Tag Archives: proefschrift

Wiel Kusters (deel 1)

1 Sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.

 

Advertenties

Willy Dols (deel 3)

2 Mrt

De Sittardse diftongering

Postuum proefschrift van een taalgeleerde, die te vroeg overleed

Inleiding

In Willy Dols (deel 2) beschreef ik hoe Willy Dols in 1944 op tragische wijze om het leven kwam. Daarbij gaf ik aan, dat hij tot het einde van zijn leven aan zijn proefschrift had gewerkt om te promoveren tot doctor in de letteren aan de R.K. Universiteit te Nijmegen. Het handgeschreven proefschrift  had hij in bewaring gegeven bij de familie van Carel Beke, die het tot het einde van de oorlog bewaarde. Carel Beke overhandigde in 1945 het proefschrift aan de familie Dols. Willy Dols was inmiddels in 1944 in een werkkamp in Noord-Duitsland overleden.

Prof. dr. Jac van Ginneken, de promotor van Willy Dols, zinspeelde in zijn condoleancebrief van 31 juli 1945 aan de familie Dols, dat het proefschrift zo’n waarde had, dat het alsnog moest worden gepubliceerd (Limpens 2011:111).
Toen ook de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen het belang van het proefschrift voor de wetenschap erkende, begon in 1948 drs. Jan van de Bergh, destijds vriend en collega van Willy Dols, aan de bewerking en het druk klaar maken van het manuscript van het proefschrift. Door omstandigheden zou het tot 1953 duren voordat het proefschrift postuum werd gepubliceerd.

Wat is Sittardse diftongering?

Het proefschrift handelt over de Sittardse diftongering. Frans Walraven geeft in Respecteier dien taal 14 van mei 2015 een duidelijke uitleg wat de Sittardse diftongering inhoudt. (Frans Walraven is een van de samenstellers van Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten en een van de eindredacteuren van ’t Gruin Buikske van ’t Zittesj, het Groene Boekje van het Sittards).
Hij zegt:
“(….) We kennen allen nog de begrippen korte klinkers (i-o-a-u…), lange klinkers (aa-oo-ee-uu…) en tweeklanken (ei-ou-au-ui…..). De korte en lange klinkers samen noemt men eenklanken of monoftongen; de tweeklanken heten diftongen”.
Hij vervolgt dan, dat in het Sittards onder bepaalde voorwaarden een klinker (monoftong) een tweeklank (diftong) wordt. Echter dit geldt alleen voor de lange klinkers, de korte klinkers zijn dus uitgesloten.
Bij de lange klinkers geldt dit bovendien alleen voor de ee – oo- en eu.

Frans Walraven stelt dat de Sittardse diftongering een complex gebeuren is, want de vervanging van een eenklank in een tweeklank treedt alleen op bij lange klinkers, die met een stoottoon (ook wel valtoon genoemd) worden uitgesproken. Dus de lange klinkers uitgesproken met een sleeptoon blijven ongewijzigd.

Niet-Limburgers zullen het verschil tussen de stoottoon en sleeptoon niet herkennen. Limburgers horen dit automatisch. Wanneer ze iemand ‘bein’ met een sleeptoon horen zeggen, dan weten ze dat men het over één been heeft. Horen ze ‘bein’, uitgesproken met een stoottoon, dan weten ze dat het over meer benen gaat, tenminste twee.

Komt  verder nog bij, dat er uitzonderingen op de regels van de Sittardse diftongering zijn. Er zijn toch woorden met de lange klinker ee-oo-eu, uitgesproken met een sleeptoon, die wel diftongeren, terwijl woorden met deze lange klinkers, uitgesproken met een stoottoon, juist niet diftongeren.
Zo zal het woord ‘neet’ (niet), uitgesproken met een sleeptoon, diftongeren tot ‘neit’, terwijl worden als ‘bees’ (beest) en ‘fees’ (feest), uitgesproken met een stoottoon juist niet diftongeren. Zij blijven dus ongewijzigd.

Duizelt het jullie van de uitzonderingen. De Sittardenaar past ze automatisch toe. Kennelijk wordt dat van generatie op generatie doorgegeven.

Verspreidingsgebied van de Sittardse diftongering

Scan-Willy Dols

Ten behoeve van zijn proefschrift verzamelde Willy Dols dialectgegevens binnen Sittard en de omgeving hiervan. Samen met zijn vriend Jan van de Bergh gingen ze per fiets erop uit om deze gegevens te vinden om ze later te kunnen analyseren.

Willy Dols zal in zijn proefschrift verklaren, dat hij zoveel ‘stof’ over de Sittardse diftongering bijeen heeft willen brengen, opdat een dialectgeograaf  het verschijnsel in kaart kon brengen en hierin een verklaring voor de verspreiding zou kunnen vinden  (Limpens 2011:105)

Hij maakte zelf een kaartje van hun waarnemingen (zie kaart, overgenomen uit Limpens 2011:104). Hieruit blijkt dat het gebied van de verspreiding van de Sittardse diftongering in het noorden wordt begrensd door Echterbosch, in het zuiden door Amstenrade, in het westen door Einighausen en in het oosten door Saeffelen (Duitse Selfkant).
Willy Dols vond ook ‘Sittardse’ diftongering in het Midden-Limburgse Herkenbosch en het Duitse Neu-Haaren.

Opmerkelijk vond hij de dialectgrens tussen de dorpen Einighausen en Guttecoven in het westen. De dorpen liggen vlak naast elkaar. In Einighausen wordt gediftongeerd, in Guttecoven niet. De isoglosse loopt dus duidelijk tussen de twee dorpen. Als mogelijke verklaring noemt hij dat Guttecoven sinds de 14e eeuw behoorde tot de schepenbank Urmond en het voormalige ambt van Born, terwijl Einighausen, samen met Limbricht, een aparte schepenbank vormde. Bovendien had Guttecoven sinds 1400 kerkelijke rechten, terwijl Einighausen dat eerst in de tweede helft van de 19e eeuw ten deel viel.
Willy Dols concludeerde hieruit dat politieke, kerkelijke, economische  en culturele aspecten een mogelijke rol hebben gespeeld bij het verloop van de isoglosse (Limpens 2011:106).

Mogelijke verklaring van de Sittardse diftongering

Ook Willy Dols wist in zijn proefschrift geen verklaring te geven voor het verschijnsel de Sittardse diftongering. Hij wist dat het iets te maken had met de stoottoon, maar dat kon geen verklaring zijn, omdat elders in Limburg de klinkers met een stoottoon werden gebruikt zonder te diftongeren.
Hij wist wel dat de diftongering reeds in de 14e eeuw moet zijn ontstaan. Hij deed uitgebreid onderzoek in oude Sittardse archieven. Zo vond hij het woord ‘breiff’ (brief) in een geschrift van 1378 (Limpens 2011: 108-109).

Opmerkelijk is, dat Frans Walraven schrijft dat het eerste schriftelijk bewijs van Sittardse diftongering dateert van 1571 (Walraven 2 feb. 2012). In een later geschrift verduidelijkt hij dat Willy Dols dat uit een geschrift van dat jaar had vastgesteld. Waarschijnlijk doelt Walraven hier op het woord ‘beir’ (bier), dat Willy Dols wel in een nota van 1571 zal hebben gevonden (Walraven 10 juli 2015).
Overigens is ook Walraven van mening, dat de Sittardse diftongering dateert vanuit de 14 eeuw.

Overigens meent Willy Dols, dat naast de stoottoon ook andere factoren een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de Sittardse diftongering. Zo spreekt hij zich voorzichtig uit, dat dit een gevolg kan zijn van een mechanisch proces, waarbij hij doelt op een bepaalde wijze van articuleren (Limpens 2011:108).

De toekomst van de Sittardse diftongering

Frans Walraven wijdt in een geschrift een beschouwing aan het feit of de eeuwenoude Sittardse diftongering ook een eeuwig leven beschoren zal zijn. Hij meent dat dit niet het geval zal zijn. Hij noemt een drietal factoren, die een negatieve rol kunnen spelen in het voortbestaan van de Sittardse diftongering, en wel:

  • de complexiteit van de regels van de Sittardse diftongering zelf. Vormt dit niet een barrière en ondergraaft het niet het hanteren van de regels.
  • Het steeds opener worden van de taalgemeenschappen. Men komt dagelijks in aanraking met mensen uit andere taalgebieden. Typische taalverschijnselen zullen onder druk komen te staan en mogelijk helemaal verdwijnen.
  • Een belangrijke factor is de invloed van de Standaardtaal, het Nederlands. Als voorbeeld noemt hij, dat men in de omgangstaal in plaats van het woord ‘regeiering’, het Nederlandse woord regering ongewijzigd overneemt (Walraven 10 juli 2015).

Epiloog

Alhoewel Willy Dols in zijn proefschrift geen duidelijke verklaring van het ontstaan van het verschijnsel van de Sittardse diftongering kan geven, werd zijn proefschrift alom gewaardeerd. Hij zou er zeker op gepromoveerde zijn tot doctor in de letteren. Zijn promotor, prof. dr. Jac van Ginneken, had na het lezen van een niet afgewerkte versie van het proefschrift besloten om Willy Dols als zijn opvolger voor te dragen. Prof. Van Ginneken trad in 1945 terug. In datzelfde jaar overleed hij. Zijn beoogde opvolger Willy Dols was reeds in 1944 overleden. Zo kreeg de verwachting dat deze een gerespecteerde taalgeleerde zou worden, geen vervulling. Aan de Griekse tragedie rond Willy Dols was een einde gekomen.

Pierre Swillens

Bronnen:

  • Gussenhoven, Carlos
    Over het waarom van de Sittardse diftongering (niet gedat.). Ook integraal opgenomen in Limpens 2011;
  • Hermans, Ben en Marc van Oostendorp
    Synchrone beperkingen op de Sittardse diftongering  (niet gedat.)
  • Limpens, Lei
    Willy Dols 1911 – 1944, Uitgave Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011
  • Walraven, Frans
    De Sittardse Diftongering, 2 feb. 2012, Willy Dols Stichting;
    Respecteier dien taal 13, 15 april 2015, Willy Dols Stichting;
    Respecteier dien taal 14, mei 2015, Willy Dols Stichting;
    Respecteier dien taal 15, 10 juli 2015, Willy Dols Stichting.

 

 

 

 

Willy Dols (deel 2)

11 Feb

Een verwachting die niet in vervulling mocht gaan

Een tragisch einde aan een veelbelovende carrière

Inleiding

Lei Limpens schrijft in zijn biografie over Willy Dols in de eerste regel van zijn Inleiding: ‘Het leven van Willy Dols heeft iets van een Griekse tragedie gehad’. En daarmede zal hij zeker de laatste drie maanden van het leven van Willy Dols hebben bedoeld. In die drie maanden ging Willy Dols door noodlottige omstandigheden het einde van zijn leven tegemoet. Een einde aan zijn  veelbelovende carrière als taalkundige.

De oorlogssituatie in 1944

We schrijven eind augustus 1944. De geallieerde troepen rukken op in België en naderen Nederland. Willy Dols is intussen leraar Nederlandse Taal en Letteerkunde aan het Bisschoppelijk College te Sittard. De school waar hij vroeger had gestudeerd. De schoolleiding had de zomervakantie met veertien dagen verlengd met het oog op de onzekere oorlogssituatie.
Willy Dols is tevens bezig met de afronding van zijn proefschrift over de Sittardse diftongering. Hij wilde nog een inleiding schrijven en een hoofdstuk toevoegen.

Willy Dols krijgt van zijn broer Chrit, die dan bij de burgerlijke stand van de gemeente Sittard werkt, te horen, dat hij (Willy) op een lijst voorkomt van inwoners van Sittard, die door de Duitsers worden opgeroepen voor het het verrichten van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van verdedigingslinies voor de Duitse troepen in Zuid-Limburg.
Willy voelt hier niet veel voor. Hij werkt lievere aan zijn proefschrift. Daar hij toch nog vakantie heeft, adviseert zijn familie hem om af te reizen naar zijn zus Jeanny, die inmiddels in Arnhem woont. Daar kan hij dan in alle rust aan zijn proefschrift werken en bevindt hij zich in de nabijheid van de universiteitsbibliotheek van de R.K. Universiteit in Nijmegen. Willy vindt dit een goed idee en vertrekt op 30 augustus 1944 met de trein om te logeren bij zijn zus in Arnhem.

Hier begint de Griekse tragedie van Willy Dols. Als Willy aan de ‘Arbeitseinsatz’ had willen ontkomen, dan had hij in Sittard of de omgeving kunnen onderduiken. Dat had maar kort hoeven te duren, want op 17 september wordt Sittard door de geallieerden bevrijd.
Bovendien was Willy eerst van plan geweest om op 1 september naar zijn zus af te reizen. Op die dag wordt echter het station van Sittard door de geallieerden gebombardeerd en vertrekt er geen trein meer. Dus Willy Dols had op die dag mogelijk niet naar zijn zus in Arnhem kunnen afreizen.
Hoe dan ook, achteraf zou blijken, dat Willy Dols zijn ondergang tegemoet ging.

Operatie ‘Market Garden’

Terwijl Willy Dols bij zijn zus in Arnhem verblijft, beginnen de geallieerden op 17 september met de operatie  ‘Market Garden’ met behulp van luchtlandingstroepen en oprukkende troepen vanuit Noord-Brabant.  De operatie voltrok zich voornamelijk rond de steden Nijmegen en Arnhem met het doel om de belangrijkste bruggen in de handen te krijgen.
De oorlogssituatie rond Arnhem heeft tot gevolg, dat de inwoners van Arnhem moeten worden geëvacueerd en op 23 september verlaten Jeanny, haar man en Willy de stad Arnhem. Dezelfde avond ontmoeten ze de familie van Carel Beke, die eveneens de stad Arnhem is ontvlucht. Carel Beke is leraar aan een mulo (later zou  hij als schrijven van de kinderboekenreeks Pim Pandoer bekendheid krijgen). Carel Beke is vergezeld van zijn vrouw en vijf kinderen, maar hij is tevens ziek. Om die reden vraagt Willy Dols aan de vrouw van Carel Beke of hij haar met de vijf kinderen kan helpen.

Bezorgd als hij is, besluit hij om zich bij dit gezin aan te sluiten en verlaat hij zijn zus en zwager. Ook hier treedt weer iets op als in een Griekse tragedie. Door dit besluit gaat Willy, ofschoon hij dat natuurlijk niet weet, zijn noodlot tegemoet. Zijn zus Jeanny en haar man zullen als evacués in Beekbergen de oorlog overleven. Het gezin van Carel Beke gaat een onzekere toekomst tegemoet. Samen met Willy Dols besluiten ze om naar Friesland te gaan, maar met twee fietsen, een wandelwagen, vijf kinderen en een zieke man schiet dat niet hard op. Carel Beke houdt een dagboek bij en hij beschrijft hoe Willy Dols met twee kinderen en bagage op een fiets rijdt, terwijl hij met zijn vrouw en een kind op de fiets een wandelwagen met twee kinderen trekt. Soms mogen ze op een kar meerijden.

Het drama van Putten

Na een omzwerving over de Veluwe komt het gezelschap in de avond van 28 september terecht in Putten. Carel Beke kan niet verder, hij is door koorts overmand. Zij vinden onderdak in het pension Huis  ten Bosch.
Hier voltrekt zich de Griekse tragedie over Willy Dols. Wat was er gebeurd. In de nacht van 30 september op 1 oktober had een verzetsgroep een aanslag gepleegd op een auto met vier Duitse militairen. In het vuurgevecht, dat was ontstaan, werd een verzetsman gedood en twee Duitse officieren gewond. Een werd gevangengenomen, de andere wist te ontkomen, maar stierf later aan zijn verwondingen. De overige twee militairen (korporaals) wisten te ontvluchten en verwittigden de Duitsers.

De volgende dag, 1 oktober, hielden de Duitsers als represaille een razzia in Putten en omgeving. Ze legden een kordon rond de plaats, executeerden zeven personen, waaronder een kind en staken 110 woningen in brand. De mannen werden opgejaagd en samengedreven in de Grote Kerk. Zo ook de pensionhouder van Huis ten Bosch en Willy Dols. De zieke Carel Beke wordt ongemoeid gelaten. De pensionhouder werd overigens later vrijgelaten, omdat hij ouder was dan 50 jaar.

Willy ziet nog kans om aan de vrouw van Carel Beke een aktentas met daarin zijn handgeschreven proefschrift te overhandigen met het verzoek deze goed te bewaren, want de tas bevat zijn levenswerk. De vrouw bergt de tas op in de wandelwagen met de baby en de tas zal daarin blijven tot het einde van de oorlog. Na de oorlog zal Carel Beke de aktentas met het handgeschreven proefschrift overhandigen aan de familie van Willy Dols.

Tewerkstelling in Duitsland

De verzamelde mannen en jongens, 662 in totaal, worden op 2 oktober op  transport gesteld naar Duitsland om aldaar te werken aan verdedigingslinies voor de Duitse troepen. Allereerst worden ze vervoerd naar een kamp in Amersfoort. Aldaar worden 59 personen vrijgelaten, mogelijk omdat geselecteerd werd op de leeftijd tussen 18 en 50 jaar. Tijdens het transport op 11 oktober naar Duitsland wisten 13 personen te ontsnappen, zodat 589 personen, waaronder Willy Dols,  aankwamen in Neuengamme in Noord-Duitsland. Vandaar werden ze verdeeld over verschillende werkkampen.
Willy Dols komt uiteindelijk terecht in een werkkamp in Husum, dicht bij de Deense grens. Door het hoge sterftecijfer wordt dit kamp ook wel als een ‘Vernichtungslager’ aangeduid. Willy moet onder erbarmelijke omstandigheden met slechte voeding werken aan tankvallen e.d. De mannen droegen nog zomerse kleding, omdat het toentertijd in Putten nog warm was. Nu was het klimaat anders. Bovendien braken er besmettelijke ziekten uit.

Dit alles heeft een hoge tol aan sterfte geëist onder de gedeporteerde mannen. Van de 589 mannen en jongens kwamen er maar 49 terug. En hiervan stierven er nog 5 personen op korte termijn, als gevolg van de ontberingen.
Een van de slachtoffers was Wille Dols. Hij stierf op 5 november als gevolg van dysenterie. Hij werd begraven op het Ostfrieddhof in Husum.
Later werden in 1955 zijn stoffelijke resten overgebracht naar het Nederlandse ereveld Lübeck te Lübeck-Vorwerk.

Epiloog

De ouders van Wille Dols blijven nog lang in het ongewisse van de dood van hun zoon Willy. Op 26 februari 1945 ontvangen zij via het Rode Kruis bericht van hun dochter Jeanny, dat zij en haar man geëvacueerd zijn  in Beekbergen en dat Willy in Duitsland is tewerkgesteld.
Op 25 juni 1945 doet de familie een oproep via Radio Herrijzend Nederland of iemand iets weet, omtrent de verblijfplaats van hun zoon Willy. Zij krijgen een reactie van iemand, die beweert dat hij in het kamp Husum heeft verbleven en dat hun zoon Willy voorkomt op de lijst van geregistreerde begraven personen op de begraafplaats in Husum.

Op 2 augustus 1945 ontving de familie Dols een bericht van het Bureau Repatriëring voor hulp en bijstand in Putten een officieel bericht, dat hun zoon Willy op 5 november 1944 was overleden.
Op 9 augustus daaropvolgend wordt voor Willy Dols een plechtige uitvaartdienst gehouden in de St. Petruskerk te Sittard, zie Limpens (2011:79-81).

Aan de verwachting, dat Willy Dols zich zou ontwikkelen tot een gerespecteerde geleerde, die zich in dienst zou stellen van een wetenschappelijke uitoefening van onderzoek en onderwijs in de taalkunde, was een einde gekomen. Het enige, dat als zijn nalatenschap nog restte, was een proefschrift over de Sittardse diftongering.

Het handgeschreven proefschrift, dat door de familie Beke is bewaard, wordt uiteindelijk door de classicus drs. Jan van de Bergh, vriend en collega van Willy Dols bij het Bisschoppelijk College te Sittard, bewerkt en in 1953 gepubliceerd onder auspiciën van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen. Ook  zijn leermeester prof. dr. Jac van Ginneken, die overigens in 1945 overleed, had op publicatie aangedrongen.

De Griekse tragedie hield in, dat Willy Dols zich op een verkeerd moment op een verkeerde plaats bevond.

Pierre Swillens
Bronnen:

  • Lei Limpens, Willy Dols 1911-1944, Uitgave Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011
  • Marc van Oostendorp, De tragische dood van een taalgeleerde, Onze Taal (2011: 24-25)
  • Wie is Willy Dols. Willy Dols Stichting (www.willydolsstichting.nl)