

28 Nov

Niet opvolgen van een ambtelijk bevel

First offender

 

justitia-3Inleiding

Laats zei mijn vrouw Mientje tegen me: “Je schrijft altijd blogs over jezelf . Schrijf ook eens iets over mij. Dat ik op 15-jarige leeftijd in aanraking ben geweest met de politie”. “Prima”, zei ik, “maar dan moet je me eerst het hele verhaal vertellen”. Mientje wist zich echter maar weinig te herinneren van het voorval. Het onderstaand verhaal is authentiek, maar grotendeels gereconstrueerd.

Dansen op zondag

Als jong meisje was Mientje dol op dansen. En daarom trok ze met haar hartsvrienden Mia (de tweede uit de vele Mia’s in Mientjes leven) op zondag vaak erop uit om in het dorp Born of de omliggende dorpen te gaan dansen. Dat ze als 15-jarige nog niet de toegestane leeftijd (16 jaar)  had, dat deerde haar niet. Daarvoor vond ze dat dansen veel te leuk. Van haar moeder mocht ze, mits ze maar om tien uur ’s avonds thuis was. En dat was een strike regel, bij te laat thuiskomen geen dansen.

Dansen in Obbicht

Op een zondag in het voorjaar van 1949 was er dansen in Obbicht en wel in de danszaal van Tom Op de Kamp. Mientje en Mia besloten om daar naar toe te gaan. Mia had echter geen fiets, dus Mientje was verplicht om haar achter op de bagagedrager van haar fiets mee te nemen. Dat was bij de wet verboden, maar een kniesoor die daar op lette.

Het dansen verliep voorspoedig en de dames amuseerden zich. Af en toe was er controle van de politie. Dan werd er het sein “Politie” gegeven en vluchtten alle dames-onder-de-16-jaar naar de WC, zo ook Mientje en Mia. Als het sein veilig was, kwamen ze weer te voorschijn.
De politie wist dat wel, maar ze waagden zich niet op de dames-WC. Zij gingen naar buiten om daar te wachten, de dames in overtreding zouden toch een keer naar buiten komen.

Stopbevel politie

Aan het dansfestijn kwam een einde en ze moesten zich haasten om op tijd (10 uur) thuis te zijn. Ze waren net bij de danszaal vertrokken, toen ze het bevel “Halt politie” hoorden. Mientje raakte in paniek. Als ze zich nu met de politie moesten bezighouden, dan werd de klok van tien uur in Born niet gehaald. Mientje besloot door te fietsen en zette er een vaartje in. Om in Born te komen, moesten ze de sluis over het Julianakanaal overteken. De weg er naar toe was een lange onverlichte weg. Bij de oprit naar de sluis gekomen, kon Mientje niet meer en ze vroeg Mia om af te stappen en de oprit te lopen. We zijn ze nu toch wel kwijt. Maar hier had Mientje buiten de waard gerekend, in dit geval de dienders van de Heilige Hermandad.  Ze waren door de politieagenten te fiets gevolgd en waarschijnlijk wachtten deze tot de overgang van de sluis, die uitstekend verlicht was. Maar nu moesten ze wel ingrijpen en confronteerden de dames met hun aanwezigheid. Met behulp van een zaklamp werden de personalia genoteerd, waarna de dames hun weg konden vervolgen. Het recht had gezegevierd. Twee volwassen agenten in achtervolging van twee gevaarlijke tieners, die niet hadden willen stoppen op hun daartoe gegeven bevel.  Mientje vertelde wijselijk thuis niets van het voorval. Het was wel een enerverend avontuur geweest na een avondje dansen.

Dagvaarding

Enkele weken later viel er een grote bruine enveloppe met een aantal papieren in de brievenbus. Het bleek om een dagvaarding te gaan voor een rechtszitting in Sittard. Mientje moest toen wel alles opbiechten. Wonderlijk genoeg reageerde haar moeder erg laconiek. Zij (Mientje) had zich in de nesten gewerkt en moest maar zien hoe ze er uit kwam. Mientje noteerde datum, tijd en plaats in Sittard. Zij moest zelf uitzoeken waar ze moest zijn en ze herinnert zich nu alleen nog maar een groot gebouw met een grote deur, een lang gang en weer een grote deur. Die deur maakte ze open en toen kwam ze terecht in een rechtszitting, die op dat moment plaatsvond. Bij de deur stond een rij van vijf politieagenten. Een van de agenten bekommerde zich om haar en vroeg, wat ze kwam doen. Mientje liet haar dagvaarding zien, welke de politieagent grondig bestudeerde. Uiteindelijk zei hij:  “Juffrouw, deze zaak is al geweest, U had hier om negen uur moeten zijn en niet om tien uur”. Mientje had zich dus een uur in het tijdstip vergist. Boos nam zij afscheid met de mededeling: “Hier zullen ze mij nooit meer zien”.

Juridische consequenties

Mientje kan zich niets meer herinneren van de documenten. Helaas zijn ze ook niet bewaard gebleven. Nu zouden ze interessant zijn geweest, want naast de dagvaarding met de tenlastelegging, zal er ook het proces-verbaal van de politieagenten bij gezeten hebben. Dan was ook duidelijk geweest bij welke rechtbank ze zich had moeten vervoegen. Nu valt er allen maar te gissen.

Aan te nemen is, dat de verbaliserende politieagenten melding hebben gemakt van drie overtredingen en een misdrijf, waaraan Mientje zich had schuldig gemaakt.

Mientje had en was

– aanwezig geweest op een danszaal zonder de leeftijd van 16 jaar te hebben bereikt;
– gereden met een fiets zonder verlichting;
– gereden op een fiets met een persoon op de bagagedrager en
– niet voldaan aan een ambtelijk bevel.

Genoeg voor een dagvaarding dus. Mia kreeg geen dagvaarding, waarschijnlijk werd haar alleen de aanwezigheid onder de zestien jaar op een dansvloer ten laste gelegd.

Wat zal de rechter hebben beslist. Zeker is, dat Mientje bij verstek is veroordeeld. Nu kan de rechter haar als ‘first offender’ hebben vrijgesproken. Een boete opleggen aan een vijftienjarige is ook niet zinvol. Hij kan haar ook schuldig hebben verklaard zonder strafoplegging. We zullen het waarschijnlijk nooit meer te weten komen, tenzij er hier of daar een aantekening in haar dossier staat. Zelf heeft zij nooit meer iets van de rechtszitting gehoord. Voor haar ging het leven weer verder. De enveloppe met papieren verdween op een gegeven moment, waar moet je ook zo’n grote enveloppe in een gezin met zes kinderen bewaren.

Epiloog

In 1949 stond handhaving bij de politie hoog in het vaandel. De politie was na de oorlog in 1945 opnieuw opgebouwd en er was veel hulppolitie aangetrokken. Mogelijk waren deze dienders van de hulppolitie en moesten ze zich nog bewijzen. Dan ga je op een zondag de aanwezigheid van onder-de-zestien-jarige-meiden op een danszaal controleren. Als ze dan ook nog zonder licht en met een persoon op de bagagedrager rijden en bovendien niet reageren op een stopbevel, dan is het kat-in-het-bakkie. En een gedegen achtervolging waard. De andere onder-de-zestien-jarigen maakten zich ijlings uit  de voeten, er was immers geen politie meer.
De vraag is, of de rechter een dergelijke handhaving op een stel in weze onschuldige tieners wel adequaat vond en derhalve tot vrijspraak oordeelde.

Dansen heeft Mientjes leven wel verder beïnvloed. Op Pinksteren 1949 kwam ik terug van mijn militaire diensttijd in het vroegere Nederlands Oost-Indië. In juni daaraanvolgend trof ik Mientje voor het eerst op een provisorische dansvloer in een wei tijdens een Federatief Schuttersfeest te Buchten, gemeente Born. In september trof ik haar weer, nu in een danszaal op de kermis in Born. Sinds die tijd zijn we samen blijven dansen.
Ik ken Mientje dus 67 jaar, waarvan 61 jaar in de echt.

Mientje heeft woord gehouden en zij is, behoudens een enkele bekeuring voor een snelheidsovertreding, niet meer in aanraking geweest met Vrouwe Justitia.

Maastricht, 28 november 2016

Pierre Swillens

 

 

 

 

 

Zefke Mols 1874-1955 (deel 1)

16 Mrt

Een straattype uit Sittard

Volksfiguren uit de oude tijd

Wie was Zefke Mols?

Zefke Mols stamt uit een gezin van acht kinderen, waarvan de ouders reeds vroeg overleden. Zefke Mols was wees, toen hij 11 jaar oud was. De familie Mols werkte ’s zomers in de steenfabrieken in Duitsland, in de winter bezochten zij als marskramers de boeren in de omgeving van Sittard.
Op zijn vijftiende begon hij als leerling-sigarenmaker bij een sigarenfabriek in Wehr (Duitsland). In 1907 had Zefke zich opgewerkt tot verkoper en reisde hij met sigarenmonsters door Duitsland. In 1908 kwam hij hierbij in Karlsruhe terecht. Toen daar tijdens feestelijkheden een man werd vermoord, werd Zefke hiervan verdacht. Hij werd eindeloos verhoord en uiteindelijk, ondanks gebrek aan bewijs, tot levenslang veroordeeld.
Toen de echte moordenaar zich meldde, werd hij in 1914 vrijgelaten.

Wat kwam er toen van Zefke Mols terecht

Na zijn vrijlating, aangeslagen als hij was, leidde hij een zwervend bestaan. Hij knapte karweitjes op voor eten en onderdak. Zo kwam hij zelfs in Frankrijk terecht. In 1924 dook hij weer op in Limburg en zette hij zijn zwerversbestaan voort. In 1925 werd hij opgepakt wegens landloperij en opgesloten in een werkkamp in Veenhuizen (Drenthe).
In 1928 was hij weer terug in Sittard en vond hij onderdak in de schuur van een oude vriend.

Toen zijn vriend verhuisde, verhuisde Zefke Mols mee. Ook op het nieuwe adres kreeg hij de beschikking over een schuur. De gemeente Sittard gedoogde Zefkes verblijf in de schuur en gaf hem een verklaring dat hij daar tot zijn dood mocht wonen. Later legde ze zelfs elektrisch licht aan in de schuur. Eten en drinken kreeg hij van de buurtbewoners en Maatschappelijk Werk voorzag hem van kleding.

Zefke Mols als volksfiguur

9-Zefke-Mols

Zefke leefde op de straat. Je kwam hem nog wel eens tegen. Spraakzaam was hij niet. Na zijn vrijlating in Duitsland had hij gezworen nooit meer te praten. Dat deed hij alleen nog maar als het nodig was en alleen tegen mensen, die hij vertrouwde. ’s Zomers sliep hij vaak buiten aan de voet van een kastanjeboom aan de Wal. Zich opfrissen deed hij dan aan een waterpomp op de Markt.

Het liefst zat hij op de brug over de Keutelbeek, midden in het centrum van de stad. Hij bekeek dan zwijgzaam de passanten. Op zekere dag hadden studenten van het nabijgelegen Bisschoppelijk College (het college waar Willy Dols les aan had gegeven) een aantal medailles op zijn jas gespeld. Zefke vond dat kennelijk leuk en ging zich volhangen met medailles op zijn buik en jas (zie foto). De medailles kreeg hij aangereikt door omwonenden.

De medailles werden zijn handelsmerk. Hij werd de ‘onderkoning’ van Sittard. Hij werd ook wel een van de stadsprofeten genoemd, zoals de troubadour Jo Erens (1928-1955) zong in zijn liedje ‘Zefke Mols’. Ook zong hij ‘mit zien medaajes oppe boek’ (met zijn medailles op de buik).

Het einde van Zefke Mols

Hoewel Zefke Mols vrijwel op straat leefde, kwam hij eerst in 1955 op 81-jarige leeftijd te overlijden. Hij was in zijn slaap gestorven.
Op zijn dood werd in Sittard geschokt gereageerd. Een bekend volksfiguur was uit het stadsbeeld verdwenen.
Hij werd onder overweldigende belangstelling begraven. Om de begrafeniskosten hoefde men zich niet druk te maken. Toen Zefke 65 was geworden, had hij nooit zijn AOW opgehaald. Geld had hij niet nodig, hij werd immers onderhouden door de gemeenschap. De gemeente Sittard had zijn AOW opgespaard en zorgde voor een degelijke begrafenis.

Zefke werd begraven met een eer, die hem toekwam. en zijn graf werd versierd met een mooie grafsteen.

Pierre Swillens

Bron: Wikipedia ‘Zefke Mols’, artikel gesjreve in ’t Zittesj (artikel geschreven in het Sittards)

Willy Dols (deel 2)

11 Feb

Een verwachting die niet in vervulling mocht gaan

Een tragisch einde aan een veelbelovende carrière

Inleiding

Lei Limpens schrijft in zijn biografie over Willy Dols in de eerste regel van zijn Inleiding: ‘Het leven van Willy Dols heeft iets van een Griekse tragedie gehad’. En daarmede zal hij zeker de laatste drie maanden van het leven van Willy Dols hebben bedoeld. In die drie maanden ging Willy Dols door noodlottige omstandigheden het einde van zijn leven tegemoet. Een einde aan zijn  veelbelovende carrière als taalkundige.

De oorlogssituatie in 1944

We schrijven eind augustus 1944. De geallieerde troepen rukken op in België en naderen Nederland. Willy Dols is intussen leraar Nederlandse Taal en Letteerkunde aan het Bisschoppelijk College te Sittard. De school waar hij vroeger had gestudeerd. De schoolleiding had de zomervakantie met veertien dagen verlengd met het oog op de onzekere oorlogssituatie.
Willy Dols is tevens bezig met de afronding van zijn proefschrift over de Sittardse diftongering. Hij wilde nog een inleiding schrijven en een hoofdstuk toevoegen.

Willy Dols krijgt van zijn broer Chrit, die dan bij de burgerlijke stand van de gemeente Sittard werkt, te horen, dat hij (Willy) op een lijst voorkomt van inwoners van Sittard, die door de Duitsers worden opgeroepen voor het het verrichten van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van verdedigingslinies voor de Duitse troepen in Zuid-Limburg.
Willy voelt hier niet veel voor. Hij werkt lievere aan zijn proefschrift. Daar hij toch nog vakantie heeft, adviseert zijn familie hem om af te reizen naar zijn zus Jeanny, die inmiddels in Arnhem woont. Daar kan hij dan in alle rust aan zijn proefschrift werken en bevindt hij zich in de nabijheid van de universiteitsbibliotheek van de R.K. Universiteit in Nijmegen. Willy vindt dit een goed idee en vertrekt op 30 augustus 1944 met de trein om te logeren bij zijn zus in Arnhem.

Hier begint de Griekse tragedie van Willy Dols. Als Willy aan de ‘Arbeitseinsatz’ had willen ontkomen, dan had hij in Sittard of de omgeving kunnen onderduiken. Dat had maar kort hoeven te duren, want op 17 september wordt Sittard door de geallieerden bevrijd.
Bovendien was Willy eerst van plan geweest om op 1 september naar zijn zus af te reizen. Op die dag wordt echter het station van Sittard door de geallieerden gebombardeerd en vertrekt er geen trein meer. Dus Willy Dols had op die dag mogelijk niet naar zijn zus in Arnhem kunnen afreizen.
Hoe dan ook, achteraf zou blijken, dat Willy Dols zijn ondergang tegemoet ging.

Operatie ‘Market Garden’

Terwijl Willy Dols bij zijn zus in Arnhem verblijft, beginnen de geallieerden op 17 september met de operatie  ‘Market Garden’ met behulp van luchtlandingstroepen en oprukkende troepen vanuit Noord-Brabant.  De operatie voltrok zich voornamelijk rond de steden Nijmegen en Arnhem met het doel om de belangrijkste bruggen in de handen te krijgen.
De oorlogssituatie rond Arnhem heeft tot gevolg, dat de inwoners van Arnhem moeten worden geëvacueerd en op 23 september verlaten Jeanny, haar man en Willy de stad Arnhem. Dezelfde avond ontmoeten ze de familie van Carel Beke, die eveneens de stad Arnhem is ontvlucht. Carel Beke is leraar aan een mulo (later zou  hij als schrijven van de kinderboekenreeks Pim Pandoer bekendheid krijgen). Carel Beke is vergezeld van zijn vrouw en vijf kinderen, maar hij is tevens ziek. Om die reden vraagt Willy Dols aan de vrouw van Carel Beke of hij haar met de vijf kinderen kan helpen.

Bezorgd als hij is, besluit hij om zich bij dit gezin aan te sluiten en verlaat hij zijn zus en zwager. Ook hier treedt weer iets op als in een Griekse tragedie. Door dit besluit gaat Willy, ofschoon hij dat natuurlijk niet weet, zijn noodlot tegemoet. Zijn zus Jeanny en haar man zullen als evacués in Beekbergen de oorlog overleven. Het gezin van Carel Beke gaat een onzekere toekomst tegemoet. Samen met Willy Dols besluiten ze om naar Friesland te gaan, maar met twee fietsen, een wandelwagen, vijf kinderen en een zieke man schiet dat niet hard op. Carel Beke houdt een dagboek bij en hij beschrijft hoe Willy Dols met twee kinderen en bagage op een fiets rijdt, terwijl hij met zijn vrouw en een kind op de fiets een wandelwagen met twee kinderen trekt. Soms mogen ze op een kar meerijden.

Het drama van Putten

Na een omzwerving over de Veluwe komt het gezelschap in de avond van 28 september terecht in Putten. Carel Beke kan niet verder, hij is door koorts overmand. Zij vinden onderdak in het pension Huis  ten Bosch.
Hier voltrekt zich de Griekse tragedie over Willy Dols. Wat was er gebeurd. In de nacht van 30 september op 1 oktober had een verzetsgroep een aanslag gepleegd op een auto met vier Duitse militairen. In het vuurgevecht, dat was ontstaan, werd een verzetsman gedood en twee Duitse officieren gewond. Een werd gevangengenomen, de andere wist te ontkomen, maar stierf later aan zijn verwondingen. De overige twee militairen (korporaals) wisten te ontvluchten en verwittigden de Duitsers.

De volgende dag, 1 oktober, hielden de Duitsers als represaille een razzia in Putten en omgeving. Ze legden een kordon rond de plaats, executeerden zeven personen, waaronder een kind en staken 110 woningen in brand. De mannen werden opgejaagd en samengedreven in de Grote Kerk. Zo ook de pensionhouder van Huis ten Bosch en Willy Dols. De zieke Carel Beke wordt ongemoeid gelaten. De pensionhouder werd overigens later vrijgelaten, omdat hij ouder was dan 50 jaar.

Willy ziet nog kans om aan de vrouw van Carel Beke een aktentas met daarin zijn handgeschreven proefschrift te overhandigen met het verzoek deze goed te bewaren, want de tas bevat zijn levenswerk. De vrouw bergt de tas op in de wandelwagen met de baby en de tas zal daarin blijven tot het einde van de oorlog. Na de oorlog zal Carel Beke de aktentas met het handgeschreven proefschrift overhandigen aan de familie van Willy Dols.

Tewerkstelling in Duitsland

De verzamelde mannen en jongens, 662 in totaal, worden op 2 oktober op  transport gesteld naar Duitsland om aldaar te werken aan verdedigingslinies voor de Duitse troepen. Allereerst worden ze vervoerd naar een kamp in Amersfoort. Aldaar worden 59 personen vrijgelaten, mogelijk omdat geselecteerd werd op de leeftijd tussen 18 en 50 jaar. Tijdens het transport op 11 oktober naar Duitsland wisten 13 personen te ontsnappen, zodat 589 personen, waaronder Willy Dols,  aankwamen in Neuengamme in Noord-Duitsland. Vandaar werden ze verdeeld over verschillende werkkampen.
Willy Dols komt uiteindelijk terecht in een werkkamp in Husum, dicht bij de Deense grens. Door het hoge sterftecijfer wordt dit kamp ook wel als een ‘Vernichtungslager’ aangeduid. Willy moet onder erbarmelijke omstandigheden met slechte voeding werken aan tankvallen e.d. De mannen droegen nog zomerse kleding, omdat het toentertijd in Putten nog warm was. Nu was het klimaat anders. Bovendien braken er besmettelijke ziekten uit.

Dit alles heeft een hoge tol aan sterfte geëist onder de gedeporteerde mannen. Van de 589 mannen en jongens kwamen er maar 49 terug. En hiervan stierven er nog 5 personen op korte termijn, als gevolg van de ontberingen.
Een van de slachtoffers was Wille Dols. Hij stierf op 5 november als gevolg van dysenterie. Hij werd begraven op het Ostfrieddhof in Husum.
Later werden in 1955 zijn stoffelijke resten overgebracht naar het Nederlandse ereveld Lübeck te Lübeck-Vorwerk.

Epiloog

De ouders van Wille Dols blijven nog lang in het ongewisse van de dood van hun zoon Willy. Op 26 februari 1945 ontvangen zij via het Rode Kruis bericht van hun dochter Jeanny, dat zij en haar man geëvacueerd zijn  in Beekbergen en dat Willy in Duitsland is tewerkgesteld.
Op 25 juni 1945 doet de familie een oproep via Radio Herrijzend Nederland of iemand iets weet, omtrent de verblijfplaats van hun zoon Willy. Zij krijgen een reactie van iemand, die beweert dat hij in het kamp Husum heeft verbleven en dat hun zoon Willy voorkomt op de lijst van geregistreerde begraven personen op de begraafplaats in Husum.

Op 2 augustus 1945 ontving de familie Dols een bericht van het Bureau Repatriëring voor hulp en bijstand in Putten een officieel bericht, dat hun zoon Willy op 5 november 1944 was overleden.
Op 9 augustus daaropvolgend wordt voor Willy Dols een plechtige uitvaartdienst gehouden in de St. Petruskerk te Sittard, zie Limpens (2011:79-81).

Aan de verwachting, dat Willy Dols zich zou ontwikkelen tot een gerespecteerde geleerde, die zich in dienst zou stellen van een wetenschappelijke uitoefening van onderzoek en onderwijs in de taalkunde, was een einde gekomen. Het enige, dat als zijn nalatenschap nog restte, was een proefschrift over de Sittardse diftongering.

Het handgeschreven proefschrift, dat door de familie Beke is bewaard, wordt uiteindelijk door de classicus drs. Jan van de Bergh, vriend en collega van Willy Dols bij het Bisschoppelijk College te Sittard, bewerkt en in 1953 gepubliceerd onder auspiciën van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen. Ook  zijn leermeester prof. dr. Jac van Ginneken, die overigens in 1945 overleed, had op publicatie aangedrongen.

De Griekse tragedie hield in, dat Willy Dols zich op een verkeerd moment op een verkeerde plaats bevond.

Pierre Swillens
Bronnen:

  • Lei Limpens, Willy Dols 1911-1944, Uitgave Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011
  • Marc van Oostendorp, De tragische dood van een taalgeleerde, Onze Taal (2011: 24-25)
  • Wie is Willy Dols. Willy Dols Stichting (www.willydolsstichting.nl)

Willy Dols (deel 1)

11 Feb

Zijn studie en zijn loopbaan

Een taalkundige, die een kort leven was beschoren

Inleiding

In 2011 schreef Lei Limpens een biografie over Willy Dols. Dit tijdstip was zo gekozen, omdat het 100 jaar geleden was, dat Willy Dols was geboren. Lei Limpens beschrijft in deze biografie  het leven, en het noodlottig einde hieraan, van een veelbelovende taalkundige.
Als ondertitel gebruikt hij: Een verwachting die niet in vervulling mocht gaan. In een aantal delen wil ik beschrijven waaruit die verwachting bestond en waarom ze niet in vervulling ging.

Willy Dols, zijn persoon en zijn studie

Willy Dols is op 21 mart 1911 geboren te Sittard. Hij was de oudste in een gezin van vier kinderen. Zijn ouders bestierden een café aan de Bergstraat 66. Toen dit pand in 1923 werd afgebroken, bouwde zijn vader een nieuw café aan de Brugstraat 1.

Willy Dols gaat naar de lagere school in de Baandert en daarna naar de er tegenover liggende ulo. Hier blijft hij maar kort, want in het schooljaar 1925/1926 begint hij in de 1e klas van het Bisschoppelijk College aan een 5-jarige HBS-opleiding. In 1930 studeert hij hier af.

Daar hij van plan was om een universitaire studie Nederlands te gaan volgen en hiervoor een gymnasiumopleiding nodig was, deed hij in 1931 een staatsexamen gymnasium-B en in 1932 een staatsexamen gymnasium-A.

Willy Dols en zijn universitaire studie

In 1931 was Willy Dols al begonnen aan zijn universitaire studie Nederlands aan de R.K. Universiteit van Nijmegen. Hij zou hier ingeschreven blijven tot 1938. Al zullen de eerste jaren van zijn studie op een laag pitje hebben gestaan, gezien zijn studie voor het staatsexamen gymnasium. Hoe dan ook, Willy Dols behaalt zijn doctoraal examen Nederlands cum laude op  29 november 1938. Zijn belangrijkste leermeester was prof. dr. Jac. van Ginneken, die ook later zijn promotor zou worden bij het schrijven van een proefschrift.

Willy Dols, zijn verdere loopbaan en het schrijven van een proefschrift

Reeds voor zijn afstuderen had prof. Van Ginneken Willy Dols voorgedragen voor een professoraat in de germanistiek aan de universiteit van Tartra in Estland. Van deze universiteit ontving Willy een uitnodiging om te solliciteren. Het Duitse gezantschap in Talinn eiste echter dat een Duitser voor deze functie zou worden benoemd. De Duitse bezetting van Estland maakte een einde aan deze discussie.

In augustus 1939 ontving Willy Dols een uitnodiging van de Nederlandse regering  om, in het kader van een uitwisselingsproject, een lectoraat Nederlands aan de universiteit van Praag te aanvaarden.
Willy Dols ziet hierin wel brood. Om zich op deze functie voor te bereiden, gaat hij in Leiden bij de Slavist prof. dr. N. van Wijk  Tsjechisch studeren.
Ook hier gooien de Duitsers roet in het eten. De Duitsers bezetten Tsjechië en de Nederlandse regering ziet af van de uitzending van Willy Dols.

In januari 1939 begint Willy Dols als leraar Nederlands les te geven aan scholen in Wijnansrade, Maastricht en Sittard. In dat jaar begint hij in overleg met zijn promotor prof. Van Ginneken  aan zijn doctoraal proefschrift over de Sittardse diftongering. Om dit proefschrift zo snel mogelijk af te ronden,  neemt hij in het schooljaar 1942/1943 studieverlof. Hij laat zich weer inschrijven aan de universiteit van Nijmegen om aldaar in de bibliotheek onderzoekwerk te kunnen doen, alsmede contacten te kunnen onderhouden met zijn promotor. Dat dit niet gemakkelijk ging, blijkt uit het feit , dat hij aan de Duitse autoriteiten toestemming moet vragen voor een vergunning tot verblijf in de provincie Gelderland, zie Limpens (2011:65).

Door de oorlogssituatie schiet het niet hard op met het proefschrift. Zijn vriend drs. Jan van de Bergh, als classicus verbonden aan het Bisschoppelijk College te Sittard, helpt hem met het verzamelen van de dialectgegevens omtrent de Sittardse diftongering in de regio Sittard. Hij is het ook die het handgeschreven proefschrift van Willy Dols uittypt.

Prof. Van Ginneken krijgt in april/mei 1944 inzage in een deel van dit proefschrift. Hij is laaiend enthousiast en besluit om Willy Dols als zijn opvolger aan de R.K. Universiteit Nijmegen voor te dragen.

Willy Dols blijft echter aan zijn handgeschreven proefschrift sleutelen. Hij wil nog werken aan een inleiding en een extra hoofdstuk. Hoe dit afloopt, beschrijf ik in deel 2.

Pierre Swillens

Bron: Lei Limpens, Willy Dols 1911  – 1944, Uitgave Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011.

 

Sjetse van vreuger

16 Nov

Oet en dörp in Zuid-Limburg

Limburgse dialecten

‘Sjetse van vreuger’

Scan_Hub_Frenken

Onlangs ontving ik van Mañec, de jongste dochter, het boekje ‘Sjetse van vreuger’, geschreven door haar vader Dr. Hub Frenken onder het pseudoniem Bertje Op de Kamp. Het boekje bevat verhaaltjes in dichtvorm en is geschreven in het Obbichts dialect. De verhaaltjes hebben betrekking op de jeugdjaren van Hub Frenken, welke hij doorbracht in zijn geboortedorp Obbicht. Het boekje werd in 1988 uitgegeven door de Stichting Charles Beltjens, Sittard. De illustratie op het voorblad is van Hub Frenken zelf en wordt door hem omschreven als ‘wie sjoan oos dörp dao vreuger laog’.

Over de veelzijdigheid van Hub Frenken heb ik reeds eerder geschreven. De belangstellende lezer kan deze terugvinden in mijn weblog op 16, 19 en 22 november 2013. Ondanks het feit dat Hub Frenken de hele wereld bereisde, bleef hij zijn geboorteplaats Obbicht en het Limburgs dialect trouw. Op latere leeftijd schreef hij in 2000 het boek ‘Beelden uit mijn kinderjaren, trekken aan mijn oog voorbij’. Ook hier weer verhalen uit zijn jeugd in Obbicht. Het boek is een uitgave van de Stichting Davidshuis Pers, Rotterdam. De stichting is inmiddels opgeheven en het boek is niet meer verkrijgbaar.

DEN DOKTER (ôm 1900)

In ”Sjetse van vreuger beschrijft Hub Frenken in een lang verhaal de entree van de huisdokter in het dorp Obbicht. Eerst per koets van elders, of per bootje over de Maas vanuit België, later vestigde zich een huisarts in het nabijgelegen dorp Grevenbicht, Als oud-inwoner van Obbicht en Grevenbicht kan ik mij deze dokter nog goed herinneren. Eerst als patiënt, ofschoon ik hem als kind niet vaak nodig had. Later als trouwe fan van de voetbalclub Armada uit Grevenbicht, waarin ik voetbalde.
Hij woonde in een mooie villa in het centrum van het dorp. Achter de villa was een grote tuin, waarin ook fruitbomen stonden. Op een avond besloten we om ons tegoed te doen aan zijn rijpe appels. Kennelijk had hij al eens eerder ’s avonds bezoek gehad, want hij betrapte ons terwijl we bezig waren onze zakken te vullen. Wij moesten een goed heenkomen zoeken, hetgeen niet zo gemakkelijk ging, omdat we met zijn allen door één gat in de omheining moesten. Maar kennelijk was hij al niet meer zo goed ter been.

Melecien

In het verhaal gebruikt Hub het woord melecien, waarmede hij medicijn bedoelt. Ik vertelde Mañec dat ik dat woord uit mijn jeugdjaren in Obbicht niet kende. Zij bevestigde dat haar vader dat woord vaker gebruikte. Later zou Hub zelf arts worden, dus beroepshalve zal hij het ook wel gehanteerd hebben.
Dat het woord melecien  werd gebruikt, is waarschijnlijk, want het Sittards dialect kent het woord ‘millesien’, in het Heerlens dialect is dit ‘mellesieng’.

VEURWOORD

De laatste drie strofen van Hubs voorwoord in ‘Sjetse van vreuger’ luiden als volgt:

Veùl jaore bên ich weggewêes
in vrêem lènj euverzeè.
Wie ‘ch trùkkaom kênd’ ich veùl
van oos awd dörp neet meè.

Ich bên noe awd, al tachtig jaor.
’t Wurt tied noe ôm te gaon.
Ich dênk dat Peètrus al de paort
veur mich hêet aopestaon.

Ich dênk zoe gêer nog effe trùk
aan ’t Limburgs dörp van doe.
En wat ich dênk sjrief ich noe op
straks gaon mien auge toe.

Hub Frenken schreef dit voorwoord op tachtig jarige leeftijd. Hij zou echter nog in leven blijven tot 15 februari 2001. Hij werd net geen 94 jaar oud.
Uit zijn woorden blijkt wel zijn aanhankelijkheid aan zijn geboortedorp Obbicht.

De Kus

Hub Frenken was een familiemens. Met zijn vrouw Betta Pernot, eveneens uit Obbicht afkomstig, deelde hij lief en leed. Samen kregen ze vijf kinderen. Toen zijn vrouw op 3 september 1999 overleed, was hij 64-jaar met haar gehuwd. Na haar dood schreef hij het volgende gedicht, nu eens niet in het dialect:

De Kus

Buiten is het guur
De wind jaagt vlagen sneeuw tegen de ruiten
Ik zit hier binnen aan de haard
Mij deert het weer niet buiten.

Ik zag de vlammen spelen om het hout
En pluimen rook die werden opgezogen
Ik sloot mijn ogen en ze droegen heel mijn sluimer
Naar dingen die het verstand niet vat
Ik hoor heel lieve woorden
Alsof zij hier nog naast mij zat.

Een rookpluim scheidde zich af van ’t vuur
Ze kwam naar voren naar mijn hoofd
Heel zacht raakte zij mijn wang, mijn voorhoofd en mijn mond
Je zult het niet geloven
Maar heus, ik heb die kus gevoeld
die zij uit d’eeuwigheid mij zond

(ondertekend J.H. Frenken)

Noonk Sjaak, de kapper

Ter illustratie van de verschillede dialecten en de verschillende uitspraken hiervan, haal ik een verhaal aan, dat ik op 14 mei 2012 op mijn weblog schreef onder de titel: ‘Noonk Sjaak, de kapper’. Zelf woonde ik toen in Obbicht, Noonk Sjaak in Grevenbicht. Noonk Sjaak had een dames- en een herenkapsalon en was een (aangetrouwd) familielid van mijn moeder. Wij brachten hem wel eens een bezoek en dan moest ik als 5-jarige meehuppelen. Als Noonk Sjaak dan zijn salon vol klanten had zitten, dan zei hij wel eens: “Jong, zègk ’t nog ins”.  Dan wist ik dat ik moest zeggen: “Aan de kéntj van het léndj steit ein ménj mit zéndj”. Dat leverde dan de nodige hilariteit op, het waarom ontging mij.  Pas later begreep ik dat de Grevenbichtenaren de zin uitspraken als: “Aan de kantj van het landj steit ein manj mit zandj”.  Kennelijk liepen de isoglossen van deze uitspraak midden tussen deze dorpen, die hemelsbreed misschien 1,5 km uit elkaar lagen.
Ook Hub Frenken gebruikt in ‘Sjetse van vreuger’ de Obbichter variant. In zijn gedichten komen de woorden ‘kentj’ en ‘lendj’ voor, zij het dat hij geen schrifttekens gebruikt voor de uitspraak.

Sjef oet Canada

Mañec heeft het verhaaltje van Noonk Sjaak, de kapper op mijn suggestie gestuurd naar haar broer Sjef in Canada. Sjef is de oudste van de kinderen Frenken en woont reeds vanaf zijn achttiende (ik weet niet onafgebroken) in Canada. Toch is hij het Obbichts dialect trouw gebleven (Mañec vertelde mij, dat in een telefoongesprek met Sjef moeiteloos naar het dialect wordt overgestapt).
Sjef wist het verhaal van Noonk Sjaak kennelijk te waarderen, maar hij had  enkele suggesties. Zelf zou hij Noonk Sjaak schrijven als Nónk Sjaak, met een korte lange (ó). Aangezien ik dat korte lange (ó) niet begreep, heb ik dat opgezocht en inderdaad in het Sittards dialet kent men in de uitspraak de korte (o), de lange (oo) en de korte lange (ó). Het is maar, dat u het weet.
Opmerkelijk is dat Hub in zijn verhaaltjes het dialectwoord nônk gebruikt, waarbij hij aan geeft dat de korte ô moet worden gelezen als de o in roman.
Overigens kwam ik erachter dat in het Geleens dialect wel degelijk van ‘noonk’ voor oom wordt gesproken, dus helemaal fout zat ik niet. In het Geleens dialect vind ik veel woorden terug, die we ook in het Obbichts dialect gebruikten.

Gelaens (Geleens) dialect

Een en ander heeft mij er toe aangezet, om mij meer te verdiepen in het Limburgs dialect, waarover later meer. In het verhaaltje van Noonk Sjaak deed ik maar wat, gewoon op mijn gevoel en vanuit mijn herinneringen uit mijn jeugd. Maar ik heb nu al begrepen, dat het niet zo eenvoudig is om je te verdiepen in het Limburgs dialect. Bijn elke stad of dorp heeft een eigen woordenschat en een eigen klankkleur. Zie mijn verhaal over het klankverschil tussen de dorpen Obbicht en Grevenbicht.

Dat het leuk wordt, kan ik jullie garanderen. Neem bijvoorbeeld het Gelaens (Geleens) dialect. Ik kwam een woordenlijst tegen met 155 gezegdes in Gelaens dialect. Het eerste gezegde luidde: ‘Aan de sjiet zin’ (Aan de diarree zijn). Een situatie, die wel eens kon voorkomen.

Het volgende gezegde was vriendelijker, het luidde ‘Sjuumke trèkke’ (Aan een flesje dropwater lurken). Dat kon ik mij nog uit mijn jeugd herinneren.
Je kreeg van je ouders een lege bierfles met een beugelsluiting en een stuk ‘houtkook’ (soort drop). Deze werd afgeslagen van een lange staaf. (De ‘houtkook’ was in huis om samen met ‘borssokker’ (brokken kandijsuiker aan een touwtje) een hoestdrank te fabriceren, wanneer iemand verkouden was of hoestte).  Het stukje ‘houtkook’ ging samen met wat water in de fles. Door flink te schudden, vormde zich ‘sjummke’ (schuim) in de hals van de fles. Dit schuim werd vervolgens opgezogen (trèkke). Dit werd een aantal keren herhaald, totdat zich geen schuim meer in de hals vormde. Dan was de lol eraf, want het dropwater smaakte naar geen kant.
Opmerkelijk is, dat Hub Frenken het gebruik van ‘houtkook’ kende. In ‘Sjetse van vreuger’ schrijft hij op pagina 70 onder de titel HOUTSKOOK een verhaaltje, hoe hij bij ‘Liebeke oet  de steeg’ steeds ‘houtskook’ kocht. Hij vertelt niets over ‘sjuumke trèkke’, maar dat zal hij wel gedaan hebben, want de kale ‘houtkook’ was niet te pruimen.

Even verderop in de lijst komt  het gezegde ‘Doe bès e sjiethoes’ (Bangerik).  Het blijft dus in stijl.

Pierre Swillens

(wordt vervolgd)

Toon Hermans

16 Jun

Toon als artiest

Toon op het podium

toon hermans

Toon  Hermans

Toon Hermans heb ik tweemaal van nabij meegemaakt, eenmaal als artiest, eenmaal als privé.

Laat ik beginnen met Toon als artiest.

Toon trad in 1941 op in de Patronaatszaal in Grevenbicht, waarschijnlijk uitgenodigd door de plaatselijke voetbalclub Armada. Ik kan mij tenminste alleen maar voetballers onder het publiek herinneren. Waarschijnlijk was Toon blij met elke gage. Verder kan ik mij geen andere artiesten herinneren, ook geen muzikanten. Wie zou dat immers moeten betalen. Zijn vriendin Gertie van Houdt heb ik ook niet gezien.

De berooide dichter

Toon speelde verschillende sketches o.a. het Buziau-achtige ‘de berooide dichter’. Teksten kan ik mij niet meer herinneren. Wel staat mij helder voor de geest, dat tijdens de conference een lid van de voetbalclub, later werd hij zelfs hoofd der school in een Limburgs dorp, een geldstuk in de richting van Toon wierp. In de oorlog had je zinken munten,  dus het zal wel hooguit een dubbeltje geweest zijn. Maar zijn actie werd door anderen gevolgd, ik vermoed meestal met centen. Ik deed er niet aan mee, want zelfs die had ik niet. De entree was meen ik gratis voor leden van de voetbalclub.
Toon deed alsof hij het leuk vond. Hij draaide zich om op het podium en maakte met zijn rechterhand gebaren om maar te blijven gooien. Misschien zag hij het als een aanvulling op zijn gage.

Toon als dienstbode

Bij een andere sketch trad Toon op als dienstbode. Hij had een konijnenvacht om zijn hals. Dat noemde hij “Echt Lapin”.

Sittard

Tijdens een sketch hekelde hij het dagelijks leven in zijn woonplaats Sittard. Hieruit kan ik mij nog een zin herinneren. In Sittard was een gemengde hockeyclub opgericht en nu had Toon de zin bedacht: “Na afloop gaat de hockeyer met de hockeyin het hokkie-in” . Hij was toen al goed in woordspelingen.
Zover deze bonte avond.

Intermezzo

Dikke Ties

Ties Vencken (Dikke Ties) was een bekend figuur in Grevenbicht. Als zoon van de oud-burgemeester van Obbicht en Papenhoven genoot hij aanzien en hij had zeker organisatorische talenten. Zo had hij uit een groep patronaatjongens een voetbalclub geformeerd, die in alle klassen van de Limburgse voetbalbond kampioen werd en uiteindelijk promoveerde naar de KNVB. De club heette Armada en dank zij Ties werd ik zelfs eerste doelman. Dat moest wel, want hij had niemand anders. De eerste doelman uit de patronaatjongens, inmiddels jonge mannen, had er genoeg van. Hij was ook muzikant bij de harmonie en werd later zelfs dirigent bij diverse muziekgezelschappen.

Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret

Ties Vencken had ook een relatie met Toon Hermans. Jacques Klöters refereert in zijn biografie van Toon Hermans aan het optreden van Toon Hermans  in Grevenbicht, zoals voorgaand door mij beschreven. De avond was inderdaad georganiseerd door de voetbalclub. Na afloop moet Ties Vencken Toon meegenomen hebben naar zijn villa. Daar heeft hij hem het voorstel gedaan om zijn impresario te worden. Toon had nooit een impresario gehad en vond het een goed idee. Zij kwamen overeen om een revuegezelschap in het leven te roepen met de naam Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret. Toon had de artistieke leiding, Ties de zakelijke. Op 20 november 1941 beleefde het gezelschap de première in de stadsschouwburg te Maastricht. Daarna volgden nog voorstellingen in Heerlen, Geleen en Sittard. Er waren ook voorstellingen in Noord-Brabant, maar daar kende niemand Toon Hermans. De belangstelling was daar niet overweldig. In januari 1942 was een voorstelling gepland in Nijmegen. Volgens Jacques Klöters was op de dag van de uitvoering nog geen kaart verkocht, dus deze voorstelling ging niet door. Ties Vencken draaide op voor de kosten en het Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret stierf een zachte dood.

Het Nederlandsche Cabaret

De relatie tussen Ties Vencken en Toon Hermans werd echter niet verbroken, want er zijn twee handgeschreven brieven van Toon Hermans bewaard, waarin hij gewag maakt van Het Nederlandsche Cabaret, weer met Toon als artistiek leider en Ties als zakelijk leider. Toon trad met zijn gezelschap vooral op bij personeelsavonden. De prijs voor zo´n bonte avond lag tussen de 125 en 200 gulden. Maar ook dit gezelschap hield niet lang stand.

Tournee-gezelschap Toon Hermans

Toon gaf het nog niet op. En er is een aankondiging van een revue-voorstelling op 9 april 1942 in Hotel de Zwaan te Sittard onder de naam Tournee-gezelschap Toon Hermans.

toon hermans

Eerste cabaretgezelschap Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret

Toon als privé

Feestavond voetbalclub

Ties Vencken had ook in 1942 een feestavond voor de voetbalclub georganiseerd, waarbij ditmaal lokale artiesten zouden optreden. De feestavond werd gehouden in een danszaal, waarbij de stoelen op de dansvloer waren geplaatst. Er was ook een podium, al of niet geïmproviseerd.
Ties had Toon, gezien hun relatie, uitgenodigd als privé-persoon. Toon zat op de eerste rij, naast mevrouw Vencken. Toevallig zat ik in de tweede rij direct achter Toon en mevrouw. Er waren trouwens niet veel rijen, want een dorpsvoetbalclub telt niet veel leden.

Ties was ook de ceremoniemeester, de aankondiger van de nummers. Als er iets te organiseren viel, dan deed Ties zoveel mogelijk zelf. Hij had er kennelijk zin in. Zo had hij ook gezorgd voor een accordeonist, een lokale huisschilder die verdienstelijk accordeon speelde. Volgens Ties zou hij spelen het toen bekende ´Fliegende Blätter´, of op zijn Hollands ´Vliegende ….´. Ties had geen directe vertaling voorhanden en stokte even. Na enige aarzeling zei hij: `Nou ja, Blätter` en liep weg.

Ik zag dat Toon er hartelijk om moest lachen. Volgens hem improvisatie uit de kunst.

Hoe verging het Toon Hermans verder

Toon Hermans ging in 1942 naar het westen en trad er op in het gezelschap Carl Tobi, het Leidschepleintheater en Frans Mikkenie’s theaterproducties.
Na de oorlog trad hij jaren op in Theater Plezier. In augustus 1953 startte hij met een eigen gezelschap Toon Hermans: Ballot, later Toon Hermans: Zaza.
In 1955 begon hij met try-outs voor een One Man Show, waar hij in 1956 mee startte. Hij zou 12 One Man Shows schrijven en spelen. Tussendoor speelde hij in 1958 een rol in de film ‘Moutarde van Sonaansee’.
Toon had wel succesvolle optredens in Duitsland en Oostenrijk, maar tot een tournee in de Verenigde Staten is het nooit gekomen.
De laatste One Man Show was in december 1998 in Maastricht.

Op 22 april 2000 overleed Toon Hermans in het ziekenhuis Nieuwegein.

Geïnteresseerden mag ik verwijzen naar de website http://www.toonhermans.nl, welke wordt bijgehouden door de Erven Hermans. Deze geven ook een periodiek uit met de titel ‘Weet ik feel’, dat viermaal per jaar verschijnt.

toon hermans

Kolderliedje uit One Man Show

toon hermans

Toon en Rietje

Verantwoording:
De foto’s in deze Post zijn overgenomen uit de periodiek ‘Weet ik feel’, nieuwsbrief voor vrienden en fans over leven en werk van Toon Hermans.

Pierre Swillens