Tag Archives: parijs

Charles Beltjens (deel 2)

11 Feb

Charles Beltjens en zijn gedichten

Een rijk œuvre

Inleiding

CB_FOTO, 10-05-2002, 11:51, 8C, 1660x2136 (1552+3114), 100%, vroege fotogra, 1/80 s, R45.7, G29.8, B41.9

Charles Beltjens schreef zijn gedichten in het Frans. Waarom dat zo was, heb ik in deel 1 uitgelegd. Omdat het in deze blog zo functioneel is, leg ik het nog eens uit. Bij hem thuis werd uitsluitend Frans gesproken. Zijn moeder was van Waalse afkomst. Hij volgde jarenlang Franstalig onderwijs in Rolduc. Hendrik Peters, zijn directeur aldaar en bekend als flamingant, begon te dichten in het Frans. In Maastricht dichtten de dichters André van Hasselt en Theodore Weustenraad eveneens in het Frans (Nissen 1995, p. 12).

 

 

Charles zal zelf wel hebben ondervonden, dat het dichten in het Frans hem beter afging dan in het Nederlands. Het zoeken naar rijmwoorden bijvoorbeeld. Bij mijn weten zijn er geen probeersels van hem gevonden, waarbij hij dichtte in het Nederlands.

GEDICHTEN

II Cahier de Poésie

Charles Beltjens moet vlak na het beëindigen van zijn middelbare schoolopleiding in Rolduc in 1849 begonnen zijn met dichten. Er is een schrift gevonden, gedateerd 1851, met als opschrift II Cahier de Poésie. De aanduiding II (deuxième) wijst erop, dat er een eerder schrift moet zijn geweest.
In het schrift, dat bewaard wordt in het Gemeentearchief Sittard staan, met potlood geschreven, voltooide en onvoltooide gedichten, zoals het ‘Adieu ã Rolduc’ (Nisssen 1995, p.11).  Hieruit blijkt dat Charles goede herinneringen had aan zijn opleiding in Rolduc.

Valkhoff schrijft, dat hij inzage heeft gehad in het schrift, dat hij overigens ‘een dik kladcahier’ noemt. Hij beschrijft dat uit de voltooide en onvoltooide gedichten blijkt, dat er heel wat in de geëxalteerde jongeling Charles Beltjens omging. Hij somt op: ‘vizioenen van de Hel, liefdesgedachten, romantische dromerijen, verlangens naar een lief wezen, incarnatie van zijn smachtende aspiraties (Valkhoff 1940, p. 311).

Enkele bijzondere gedichten

Ode sur le XXVme anniversaire de l’indépendance nationale de la Belgique schreef Charles Beltjens in 1855 ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de onafhankelijkheid van België, tot stand gekomen in 1830. Eerder had hij al in 1851 geschreven Épitaphe De Louise-Marie Première Reine des Belges.
Dit wijst erop, dat Charles zich meer Belg voelde dan Nederlander.

Aurore…ydille , een liefdesgedicht, dat hij in 1862 schreef aan zijn ex-geliefde Isabelle de Borman. De liefdesaffaire met Isabelle de Borman was reeds in 1852 geëindigd, dus Charles moet dit gedicht dus lang in zijn kast hebben gehad, dan wel aan hebben gewerkt.   Overigens werd dit gedicht in 1883 bij een ‘concours litéraire’ in Verviers bekroond met een eervolle vermelding. In 1885 werd Aurore samen met Le condor captif in Nederland gedrukt bij de drukkerij van Ger Tholen in Sittard.

A l’auteur des chansons des Rues et des Bois schreef Charles in 1866. Victor Hugo had in 1865 in ballingschap in Brussel de bundel Les chansons des Rues et des Bois geschreve. Deze bundel werd in Frankrijk niet goed ontvangen, daarom schreef Charles als bijval aan Victor Hugo dit gedicht.
Er ontwikkelde zich een correspondentie tussen Victor Hugo en Charles Beltjens, die wel een jaar duurde. Victor Hugo moet dus kennis hebben genomen van het werk van Charles Beltjens en dit hebben becommentarieerd.
Het gedicht werd in 1891, na de dood van Beltjens,  gepubliceerd in La Revue Belge.

Le condor captif, dit gedicht schreef Charles Beltjens in mei 1870 toen hij in Parijs verbleef. Hij beschreef een gebeurtenis tijdens een wandeling door de Jardin des Plantes. Het gedicht werd in 1885, samen met het gedicht Aurore, gedrukt door Ger Tholen in Sittard. Het gedicht is zo bijzonder, dat ik er iets meer aandacht aan wil besteden.

Le condor  captif

fbp_untagged_juvenile_condor_3418

Op een stralende morgen in mei 1870, het is 1 mei, wandelt Charles Beltjens in de Jardin desPlantes in Parijs. De Jardin des Plantes is een botanische tuin, waarin ook een dierentuin is gevestigd. Charles zal hier wel vaker hebben gewandeld, maar ditmaal is het een uitzonderlijke dag, zodat Charles lichtelijk in extase raakt.
Plotseling wordt hij opgeschrikt door een angstkreet, een soort wanhoopskreet. Als hij naderbij komt , ziet hij een joelende menigte voor een kooi, waarin een condor is opgesloten. De condor met een vleugelwijdte van wel drie meter doet verwoede pogingen om aan de kooi te ontsnappen. Bij zijn pogingen waait door zijn vleugelslag het stof in de kooi op en buigen de omliggende struiken door de wind. Maar de pogingen slaan te pletter tegen het plafond van de kooi of tegen de omringende tralies.
Uiteindelijk valt de condor reutelend op de grond. Charles heeft compassie met de condor, vandaar zijn gedicht.

Het gedicht omvat 65 strofen van vier versregels. Charles gebruikt de eerste zeven strofen om aan te geven, wat voor een mooie meimorgen het is. Ploteling hoort hij die wanhoopskreet en dan beschrijft hij wat hij aantreft.

De strofen 20 en 21 luiden als volgt:

Dans un cri formidable, il s’eleva, terrible,
Comme s’il eût tenté d’en briser le plafond ;
Sa tête alla frapper la barrière inflexible
Et poussant un long râle, il tombe sur le fond.

Tel qu’un ange déchu, les ailes pantalantes,
Le colosal oiseaigisait silecieux  ;
Par moment,, relevé sur ses jambes tremblantes,
Il geignait tristement, en regardant les cieux.

Wiel Kusters geeft in zijn inleiding ‘Condor en papegaai’ van de bundel Charles Beltjens, Poésies, een vrije vertaling hiervan. Hij schrijft
“Met een ernome kreet kwam hij omhoog, angstaanjagend, alsof hij de bovenkant van de kooi wilde stukslaan. Zijn kop sloeg tegen het onbuigzame traliewerk; reutelend viel hij op de grond. Als een gevallen engel lag de reusachtige vogel met stuiptrekkende vleugels op de bodem van de kooi. Toen hij weer op zijn trillende poten stond, keek hij naar de lucht en kermde droevig  (Kusters 1995, p. 24-25).

Op internet ontdekte ik op de website van Bep Mergelsberg van 17 september 2012 een ‘Nederlandse vertaling van Le Condor Captif van Charles Beltjens’. De vertaler/vertaalster? laat hierbij de oorspronkelijke dichtregel in het Frans volgen oor de vertaalde dichtregel in het Nederlands. Jammer genoeg worden er maar 11 van de 65 strofen vertaald.
Er is wel een vertaling van de strofen 20 en 21. Hieronder laat ik de Nederlandse vertaling hiervan volgen.

In een verschrikkelijke schreeuw, verheft hij zich
(het woord ‘terrible’ wordt hierbij onvertaald gelaten)
Alsof hij probeert het plafond te verbrijzelen
Zijn hoofd stoot zich aan het onbuigzame hekwerk
En, een lange rochel uitstotend, valt hij op de grond.

als een gevallen engel, met trillende vleugels,
Lag de colossale vogel geluidloos;
Soms weer rechtkomend op zijn tillende benen,
Grient hij droevig bij het zien van de hemel.

Het is wel interessant deze letterlijke vertaling te vergelijken met de vrije vertaling van Wiel Kusters.

Wiel Kusters begint overigens zijn inleiding met een verwijzing naar een gedicht van Rainer Maria Hilke ‘Der Panther’, dat deze schreef in 1907. Hilkes gedicht gaat over eenzelfde belevenis als Charles Beltjens in 187l0. Ook hij wandelt in de Jardin des Plantes in Parijs en ziet een dier  in een kooi achter tralies. Ditmaal niet een condor. maar een panter. Ook hier, een dier dat gewend is om in zijn leefomgeving hard te moeten lopen om een prooi te vangen. Nu opgesloten in een kleine ruimte is dat niet meer mogelijk en loopt hij alleen nog maar kringetjes.
Het dier is afgestompt en neemt door de tralies de buitenwereld niet meer waar. Hij houdt zijn oogleden gesloten. Af en toe verheft hij zijn oogleden gedeeltelijk, maar de indrukken, die hij hierbij opdoet, sterven in zijn hart (Kusters 1995, p. 21). De geschiedenis herhaalt zich, na ruim dertig jaar.

Wiel Kusters gaat dan in zijn inleiding uitgebreid in op het gedicht ‘Le condor captif’ van Charles Beltjens. Hij beschrijft hoe Charles mijmert over het feit, dat de gevangen condor in zijn leefgebied hoog boven de Andes majestueus zou kunnen vliegen. En hij gaat ook in op de gedachten van Charles, dat de vogel mogelijk beïnvloed wordt door aromatische geuren, die tot hem doordringen en hem onrustig maken. Vandaar zijn gedrag in zijn kooi. Zo vindt Charles het mogelijk, dat schepen in een nabije haven geuren uit Zuid-Amerika kunnen meebrengen, die door een zacht briesje naar de kooi van de condor kunnen worden gevoerd. De vogelt waant zich in zijn leefgebied en tracht de vrije ruimte te kiezen.

Ook vergelijkt Wiel Kusters het gedicht Le condor captif met producten van andere dichters. Hij stelt hierbij dat Charles schatplichtig zou zijn aan werken van Charles Baudelaire en Edgar Allen Poe door termen en gedachten te gebruiken, die ook in de gedichten van deze dichters voorkomen. Niet zo verwonderlijk omdat er verwantschap bestaat tussen de gedichten van Baudelaire en Poe. Maar dat doet volgens hem niets af aan de authenticiteit van Charles gedicht. Hij beschrijft een belevenis op een mooie mei-dag (Kusters 1995).

Aan het gedicht Le condor captif is in Nederland veel aandacht besteed. Ik schreef reeds, dat in 1885 het gedicht werd gedrukt bij Ger Tholen in Sittard. In 1993 verzorgde drs Ger Theunissen een educatieve editie van dit gedicht en in 1995 werd het gedicht opgenomen in de bundel Charles Beltjens Poésies. Deze bundel is als e-book gratis te downloaden van de website http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=belt002 van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Hardy Mertens componeerde zelfs een muziekstuk ‘Requiem for the captive condor’, dat werd uitgevoerd door de Banda Musicale Monestir. Ik heb dit muziekstuk beluisterd, het is heel mooi. Via Google en de zoekterm le condor captif is dit wel te vinden. Beslist een aanrader.

Charles Beltjens Poésies

Dit is een bundel van gedichten van Charles Beltjens, in 1995 uitgegeven door de Stichting Charles Beltjens.  Over de Stichting Charles Beltjens meer in deel 3. De gedichten zijn geselecteerd door drs. Guus Janssen, voorzitter van de stichting. Hij verzorgde ook het Voorwoord en het Glossarium . De bundel heeft een educatief karakter want de gedichten worden voorafgegaan door twee inleidingen. Een van prof. dr. Peter Nissen, getiteld: Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets en een van prof. dr. Wiel Kusters, getiteld: Condor en papegaai.

Epiloog

Charles Beltjens was geen lang leven beschoren. Na een lange slopende ziekte stierf hij op 58-jarige leeftijd. Hij had zich wel verzoend met de katholieke kerk. Dat was vooral te danken aan zijn vriendschap met pater Godefridus Jonckbloet, die leraar was aan het Aloysiuscollege aan de Oude Markt in Sittard (Nissen 1995,p. 19). In de laatste jaren was hij bijna elke dag te vinden in het café van Vatter Schiffelers. Men vond hem een zonderling en hij was eenzaam..
Toch is hij waarschijnlijk blijven dichten. Nog twee jaren na zijn dood publiceerde La Revue Belge nog gedichten van hem. Kennelijk had men daar een voorraadje.
Niet gewaardeerd in eigen land, werd hij in België en Frankrijk erkend als een groot dichter.

Laat ik eindigen met de treffende woorden, die Fons Hermans schreef over de laatste jaren van Charles Beltjens:

“De laatste jaren van zijn leven brachten hem naast de geestelijke troosteloosheid, die zijn deel was, ook nog het fysiek lijden van een kwaal, die zijn gezondheid langzaam sloopte. Maar toch zou hij voor zijn dood bij God de rust vinden, die hij zo hartstochtelijk maar vergeefs aan aardse bronnen zocht (Hermans 2014, p.13)”

Maastricht, 11 februari 2017

Pierre Swillens

Bronnen:

Hermans, Fons
Mensen in hun tijd. 12 Limburgse portretten, dbnl 2014  (eerder uitgegeven bij D’n Tomel, Sittard 1966)

Nissen, Peter J.A.
Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Kusters, Wiel
Condor en papegaai, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Stichting Charles Beltjens
Verzamelde gedichten, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Valkhoff, P.
Een vergeten Limburgse romanticus, in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

 

Advertenties

Charles Beltjens (deel 1)

20 Jan

Een vergeten dichter uit Sittard

Zijn leven en zijn werk

charles-beltjens-3

Inleiding

Als men vandaag de dag een Sittardenaar vraagt: “Noem eens een aantal bekende Sittardenaren”, dan zal hij of zij in negen van de tien gevallen de naam Toon Hermans noemen. Een aantal zal zich de naam van de stadsprofeet Zefke Mols herinneren of van de zanger Jo Erens. Een aantal mannen zal de namen van de voetballers Willy Dullens en Jan Notermans te binnen schieten.
Maar weinigen zullen de namen van de schrijver Felix Rutten of de dichter Charles Beljens  noemen. Grootheden waar in Sittard straten naar zijn genoemd en standbeelden voor zijn opgericht.

In deze serie weblogs wil ik de figuur Charles Beltjens nader belichten.

Biografie van Charles Beltjens

Charles Beltjens werd op 2 mei 1832 in Sittard geboren. Zijn vader, afkomstig uit Roermond, dreef een grote zaak in modeartikelen in de Limbrichterstraat. Zijn moeder, hoewel in Sittard geboren, was van Waalse afkomst. Zij was een dochter van een Luikse goudsmid, die zich in Sittard gevestigd had.

Eigenlijk was de familienaam volgens het geboorteregister Beltgens, maar aangezien de g in een j werd uitgesproken, had een of andere ambtenaar, dat in de loop der tijd aangepast. De vader van Charles tekende al met de naam Beltjens (Valkhoff 1940, p. 310).

Binnen de familie werd Frans gesproken. Dat was niet zo abnormaal, want binnen gegoede families in Roermond, Sittard en Maastricht werd Frans gesproken. De Waalse afkomst van de moeder zal daar zeker aan hebben bijgedragen.

Charles ging in Sittard naar de lagere school. Na beëindiging van de lagere school, stuurde zijn vader hem naar het College Kallen, een onderwijsinstituut in 1831 opgezet door de Sittardse priester Andreas Kallen. Aan deze onderwijsinstelling werd o.a. in Latijn en Grieks, Frans, Duits en Nederlands en wiskunde onderricht. Charles verbleef hier in het studiejaar 1842-1843

Rolduc

Waarschijnlijk achtte zijn vader deze opleiding niet adequaat en misschien hoopte hij wel dat Charles priester wilde worden Charles had nog vier broers, een priester in de familie was dus niet gek. Hij stuurde hem in 1843 naar de onderwijsinstelling in Rolduc. Rolduc had tussen 1830 en 1843 gefungeerd als klein seminarie van het bisdom Luik. De opleiding was dus Franstalig en gericht op ‘het ambt van priester.
Inmiddels was de opleiding overgegaan naar het pas opgerichte vicariaat in Limburg en inmiddels vrijgegeven voor niet-priesterstudenten. De opleiding bleef Franstalig. De van Weet afkomstige priester Hendrik Peters was de directeur. Hij had veel belangstelling voor de letterkunde en bracht dit over op de leerlingen. Merkwaardigerwijs was zijn belangstelling voor  de Vlaamse letteerkunde het grootst, terwijl voor de leerlingen van Rolduc een strafsysteem gold, wanneer zij niet Frans spraken tijdens en buiten de lessen. Bovendien ging hij later dichten in de Franse taal. Onmiskenbaar heeft hij een grote invloed gehad op de literaire ontwikkeling van Charles Beltjens, alsmede op diens voorliefde voor de Franse taal.
Bovendien legde Peters bij de opleiding een nadruk op de muzikale vorming van de leerlingen, Dit is waarschijnlijk de reden waarom Charles later viool  is gaan spelen (Nissen 1995, p. 10-11). Charles Beltjens had geen ambitie om priester te worden, maar de opleiding in Roldus zal hij met plezier hebben gevolgd.  Hij vertrok hier in 1849.

Verdere loopbaan

Of Charle in Rolduc al gedichten heeft geschreven, is niet bekend, maar kort na zijn vertrek aldaar moet hij met dichten zijn begonnen Hij schreef zijn gedichten uitsluitend in het Frans. Waarom hij zijn gedichten in het Frans schreef is niet zo verwonderlijk. Thuis sprak hij steeds Frans, zijn opleiding in Rolduc was Franstalig, zijn directeur Peters schreef als flamingant uitsluitend in het Frans. Bovendien schreven de Maastrichtse dichter André van Hasselt en Theodore Weustenraad in het Frans (Nissen 1995, p. 12).

Er is een schriftje gevonden, gedateerd 1851, waarin Charles met potlood voltooide en onvoltooide gedichten had geschreven. Een van de gedichten was getiteld ‘Adieu à Rolduc’. Op het schriftje had hij geschreven: II. Cahier de Poésies, hetgeen erop wijst dat er een eerder geschrift moet zijn geweest (Nissen 1995, p. 11). Valkhoff noemt dit geschriftje overigens een dik kladcahier (Valkhoff 1940, p. 311).

Als hij geen priester wilde worden, dan moest hij maar een vak leren. zo oordeelde de vader van Charles Beltjens en hij stuurde hem naar een oom in Leuven, om daar het vak van koopman te leren. Maar de dromerige Charles was niet geschikt voor het harde zakelijke leven. En na enige jaren keerde hij terug naar Sittard.

Nissen schrijft, dat niet bekend is, waar Charles Beltjens in de vijftiger en zestiger jaren van de negentiende eeuw precies heeft verbleven. Hij schrijft, dat dichters wel vaker een periode hebben, die zich aan de historische waarneming onttrekt (Nissen 1995, p. 13). Vast staat wel, dat hij zich bezig bleef houden met het maken van gedichten.

Romance met Isabelle de Borman.

In 1823 vestigde Frans Cornelis de Borman zich als geneesheer in Sittard. Hij had gestudeerd aan de univeriteit van Luik. Hij betrok een statig herenhuis aan de Markt. Daar achter lag een mooie Franse tuin, die reikte tot de Wal.
De Borman was een vermogend man en bereikte een hoog aanzien in Sittard. Zo was hij lid van de gemeenteraad.
Hij hield bijeenkomsten met gelijkgestelden en gelijkgezinden, waarbij gesproken werd over kunst en cultuur en gemusiceerd. Charles Beltjen kreeg toegang tot dit gezelschap, waarschijnlijk omdat hij kon vioolspelen. Het isook mogelijk, dat hij een klankbord vond voor zijn gedichten.

De Borman had een knappe dochter, Isabelle. Charles ontmoette haar en spoedig ontwikkelde zich een romance tussen beiden. Charles was met zijn lange haren en baard een flamboyante verschijning en Isabelle werd zijn muze. Urenlang zaten ze in de tuin en dan las Charles zijn liefdesgedichten, die hij voor haar geschreven had, voor.
Toen de rlatie serieus werd, verbrak vader De Borman deze. Hij vond Charles geen portuur voor zijn dochter. Charles raakte verbitterd en hij vertrok uit Sittard naar Brussel.

Brussel

Charles voelde zich als Franstalige dichter toch al meer Belg dan Nederlander. In 1855 schreef hij het lange gedicht ‘Ode sur le XXVme Anniversaire de l’Indépendance Nationale de la Belgique’ (Nissen 1995, p. 13).

Hij schreef een aantal brieven naar zijn ex-geliefde Isabelle, waarbij hij haar vader verweet, dat deze de relatie verbroken had vanwege standsverschillen. De Beltjens waren weliswaar welgesteld, maar het waren maar kooplieden. Het is de vraag of dat de enige reden was voor vader De Borman. Hij hield niet van de flamboyante bohemienachtige levensstijl van Charles, noch van diens liberale ideeën.

Parijs

Zeker is dat Charles Beltjens in de tweede helft van de zestiger jaren in Parijs verbleef. Deze jaren hebben grote invloed gehad op zijn dichten, zowel inhoudelijk als stilistisch. Hij kwam in contact met grote Franse schrijvers en dichters. Hij correspondeerde een jaar met Victor Hugo. Hij kwam in aanraking met het liberale gedachtengoed van Franse poëten. Hij zwoer het Godsbeeld af en maakte zich de ‘klassieke-heidense’ gedachtewereld in zijn gedichten eigen.
Hij zwoer eveneens de romantici af en sloot zich aan bij een groep jonge dichters, die zich de Parnassiens noemden en voor een minder hoogdravende stijl kozen (Nissen 1995, p. 15)..

Terug in Sittard

In 1872 keerde Charles Beltjens weer terug naar Sittard. Hier bleef hij de onbegrepen dichter en de eenling. De voedingsbodem, zoals in Parijs, ontbrak hier. Men beschouwde hem als een zonderling, een bohemien, die men dagelijks in een café kon aantreffen.

Wel bleek, dat Charles Beltjens zich in zijn laatste levensjaren weer met God verzoend had. Dat was te danken aan zijn relatie met de pater Godefridus Jonckbloet, leraar aan het Sittardse Aloysiuscollege aan de Oude Markt. Hij behandelde tijdens zijn lessen gedichten van Charles. Hij prees de stilistische kwaliteiten van Charles, ofschoon hij het vaak niet eens was met de inhoud.
Charles stierf op 20 juni 1890, voorzien van de laatste sacramenten, eenzaam, maar toch verzoend met God (Nissen 1995, p. 18).

Epiloog

Charles Beltjens is een ondergewaardeerde dichter. Hij had het lot, dat hij geboren werd in een provinciestadje, waar zijn werk niet werd begrepen. Bovendien had hij door zijn Franstalige gedichten een beperkte lezerskring. Er is weinig van hem gedrukt, tot 1995 geen enkele bundel. Eerst in 1995 bracht de Stichting Charles Beltjens de bundel Charles Beltjens Poésies uit.

Valkhoff schrijft:
(…) ik bedenk hoe geheel anders zijn lot had kunnen zijn, als hij, in Frankrijk geboren, daar geleefd had te midden van gelijkgezinde dichters. Zou hij dan niet voortdurend tot  meer en beter werk geïnspireerd zijn, waarvoor de aanleg bij hem aanwezig was?  (…) (Valkhoff 1940, p. 322).

Woorden waar weinig aan toe te voegen is.

Maastricht, 18 januari 2017

Bronnen:

Nissen, Peter J.A.
Charles Beltjens in zijn tijd, een biografische schets, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Kusters, Wiel
Condor en papegaai, in Charles Beltjens Poésies, 1995

Valkhoff, P
Een vergeten Limburgse romanticus, in De Gids, Jaargang 104, 1940

 

.

 

 

 

 

Johan Cruijff (1947-2016)

26 Mrt

El Salvadore (De Verlosser)

El Flaco (De Magere)

Taalvernieuwer

Johan Cruijff is er niet meer. De man, die in de zeventiger jaren het Nederlands voetbal op een zodanig niveau bracht, dat er sprake was van de ‘Hollandse School’.
Let wel, dit wordt geen necrologie van Johan Cruijff. Daarvan zijn er in diverse media reeds vele verschenen. Ook geen verhaal over John Cruijff als de voetbalvernieuwer. Johan Cruijff als de uitvinder van het aanvallend voetbal.
Neen, mijn verhaal houdt zich bezig met de vraag: ‘Was Johan Cruijff een taalvernieuwer?’ Met het antwoord zal ik kort zijn. In mijn ogen niet. Hij deed wel een aantal cryptische Cruijffiaanse uitspraken. Naar de bedoeling van die uitspraken moest je dan raden. Maar moet je dat ook niet als je naar een schilderij van een bekende schilder kijkt, of een gedicht leest. Johan begreep dat en hij werd een ‘taalkunstenaar’. Zoek maar uit, wat ik bedoel.

Enige uitspraken van Johan Cruijff

Op NOS Teletekst verscheen een pagina met uitspraken van Johan Cruijff. Of de lijst compleet is, weet ik niet. De uitspraken hebben zowel betrekking op voetbal en op hemzelf. Hij was niet wars van ijdelheid. Met de Spaanse betiteling ‘El Salvadore’ (De Verlosser) zal hij wel blij zijn geweest. Met de betiteling ‘El Flaco’ (De Magere) misschien minder.

Het is natuurlijk verleidelijk om de uitspraken van Johan Cruijff te analyseren. Wat was zijn bedoeling ermee? Bedacht hij ze, of kwamen ze spontaan bij hem op.
Laat ik de uitspraken van hem met jullie doornemen en er mijn mening bij geven. Let wel, mijn mening. Wat hij werkelijk bedoelde, zullen we waarschijnlijk niet meer achterhalen.

Elk nadeel heb zijn voordeel.
Als rasechte Amsterdammer zal hij wel ‘hep’ hebben gezegd. Hij had ook ‘Elk voordeel heb zijn nadeel ‘ kunnen gezegd hebben. Maar hij zal het in een bepaalde context hebben gezegd, bijvoorbeeld dat je als voetballer uit een nederlaag de kracht kunt putten om de volgende keer beter je best te doen.

Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen.
Cruijff was een aanhanger van aanvallend voetbal en hij veroordeelde het Italiaanse defensieve voetbal, dat helemaal gericht was op het voorkomen van doelpunten. Als ze dan eens uit een counter scoorden, konden ze zowaar winnen.

Voetballen is simpel. Het moeilijkste wat er echter is, is simpel voetballen.
Dit vind ik een goeie. Simpel voetballen is de bal zo snel mogelijk in het doel van de tegensander leggen. Maar als dat niet zo snel gebeurt, dan blijkt simpel voetballen toch moeilijk te zijn.

Als je niet schiet, kun je niet scoren.
Ja, nogal wiedes, als je geen kip hebt, heb je ook geen ei. Johan Cruijff wil er mee benadrukken, dat alleen aanvallend spel (met veel schieten) de kans tot scoren verhoogt.

Voetbal is een spel van fouten. Wie de minste fouten maakt, wint.
Hij bedoelt hiermee, fouten die de tegenstander de kans geven om te scoren.  Wie de minste fouten maakt, houdt het langst de nul.

Ik maak eigenlijk zelden fouten, want ik heb moeite me te vergissen.
Dit is wel cryptisch. Ontstaan fouten uit vergissingen en lukt het hem niet om zich te vergissen? Wie weet.

In voetbal is het simpel; je bent op tijd of je bent het niet. Als je te laat bent, moet je zorgen, dat je op tijd vertrekt.
Ja, vóórdat je aankomt, moet je vertrokken zijn. Het lijkt mij een omslachtige manier om te zeggen, dat het voetbalspel zo snel geworden is, dat je voor het halen van een pass op tijd vertrokken moet zijn en bij het maken van een sliding deze tijdig moet hebben ingezet.

Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.
Ja, voordat ze naar Parijs of Brussel reisden, reisden ze niet. Johan heeft wel fouten gemaakt, zelfs die veel geld hebben gekost.  Waarschijnlijk is hij die vergeten en wilde hij zeggen, dat wat hij als adviseur te berde bracht, zo werd doordacht, dat er geen fouten in voorkomen.

Je kunt ook goed spelen zonder de bal te raken.
Dit is Cruijffs visie op totaalvoetbal. Iedereen moet aan het spel meedoen, ook al is er geen bal in de buurt. Door gaten te trekken, verdedigers bezig te houden, zodat anderen kanssen krijgen.

Voor een slechte voetballer heeft hij een hele goede techniek, maar voor een goede voetballer heeft hij juist een slechte techniek.
Cruijffs omslachtige omschrijving van een middelmatige voetballer.

Voetbal speel je met het hoofd, want de bal is vlugger dan de benen.
Johan Cruijff bedoelt, dat je het voetbalspel moet begrijpen en dat doe je met het hoofd.  Intuïtief aanvoelen, anticiperen, inschatten en voorzien van spelsituaties maakt het voetballen mooier.  Cruijff was er een meester in.

Epiloog

Johan Cruijff is er niet meer, de eenvoudige jongen van Betondorp, die wereldberoemd werd.  Roel Wieche berekent in zijn artikel ‘In zekere zin onsterfelijk’ in het dagblad De Limburger van 25 maart jl, dat vier miljard mensen, meer dan de helft van de wereldbevolking, de naam van Johan Cruijff zouden kennen. Dat is meer dan welke andere levende staatsman, politicus, wetenschapper, kunstenaar of sporter dan ook. Hij is de beste, of één der beste voetballers aller tijden. Hij zette Nederland op de kaart en mogelijk volgt in de loop der tijd de erkenning hiervoor.

Pierre Swillens

 

 

 

Sculptors from Zimbabwe (deel 3)

10 Aug

the first generation,

een bijzondere ontmoeting met een bijzondere man

Inleiding

Als je de beeldentuin Maastricht-Heerdeberg bezoekt, dan liggen de verhalen voor het oprapen. Zo ook op 5 augustus jl. Wij kochten bij José twee mooie beeldjes. José vertelde, dat de kunstenaar voor de beeldjes kobalt steen had gebruikt, een zeldzame steen met mooie kleurschakeringen.
Bovendien vertelde ze, dat de kunstenaar zelf op de beeldentuin aanwezig was.  Zijn naam is Edward Chiwawa, een van de nog weinig levende kunstenaars, die worden aangeduid als behorend tot ‘the first generation’ van Zimbabwaanse beeldhouwers in steen. Een ontmoeting met hem was te arrangeren, een kans die wij ons niet voorbij lieten gaan.

Ontmoeting met Edward Chiwawa

Foto A
Poseren met Edward Chiwawa
XIMG_8412-cs2a

Een bereidwillige medewerkster van de beeldentuin zorgde er voor, dat Edward Chiwawa met ons op de foto ging.  Hij moest het kappen van een beeld even onderbreken. Met een leeftijd van 79 jaar kapt hij nog ruim 13 uur per dag.

Een beetje ‘lullige’ foto. Twee oudjes, die triomfantelijk poseren met hun ‘behaalde’ trofee en een kunstenaar, die berustend kijkt: ‘moet ik weer op de foto’.
Ook lullig vind ik, dat ik het grootste beeldje mag vasthouden. Maar zeg eens eerlijk, met dat kleine beeldje zou nog lulliger geweest zijn.
Voor alle duidelijkheid Edward is met zijn 79 jaar de jongste op de foto (zie foto A).

Biografie van Edward Chiwawa 

Mijn voornaamste bron is Sculptors from Zimbabwe, geschreven door Ben Joosten. 

Edward Chiwawa is in 1935 geboren in Guruve (Zimbabwe).  Hij behoort tot de Shona groep en wel tot de Korekore stam.
Hij maakte kennis met het beeldhouwen in steen via zijn neef Henry Munyaradzi, een bekend beeldhouwer in steen.

Foto B

Edward Chiwawa aan het kappen in de beeldentuin

XIMG_8408-cs2a

Edward Chiwawa, voornamelijk werkzaam als landarbeider en korvenvlechter, besloot om in 1970 ook te beginnen met beeldhouwen in steen. Zijn leermeester was Wilson Chakawa.
Hij werkte een aantal jaren in Tengengenge, maar vertrok toen weer naar zijn geboorteplaats Guruve. Om zijn beelden onder de aandacht van kopers en galeriehouders te brengen, bracht hij zijn beelden naar een stand in Tengenenge.

In 1979 gedurende de Bevrijdingsoorlog in het toenmalige Rhodesië werd het te gevaarlijk in Guruve en ging Tengenenge zelfs dicht.  Met meerdere kunstenaars sloot Edward Chiwawa zich aan bij Tom Blomefield in Harare. Na de oorlog keerde Edward Chiwawa niet terug naar Guruve. Hij woont nu in Chitungwize, ten zuiden van Harare.

Edward Chiwawa slaagde er wel in om zijn beelden geplaatst te krijgen op ‘exhibitions’, zoals London (1981), Frankfurt (1985), Sydney (1986), Melbourne (1987), Rome (1987), Parijs (1987), Zwitserland en de USA in 1986. In 1986 won hij in Budapest de 1e prijs op de ‘7th International Small Sculpture Exhibition’.
Veel van zijn werken maken een permanent deel uit van de collecties van de National Gallery en het Chapunga Sculpture Park in Harare (Zimbabwe), de collectie van Manfred Kuhnigk in Bad Soden (Duitsland), het Afrika Museum in Berg en Dal en de collectie van Joseph Baerber in Zwitserland (bron: Franck MCEwen, THE AFRICAN WORKSHOP SCHOOL Rhodesia n.d.).

Werken van Edward Chiwawa

man_in_the n'jeelja_bush

In het verhaal van de Franck MCEwen school wordt het beeld van Edward Chiwawa met de moeilijke titel ‘Man in the N’Jeelja Bush’ genoemd als een mooi beeld. Het beeld is abstract, en gemaakt van serpentijnsteen. Het heeft afgeronde gladde kanten, geometrisch lijnenspel van de armen en het typische Edward Chiwawa gezicht.

Alle gezichten, man of vrouw, worden door Edward Chiwawa minimalistisch voorgesteld. De ogen bestaan uit twee concentrische cirkels, de neus is hoekig en plat, de mond vaak een streep. De beelden met enkel een gezicht bracht hij in relatie tot de maan, zoals ‘Moon Head’ of tot de zon zoals bijvoorbeeld in Rising Sun Head.’
Het beste voorbeeld hiervan kan ik geven door een foto te plaatsen van de door ons verkregen beeldjes van Edward Chiwawa. Op onze vraag hoe hij de beeldjes noemde, zei hij ‘Moon Head’.  Wij hebben hem helaas niet gevraagd of de beeldjes met elkaar verband hielden. Het grootste beeldje heeft hij duidelijk gesigneerd met E Chiwawa, het kleine niet. Misschien hoort het bij het grotere, zoiets als ‘Moeder en Dochter’ of ‘Vader en Zoon’. Het geslacht van het gezicht is moeilijk af te leiden, ofschoon op internet iemand beweert, dat het vrouwelijke trekken heeft.

Wel wil ik nog wijzen op de steen, een soort cobalt steen. met een mooie kleurschakering. Bij strijklicht komt er een paarse gloed over. Edward Chiwawa hecht veel waarde aan de steen. Hij schijnt eens gezegd te hebben: “De steen moet voor zichzelf spreken”.

Foto C
Dubbele ‘Moon Heads’\XIMG_8416-cs2-irf-cs2a
Voor een verdere indruk van Edward Chiwawas werk, zie de fotogalerij.

Pierre Swillens

Fotogalerij