Tag Archives: obbicht

Dialect (13)

10 jul

Registratie kerkbezoek

Misdienaarkoor

De Meister

In de derde klas van de Lagere School te Obbeeg (Obbicht) hadden we geen juffrouw, maar ‘eine Meister’ (onderwijzer, aangesproken als meester). Ik kan mij niet veel van hem herinneren, ook geen naam en toenaam en hoe hij eruit zag. Zo’n sterk figuur was het dus ook weer niet. Wel kan ik mij twee akkefietjes met hem herinneren.

Registratie kerkbezoek 

Onlangs zag ik tussen mijn papieren een rapport van de Lagere School, zowel van mijn schooljaren in Obbeeg  als die in Beeg (Grevenbicht). Ik vond het zo”n waardevol document, dat ik dacht, dat moet je ‘goed’ opbergen. Met het gevolg dat ik nu niet weet, waar dat ‘goed’ precies was. Had ik het maar laten liggen. Maar ja, het zal toch wel eens te voorschijn komen.

Opvallend in het rapport was, dat in de derde klas met de pen een aantekening was gemaakt, vermeldend “Kerkbezoek:  13 van de 57”. Wij waren dus geregistreerd voor kerkbezoek voor aanvang schooltijd, naar ik meen zonder voorkennis. De registratie was dus wettelijk illegaal. Gelukkig waren er geen sancties aan verbonden.
Trouwens, wie had men moeten sanctioneren, de scholieren, die de H.Mis ’s morgens spijbelden, of de ouders, die de kinderen niet wekten en niet aandrongen op kerkbezoek.  Gezien mijn geringe deelname zou je dit laatste moeten veronderstellen, ik had als achtjarige nog geen wekker.

Haringen halen ‘bie de Beut

Ik kan mij herinneren, dat de Meester mij op een morgen voor het begin van de les vroeg, waarom ik de H.Mis niet had bezocht. Vol vertrouwen vertelde ik hem de waarheid. Mijn moeder had mij gewekt en voor een boodschap gestuurd. Volgens haar korte termijn-planning wilde zij die dag haringen in het zuur zetten. Daarvoor had zij echter haringen nodig, dus ik moest die maar even halen. De haringen kregen bij haar een hogere prioriteit dan de H.Mis.

Waarheidsgetrouw meldde ik aan de meester: “Meester, ik moest een boodschap doen”. “Wat voor een boodschap, dan”, zei de meester, waarop ik kon antwoorden: “Ik moest haringen halen bie de Beut, meester”.
Je zag de ongeloof op zijn gezicht. Een boodschap vóór de H.Mis en nog wel haringen. En wie was de Beut? Dat laatste vroeg hij niet, want dan had ik hem kunnen antwoorden, dat de Beut gewoon Beuten heette, een genaturaliseerde Belg met een onbestemde winkel.

De meester liet het erbij. Hij kon niets met mijn vroege boodschap. Waarschijnlijk was hij het, die met genoegen de welsprekende aantekening Kerkbezoek: 13 van de 57 in mijn rapport had geschreven.

De aantekening in het rapport verdween overigens weer, ook hier zonder kennisgeving. Voortschrijdend inzicht had waarschijnlijk het onderwijspersoneel duidelijk gemaakt, dat de beoordeling niet op de schoolgaande kinderen betrekking had, maar op de al of niet matineuze ouders.

Misdienaarkoor

Het werd Kerstmis en de meester vertelde ons, dat hij een koor uit zijn klas ging vormen, die tijdens de Kerstdagen de H.Mis met gezang stichtelijk zou opvrolijken. Wij vonden dat een goed idee. Nadeel was wel, dat je tijdens alle missen aanwezig moest zijn. Voordeel was, dat het iets onbekends inhield.

De meester organiseerde een zang-tryout, naar ik meen in de kerk voor een juiste akoestiek. Wij hadden een kerstliedje ingestudeerd en dat dirigeerde hij. Plotseling stopte hij, wees naar de jongen naast mij en zei: “Ga jij maar naar huis”.
Je kunt van de meester zeggen, wat je wil, maar een goed gehoor had hij wel. Hij hoorde dat het gezang van de jongen naast mij net iets slechter was, dan dat van mij.
Ik was opgelucht, dat mij die schande van wegsturen was bespaard. Ik kreeg niet de indruk, dat de weggestuurde jongen er erg onder gebukt ging. Na de Kerstmis zou het ad-hoc-koor immers weer worden ontbonden.

Op de dag van optreden hesen we ons in echte misdienaargewaden.  Wij kregen een kijkje achter de schermen in de sacristie.
De gelovigen zullen het mooi hebben gevonden. De optredens werden niet herhaald en er zijn geen contracten uit voortgevloeid. Holland’s Got Talent bestond toen nog niet.

Pierre Swillens

Dialect (12)

6 jul

Harie, de kapper

Winter- en zomerkapsel

Gooi kamer

Het Julianakanaal kwam gereed. De grondwerkers, alsmede de kostheren onder hen, waren verdwenen. Mijn ouders bezonnen zich op een nieuwe bron van inkomsten.
Nu hadden wij in ons huis aan de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) een voorkamer aan de straatzijde. Deze kamer werd de ‘gooi kamer’ genoemd. Daarin stonden de betere meubels, voor een prikje op de kop getikt op een veiling. Zo herinner ik mij ongemakkelijk zittende pluche stoelen met fragiele ronde leuningen. Wij verbleven er nooit. Misschien op een feestdag als er bijzondere visite was. Het rendement van de kamer was dus vrij laag. De deuren bleven altijd dicht.

Dat moet mijn ouders aan het denken hebben gezet, want op zekere dag was de voorkamer een kapperszaak. Wij (mijn zus en ik) hadden er niets van gemerkt. De transformatie moet hebben plaatsgevonden, als wij naar school waren. En als we thuis waren, dan bleven de deuren toch dicht.

Wat was er gebeurd?

Ik heb reeds eerder in een Post verteld over Noonk Sjaak, de kapper. Noonk Sjaak had drie zonen en de oudste Harie was ook kapper. Waarschijnlijk loonde het niet om samen met zijn vader in Beeg (Grevenbicht) een kapperszaak te bestieren, dan wel zochten ze naar expansie. Maar dan wel in een ander dorp.
Tijdens een familieberaad moet het idee geopperd zijn om een kapperszaak in Obbeeg te beginnen, maar waar.  Vermoedelijk hebben mijn ouders daarop de voorkamer aangeboden. Wij werden in ieder geval niet bij de besluitvorming betrokken, in die tijd bestonden  er nog geen ondernemingsraden of andere overlegorganen.

Kapperszaak

De meubelen gingen uit de ‘gooi kamer’ en werden opgeborgen op de zolder. De kapperszaak werd ingeruimd, een scheerstoel, een scheerspiegel en enkele stoelen. Klaar was Kees, of liever gezegd Harie. Veel was er dus niet voor nodig.
Maar nu nog klanten. Die waren er helaas niet. Ik heb het nooit vol zien zitten. Harie moest bovendien per fiets van Beeg komen en aangezien er geen klanten waren, kwam hij onregelmatig. Met het gevolg dat, als er een klant was, Harie er niet was en omgekeerd als Harie er wel was, geen klanten. Kunt u het nog volgen?
Geen productieve zaak dus en de huuropbrengsten zullen navenant geweest zijn.

Jongenskapsels

Ik was toen in een leeftijd van zeven of acht jaar. Jongetjes droegen een winter- en een zomerkapsel. Bij een winterkapsel  mocht het haar groeien, lekker warm dus. Bij een zomerkapsel ging alles eraf, lekker koel dus. Om te laten zien, dat je haar op je hoofd had, bleef aan de voorzijde een pony staan, net zo iets als bij Mireille Mathieu bijvoorbeeld. Maar dan blond en met minder haar.  Het haar kreeg dan de tijd om weer bij te groeien en alleen de pony moest nu en dan worden getrimd.

Verandering van kapper

Ik weet bij God niet, wie in die dagen mijn haar knipte. Was trouwens maar tweemaal per jaar nodig. Ik denk Noonk Sjaak, want die bezochten we regelmatig.
Maar nu we de kapper in huis hadden, was de situatie duidelijk. Harie zou mij knippen. Er waren geen andere klanten en ik was traditiegetrouw toe aan het wijzigen van het winterkapsel in een zomerkapsel. Alles moest er toch af, dus veel te verprutsen viel er niet.

Fysieke marteling (start)

Klanten waren er niet, dus Harie had er alle tijd voor. En moeder wilde ook wel eens zien, hoe netjes ik werd geknipt.
Ik mocht plaatsnemen in de grote kappersstoel, en kreeg een royale kappersmantel om, die ergens in mijn nek werd ingestopt. In volle verwachting was ik benieuwd naar het resultaat. Dat kwam er snel, te snel naar mijn idee.

Harie nam een elektrische tondeuse, begon aan mijn achterhoofd en maakte een streep naar voren tot ter hoogte van het begin van de pony. Ik had dus een streep over mijn hoofd ter breedte van de tondeuse.

Zo, zei Harie, nu ben je klaar, deed mij de kappersmantel af en nodigde mij uit de kappersstoel te verlaten. Ik was even verpopzakt, maar aangezien mijn moeder niet protesteerde, nam ik aan dat het waar was.

Ik begon te bedenken, wat ze de andere dag op school zouden zeggen. Ik zou vast gepest worden met dat rare kapsel. Ik kon dan ook niets anders doen, dan in huilen uit te barsten. Ik had nog niet door, dat je het mikpunt van spot kunt zijn.

Als volwassene denk je, dat je meer had kunnen doen, dan huilen. Je had bijvoorbeeld Dank je wel kunnen zeggen en net doen, alsof je het een leuk kapsel vond. Tien tegen een dat moeder Harie gemaand zou hebben om te stoppen met die flauwekul. Maar zo slim was ik toen niet. Ik bleef huilen en dat is de meest passieve houding, die je kunt aannemen.

Fysieke marteling (vervolg)

Toen ik lang genoeg gehuild had, liet Harie mij weer in de stoel plaatsnemen, deed de kappersmantel om en nam de tondeuse. Hij maakte nu een baan, van rechts naar links, over het hoofd. De banen vormden nu een kruis.

Zo, zei Harie, dat is dan beter en herhaalde de handelingen, zoals eerder omschreven. Deze keer bleef ik in de stoel zitten,maar begon in mijn passiviteit weer te huilen. De gedachten aan de school waren nog schrikbarender met dat vreemde kruis op mijn kop.
Al die tijd bleef mijn moeder meegenieten. Zij beschouwde het als en deel van mijn opvoeding. Daar wordt hij hard van, zal zij gedacht hebben, als ze tenminste iets gedacht heeft.

Fysieke marteling (einde)

U begrijpt het, aan alles komt een einde, ook aan hangen. Toen de lol er een beetje af was en de tortuur te lang had geduurd, werd ik bijgeknipt met een ordentelijke pony. Als meevaller hoefde ik niet te betalen, althans ik zag geen afrekening. Misschien ging het wel met gesloten beurzen.

Epiloog

Je kunt als volwassene een kind behoorlijk onder druk zetten, vooral omdat ze zich niet kunnen verweren. Als ik de leeftijd gehad zou hebben om Harie een welgemikte peer te verkopen, dan waren de verhoudingen in evenwicht geweest. Nu kon ik maar wat huilen, hetgeen de hilariteit nog vergrootte.

Uiteindelijk heb ik het Harie en mijn moeder niet lang kwalijk genomen. Het leven ging verder en misschien was ik er wel sterker van geworden. Het werd een incident, waar om werd gelachen.

U begrijpt wel, dat wegens gebrek aan klanten de kapperszaak van Harie geen lang leven was beschoren. Hij heeft mij maar een keer geknipt, net genoeg.

Moraal: Van je familie, moet je het niet hebben (Harie z.g. was een volle neef).

Pierre Swillens

Dialect (11)

4 jul

Broodje – klootje

Kadetbezorger

In zo’n dorp als Obbeeg (Obbicht) maakte je wel wat mee. Zo heb ik een herinnering aan een kadetbezorger. Een jongen van een jaar of veertien, vijftien, blond en een beetje gezet.
Hij kwam met verse kadetjes langs de deur. Nooit meer heb ik zo’n lekkere kadetjes gegeten. Niet die slappe, langwerpige van nu, maar een knapperig bolletje. Een kadetje kostte twee cent. Mijn moeder kocht er voor een dubbeltje vijf. Dan hadden we er ieder een en een was om te verdelen.

Bakker in Lindenheuvel

Zijn vader was een bakker in Lindenheuvel. Misschien was het niet eens een bakker, maar een broodbezorger, die zijn waar bij de bakker haalde en doorverkocht. Er waren ook bakkers, die de boer niet opzochten.

Bakfiets

Zijn zoon moest op vaste dagen kadetjes in de omliggende dorpen slijten. Hij bediende zich hierbij van een stevige fiets met een mand voorop, vol met kadetjes. Dat was geen sinecure, want hij moest heel wat dorpen affietsen. Als hij bij ons in Obbeeg kwam, dan had hij Urmond, Berg a/d Maas en Nattenhoven al gehad. Wat hij na Obbeeg deed, weet ik niet.

Hilariteit

Op zekere dag viel hij op. Hij droeg als jongeman een korte broek. Daarbij droeg hij steeds dezelfde broek. Door het vele fietsen was die in het kruis versleten en toonde ter plekke een scheur. Nu deed zich het voorval voor, dat zijn zaakje, voor zover de ballen, door de scheur een uitgang had gezocht. Hij had kennelijk geen onderbroek aan. Dat was niet zo verwonderlijk, want ik had er ook geen. Jongensonderbroeken bestonden er toen niet, of kwamen niet in onze kringen voor. Gelukkig had ik geen scheur in mijn broek.

Flipperkast

De jongen had het in de gaten en voelde zich er ongemakkelijk bij. Hij probeerde iedere keer het zaakje terug te frommelen, maar als hij op de stoel bewoog, dan kwam er weer een bal te voorschijn. Het was net als een moderne flipperkast, daar komt ook steeds een nieuwe bal te voorschijn.

Rustpauze

Maar toch bleef de kadetbezorger  zitten. Veel gespreksstof had hij niet, als hij maar mocht blijven. Mijn moeder had hem al getrakteerd op een glas water, dat hij gretig opdronk. Dorst had hij wel.
Bovendien was hij ontdaan door zijn hopeloos gevecht met de scheur. Ik had wel een beetje medelijden met hem. Zo jong en dan al moeten werken. In mijn optiek ging je met werken vroeg dood.

Toornige vader

De kadetbezorger zat er misschien al een uur. Een tweede glas water had hij niet afgeslagen. Ik vond dat zijn rustpauze wel wat lang duurde. Bovendien zat hij er ongemakkelijk bij, ‘al flipperkastend’.

Plotseling werd er aan de voordeur gebeld of hard geklopt. De bezoeker stelde zich niet  voor, maar vroeg of de kadetbezorger aanwezig was. Een overbodige vraag, want zijn bakfiets stond tegen de gevel.
Na een bevestigend antwoord van mijn moeder, stormde hij ons huis binnen en sleurde de kadetbezorger naar buiten. Hij kafferde de jongen onmenselijk uit en dwong hem onmiddellijk zijn fiets te bestijgen om de resterende kadetjes te verkopen. Hetgeen de jongen zonder morren deed, de scheur zei hem niets meer.

Wat was er gebeurd?

De kadetbezorger was met steeds meer onverkoopbare kadetjes thuis gekomen. De vader kreeg een vermoeden dat zijn zoon niet meer zijn best deed. Hij zat liever op een stoel, dan op die rotfiets.
Op zekere dag ging de vader op controle uit en fietste of reed de route na van zijn zoon. En ja hoor, daar stond de bakfiets in Obbeeg tegen een gevel. Dat het toevallig ons huis was, interesseerde hem niet. Dat de fiets er stond, was voldoende om werkweigering te veronderstellen. Zijn zoon hoorde op die fiets te zitten, ook als deze tegen de gevel stond. Hij had de oplossing van het raadsel van de onverkoopbare kadetjes, inactiviteit van zijn zoon.

Epiloog

Jammer genoeg kregen we geen verse kadetjes meer. de kadetbezorger kwam niet meer aan de deur. Waarschijnlijk had zijn vader hem verboden ons als klant te bedienen. Wij hadden immers meegewerkt aan zijn werkweigering.

Ik zag de jongen nog wel eens fietsen op zijn werkdag. Hij groette wel, maar meed ons huis. Ik zag ook, dat hij een nieuwe broek aanhad, waarschijnlijk tot de volgende scheur.

Wij dachten nog vaak aan de kadetbezorger, want wij misten zijn verse kadetjes en met instemming van ons moeder hadden wij hem de weidse naam ‘broodje-klootje’ toebedacht.

Moraal: Werkweigering loont alleen, als er geen controle is.

Pierre Swillens

Dialect (10)

3 jul

Onze Lieve Heer heeft veel kostgangers

Pension

Wij woonden dus in Obbeeg (Obbicht) in een riant huis. Te groot volgens mijn ouders. Misschien was er wel een slaapkamer over.  Mijn ouders vonden dat ze die konden benutten voor extra inkomsten, dus kwam er een kostganger in huis.

Julianakanaal

Dat ging vrij gemakkelijk. In de vroege dertiger jaren van de vorige eeuw werd in Zuid-Limburg het Julianakanaal gegraven. Zo ergens tussen Maastricht en Wessem. Dit kanaal was nodig, omdat de Maas in Zuid-Limburg slecht bevaarbaar was.
Aanleg van dat kanaal was in de dertiger crisisjaren een welkome aanvulling van de werkgelegenheid. Van alle kanten werden dus grondwerkers gezocht. En die moesten dan in de buurt een kosthuis, nu zegt men pension, vinden.

Kostheer 1

Zo verscheen er op zekere dag kostheer 1 in ons huis, mij met naam en toenaam onbekend. Het was wel een Midden-Limburger. Hij had het wel eens over iemand, waar een steekje aan los zat en die noemde hij dan:”Dae is dun bie”.
Nu had ik als kleine jongen een scherp opmerkingsvermogen. Ik vond dat hij er ook niet ver naast zat. Veel praatjes had hij niet. Hij deed zijn mond alleen open, als hij moest eten. Hij verdween dan ook net zo  geruisloos, als hij gekomen was.

Kostheer 2

Hij werd opgevolgd door kostheer 2. Iemand met meer verbaal vermogen. Het was een Duitser, mij eveneens met naam en toenaam onbekend. Maar hij had wel een ´grosse Schnautze´.  Dat bracht hem wel eens in moeilijkheden met de autochtone bevolking, maar daar is mij te weinig over  bekend.

Het enige wat ik mij van de Duitser herinner is, dat het een echte durfal was. De dakgoot aan de voorzijde ons huis was verstopt. Mijn vader had bij een omwonende fruitteler een lange houten plukladder gecharterd. Maar hij durfde er niet op, de Duitser wel. Deze rommelde wat in de dakgoot, misschien liep hij er wel in, dat weet ik niet meer. Ik weet wel, hoe hij naar beneden kwam. In ieder geval niet over de laddersporten. Hij sloeg boven zijn benen om de buitenzijden van de ladder en gleed zo in volle vaart naar beneden. De toeschouwers hielden hun hart vast, behalve degenen, die hem een noodlanding gunden.
De ladder werd aan de onderkant iets breder, dat hielp hem bij het afremmen. Achteraf concluderend moet ik aannemen dat hij een flinke werkbroek droeg, voldoende eelt had hij al aan zijn handen, en onderweg geen houtsplinters was tegengekomen.
Ook deze kostheer verdween van het tapijt, zij het met wat meer kabaal. In feite was hij ook niet veraf van ´dun bie´. Nu zouden we dat ´maf´ noemen.

Daarna kan ik mij geen kostheer meer herinneren.

Buurman

De buurman naast ons was ook een Duitser en tevens groenteboer. Hij is mij wel met naam en toenaam bekend, maar dat doet nu niet ter zake.  Hij had een groentewinkel en bracht groenten uit met een kar. Voor het trekken gebruikte hij wellicht een paard, want zelf zal hij de kar wel niet getrokken hebben.

Wat mij wel bij bleef, hij had ook een hond. Ik denk een Duitse herder, een echte waakhond. De buurman had de hond zo afgericht, dat hij naar alles hapte wat in zijn buurt kwam. De achtererven van beide woningen liepen in elkaar over. De woningen waren van dezelfde huisbaas. Het erf van de buurman meed ik, gezien de hond.
Nu stond de buurman op ons erf met mijn moeder te praten. Ik stond er ook bij, evenals de hond. Zonder enige aanleiding mengde de hond zich in de discussie en beet mij in mijn elleboog. Zijn tandafdrukken bleven achter, net als het happen bij een tandarts.
De buurman was zo behulpzaam om een tube zalf te voorschijn te halen. Waarschijnlijk had hij al eerder een dergelijke ervaring met de hond. De hond werd niet afgemaakt en ik moest maar mijn pijn verbijten. Mijn moeder maakte er niet veel woorden aan vuil. Zij zal wel gedacht hebben: `Its all in the game`,  althans iets dergelijks in dialect.

Andere hond 

Het was niet de enige hond, die mij te grazen nam. Ik kan mij herinneren, dat er weer eens iets bij het avondeten ontbrak, misschien wel beleg of boter. Ik weet het niet meer. Het was wel avond en al donker. Ik werd voor de boodschap erop uitgestuurd naar een winkel in de buurt. Ik meen een bakker, annex kruidenier. De winkel was in ieder geval 24 uur geopend.

Naast de winkel lag een huis, naar achteren, met een erf ervoor. Het erf werd afgesloten met een halfhoog hek en bovendien dag en nacht bewaakt door een hond. Een postbode kwam er niet in, of hij moest hard schreeuwen, dat hij post had. De hond leek op die van onze buurman, dus ik was gewaarschuwd.
Als we overdag langs het huis liepen, dan blafte de hond wel vervaarlijk, maar hij bleef tenminste achter het hek. Maar niet op die avond. De hond bleek tot meer in staat.

Toen ik de kruidenierswinkel bijna bereikt had, en eerlijk gezegd niet aan de hond dacht, toen zweefde de hond uit het niets en geluidloos over het hek, beet mij in mijn bil en verdween op dezelfde wijze terug naar het erf. Het was net concours hippique, maar dan zonder paard, maar met hond. Ik heb nog bewondering, hoe die hond het hek nam, hij raakte het nauwelijks. Ik bleef wel met het raadsel zitten, waarom die hond overdag op het erf bleef en ’s avonds een andere route nam.
Nu droeg ik in die tijd een kort broekje en daar had ik niet veel aan. Ik had nu bijtafdrukken in mijn bil staan, dat was het enige verschil met de vorige hond.

Ik heb de boodschap boodschap gelaten en ben huilend naar huis gelopen. Deze keer was er geen zalf. Het enige voordeel, dat het mij opleverde was, dat ik er ’s avonds niet meer uit hoefde voor een boodschap. Ook hier werd de hond of de eigenaar niet ter verantwoording geroepen. Mogelijk dat de hond later meer slachtoffers heeft gemaakt, nu hij in de gaten had, dat de hindernis van het hek met gemak was te nemen.

Moraal: Als je ergens een herder ziet, en hij heeft vier poten, ben dan op je hoede.

Pierre Swillens

Dialect (9)

27 jun

De sjink is mich in ut water gevalle

De Maas is oet

Paaszaterdag

Wij verhuisden dus naar de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht). Dit was een mooi huis, pas gebouwd met veel tuin (moestuin in dit geval). Tegen de zuidgevel groeide zelfs een abrikozenboompje. Daar kwam helaas één abikoos aan, maar niemand anders had een abrikozenboompje.
De omgeving van het huis was zo groot, dat je als kind er de hele dag kon spelen. Bovendien was er een schuurtje met veel oud materiaal. Als er andere kinderen waren, kon je er allerlei gefantaseerde spelletjes doen, zoals doktertje spelen.

De tuin werd op Paaszaterdag gebruikt op er paaseieren te verstoppen. Die mochten mijn zus en ik dan zoeken. Je kreeg wel eerst een raar verhaal te horen, dat de kerkklokken terug waren, omdat de tijd van de Vasten voorbij was. De kerkklokken hadden paaseieren meegebracht en deze gemakshalve in de tuin verstopt. We wisten dat er paaseieren te vinden waren, dus elk verhaal was voor ons goed.

Wij kregen allebei een grote mand. Dat was bedrieglijk, want er waren zoveel eieren te verwachten, dat deze onmogelijk voor ons beiden zouden zijn. Je raapte dus ook voor anderen. Bovendien moest ik mijn geraapte eieren, delen met mijn zusje. Die was jonger en trager in het zoeken. Daarbij zocht ze op plaatsen, waar geen eieren konden liggen. Ik zag in mijn ooghoeken, dat mijn ouders mijn zusje met enig geweld in de richting van een verborgen paasei duwden, anders had ze er nog geen. Later merkte ik, dat ze achter me aanliep om de eieren op te rapen, die ik in mijn haast liet vallen. Goedkoop rapen dus.
De eieren werden door iedereen opgegeten, ook door visite.

Water in de kelder 

Het huis had een makke. Als de Maas weer eens ‘oet’ was, dan steeg het grondwater. De kelder was niet waterdicht. Het gevolg was, dat er wel een meter grondwater in de kelder kwam.  In het begin hadden mijn ouders daar geen rekening mee gehouden. Het hoorde tot de verborgen gebreken, daar de huisbaas die dat wel moest weten, want hij had er gewoond, wijselijk zijn mond had gehouden. Anders had hij misschien iets van de huurprijs af moeten doen.

Alles wat los zat, ging drijven, zelfs de houten keldertrap kwam omhoog. Ik ging er wel eens op staan en dan zakte de trap. Meestal meed ik de kelder, want scheepjesvaren was er niet bij. Het water bleef een hele poos staan en zakte en steeg analoog aan het grondwaterpeil.

De sjink

Toch bleef de kelder mij bij. Op het droge trapportaaltje hing een rek en dat gebruikte mijn ouders als proviandrek. Zo lag er ook het brood. In die tijd at men vier keer per dag, waarvan drie broodmaaltijden. Ik moest dus vaak het brood uit de kelder halen en terugbrengen. Nu deed zich vaak het feit voor, dat het brood uit mijn handen glipte en in het water verdween. Als ik het brood moest halen, dan moest ik dat natuurlijk melden. Dan kreeg ik op mijn donder en werd subiet naar de bakker gestuurd. Die was gelukkig 24 uur geopend.
Als ik het brood moest wegbrengen en het viel in het water, dan meldde ik niets. Ik kon dan de volgende keer zeggen, dat er geen brood meer was. Soms trapte mijn moeder erin. Naar de bakker moest ik toch.

Naast het brood dat er lag, hing er ook een gedroogde halve varkenskop. Als er geen beleg was, hetgeen vaak voorkwam, werden er enkele repen wangspek van af gesneden. Veel zat er niet aan zo’n kop. Bovendien was het een halve, waar de andere helft gebleven was, weet ik niet.

Nu deed zich het feit voor, dat ik bij het halen of wegbrengen van die varkenskop, deze uit mijn handen liet glippen. De kop belandde naast het brood in het water.
Ik moest dit wel melden aan mijn moeder, dus ik zei beteuterd: “Mam, de sjink is mich in ut water gevalle”. Wel een wat weidse naam voor een varkenskop. Maar ja, wist ik toen hoe dat ding heette.

Gelukkig was er algehele hilariteit om het woord ‘sjink’. De gebruikelijk reprimande bleef dus uit. Bovendien had de varkenskop nauwelijks waarde. Als meevaller hoefde ik niet direct naar de slager voor een nieuwe.

Gerechtsprocedure

Ofschoon ik niet bij de besluitvorming werd betrokken, kreeg ik in de gaten dat mijn ouders met de huisbaas in conflict waren gekomen. Dit liep zo h0og op, dat het zelfs gerechtelijk werd uitgevochten.
De huisbaas kreeg wettelijk schadevergoeding voor de wateroverlast. Mogelijk was deze schadevergoeding bedoeld om in de droge periode de kelder waterdicht te maken. De huisbaas deed echter niets. Mijn ouders meenden er eerder recht op te hebben. Zij hadden immers de overlast van het water in de kelder, waardoor deze maanden niet gebruikt kon worden. Bovendien realiseer ik mij nu, dat ik er meer last van had gehad dan de huisbaas. Ik was dus belanghebbende.

Wat de rechter beslist heeft, weet ik niet. Ik vermoed dat mijn ouders aan het kortste eind hebben getrokken. Met de huisbaas kwam het niet meer goed.

Pierre Swillens

Dialect (8)

22 jun

Obbeeg

Beekstraat

Verhuizing 

Daar ben ik weer. Eerder heb ik reeds verteld, dat we in Obbeeg (Obbicht) zijn verhuisd van de Maasstraat naar de Beekstraat. Ook hier huisnummer onbekend. Ik moet toen zes jaar geweest zijn.
Het was wel een mooi huis, pas gebouwd. Mijn ouders moeten de eigenaars hebben gekend. Toen dezen verhuisden naar een andere woning in Geleen-Lutterade, kregen mijn ouders het huis als huurhuis aangeboden.

Achter het huis was een riante moestuin, daarin teelde mijn vader allerlei groenten. De tuin grensde aan de Kingbeek, die ontsprong in de Hoge Berg, tussen Obbicht en Nattenhoven. Het water was dus nog betrekkelijk vers. Alleen kwam je van de tuin moeilijk in de beek, omdat de tuin begrensd werd door een berm. In die tuin beleefde ik in mijn fantasie hele veldslagen, gebruikmakend van de beek zelfs zeeslagen.

Blote voeten

’s Zomers exploiteerde ik de beek door er doorheen te waden op blote voeten. Jammer genoeg, kieperden bewoners gebroken glas in de beek. Kennelijk was dat de dichtstbijzijnde stortplaats. Ik kwam dan ook wel eens met een jaap in mijn voet thuis.
Steriliteit stond niet hoog in het vaandel en ik kan mij herinneren, dat dit steeds uitmondde in bloedvergiftiging. Sodabaden bleken dan het wondermiddel. Na enkele bloedvergiftigingen vermeed ik de beek op blote voeten.

Teer-oven

Op blote voeten lopen, bleef ik toch doen, maar dan buiten de beek. Ik kan mij herinneren, dat de ‘kantonneer van Obbeeg’, die verantwoordelijk was voor het onderhoud van alle gemeente-eigendommen, onderhoud gepleegd had aan de Dorpsstraat. Hij gebruikte hiervoor een teer-oven. Het teer moest immers worden gesmolten om vloeibaar uitgesmeerd te worden. De oven werd gestookt met steenkool.
Wanneer ze klaar waren, werd de gloeiende as naast de weg gekieperd om af te koelen. Zolang de hoop roodgloeiend was, bleef je uit de buurt. Naarmate de hoop afkoelde, verscheen er een donkere aslaag op.

Toen, naar mijn inschatting, de hoop voldoende afgekoeld was, probeerde ik dat uit met mijn blote voeten. Dat bleek tegen te vallen met het gevolg, dat ik met twee verbrande voeten naar huis moest. Waarschijnlijk weer in het sodabad.

Moraal 1: Ga niet altijd af op de schijn, maar test eerst de werkelijkheid.

Fietsje

Mijn fietsje ging mee. Ik kreeg nu een nieuw gebied om te exploiteren. De Kingbeek liep achter onze tuin langs, maar een eind verderop langs de straat. De gemeente had de straat van de beek afgeschermd door middel van een muurtje, dat van boven halfrond was afgedekt met cement.
Deze afdekking was op straathoogte, dus je kon er vanaf de weg makkelijk op fietsen en je weg vervolgen via het muurtje. Dat vereiste wel enige vaardigheid en vaak belandde ik in de beek. Dat leverde een nat pak op, al had je aan een blouse en een korte broek niet veel pak. Het fietsje kon er tegen, dat viste je uiteindelijk uit de beek.

Moraal 2: Fiets altijd over betrouwbare paden.

Boodschappen

De verhuizing had wel een vervelend neveneffect voor mij. In mijn eerdere ‘Posts’ heb ik verteld over de kruidenierswinkel ‘bie Betje’, die naast onze toenmalige woning in de Maasstraat lag. Mijn ouders wilden Betje niet ontrouw worden voor de boodschappen, waarschijnlijk hadden ze daar een gunstige betalingsregeling. Ik was dus de klos, met briefje en fietsje boodschappen doen ‘bie Betje’.
Hierbij moest ik gebruikmaken van een grote boodschappentas, van wasdoek. Tas was bijna zo groot als de fiets. Als ik de tas aan het stuur hing, dan kwam een punt tussen de spaken en de voorvork. Daar ik de tas altijd rechts aan het stuur hing, was de linkerpunt aan de voorzijde van de tas altijd de klos.

Na enige boodschappenrondes was er geen linkerpunt meer, daar was een gat. Betje onderkende dit en legde vaak papier over het gat, maar dat bleek niet altijd afdoende.

Toen ik met de boodschappen terugkwam en mijn moeder de inhoud inspecteerde, zei ze: “Waar zijn de eieren en de zeep?” Ik had die onmogelijk onderweg verdonkeremaand. Als het snoep was geweest, mogelijk wel.
Ik had er ook geen verklaring voor en reed maar terug naar Betje om daar de zaak te onderzoeken. Maar ik hoefde niet ver terug te rijden, want plotseling zag ik om de meter een geklutst ei op de weg en een stuk zeep. Dat laatste was het enige, dat er nog te redden viel.
Vreemd genoeg, moest ik met zelfde tas boodschappen doen, dus ik ben nog vaker iets kwijtgeraakt. Mogelijk dachten mijn ouders een nieuwe tas is toch weer zo kapot.

Moraal 3: Als je gebruikmaakt van hulpmiddelen, inspecteer eerst of ze voldoen.

Epiloog

Gelukkig werd mijn zusje rijp voor een fietsje. Zij kreeg mijn fietsje als afdankertje en ik kreeg een jongensfiets.
Het eerste wat mijn zusje deed, was met het fietsje rijden over het muurtje langs de beek. Dat had ze al lang willen proberen. Ze kwam met een natte jurk thuis.

Dat fietsje, wat had ik dat graag bewaard. Nu tachtig jaar later zou ik het een prominente plaats geven, desnoods aan het plafond. En met een groot bord met ‘Mijn eerste fietsje‘.

Pierre Swillens

Lagere school (1)

7 jun

Voor het eerst naar de lagere school

Gedaan met de vrijheid

Onbezorgde jeugd

Ik behoorde nog tot de gelukkigen, die eerst in het zesde levensjaar naar de lagere school moesten. Niks geen kleuterschool, wat een vrijheid. Al die jaren spelen in de open lucht, ’s zomers in de uiterwaarden van de Maas. Wat een tijd om de wereld te ontdekken, en wat voor een variatie aan mensen en dieren je had. Ik heb reeds eerder geschreven, dat ik in mijn herinnering heel lang vier jaar ben gebleven. Hier en daar een dissonant, maar toch.

Voorbereiding op school

Ik werd op de lagere school voorbereid door jongens uit de straat, die reeds op de lagere school zaten. Ze probeerden me zoveel mogelijk angst in te praten. Wat ik op de school allemaal te verwachten had. Van de andere kant was ik benieuwd naar wat er op zo’n school gebeurde. Vooral het vooruitzicht, dat het een gemengde school zou zijn, sprak me aan. Een meisjesschool was er nog niet in het dorp, die werd nog gebouwd.

Kennismaking met de school

Achteraf viel het mee. Je wende aan de discipline. De onderwijzeressen, de helft van de klas bestond uit meisjes, waren aardig. Je herinnert je weinig van je medescholieren. Een meisje, dat wel eens epileptische aanvallen had, een jongen die analfabeet bleef, een jongen, die alles opzoog, wat er verteld werd. Die jongen was ik. Ik had een ruime fantasie, daarmee creëerde ik een fantasiewereld. Ik wist alles van dierentuinen, terwijl ik er nog nooit een had gezien.

Wilde dieren 

Toen een onderwijzer vroeg: “Wie heeft er wel eens een wild dier gezien?”, toen stak ik als enige mijn vinger op. Ik had immers al dierentuinen gezien. “Wat voor een dier” zei hij. “Een leeuw, meester” was mijn glashard antwoord. “Wat voor een kleur had dat dier dan”, zei de meester. “Geel meester” zei ik, voor geen gat gevangen. Hij leek niet erg overtuigd. Als ik “blauw” had gezegd, was het duidelijker voor hem geweest.

Mejuffrouw Knops

De eerste onderwijzeres heette mejuffrouw Knops. Mevrouw mochten ze immers niet zijn. Mejuffrouw Knops was dochter van een grote boer uit het dorp. Ze was een beetje preuts, ofschoon ik dat toen nog niet wist. Ik kan mij herinneren, dat ze een keer zei:”Ik moet even weg, maar jullie mogen niet kijken”. Onze klas lag aan de speelplaats en aan de overkant van de speelplaats waren wc’s. Voor mij lag het voor de hand, dat ze daar naar toe moest. Wij mochten immers niet kijken.
Ik wachtte even tot ze de speelplaats was overgestoken en toen keek ik over het geblindeerde gedeelte van het raam. Ik zat in een gunstige positie, ik had al een plaats aan het raam. Ik kwam er met mijn hoofd net boven uit. Ze moet me gezien hebben. Toen ze de wc-deur openmaakte, keek ze nog even om, of er niemand keek. Wellicht heeft ze wel de hele tijd omgekeken, terwijl ze de speelplaats overstak. Misschien mochten wij niet weten, dat juffrouwen ook gewone mensen waren, die ook wel eens naar de wc moesten.
Het liep met een sisser af, zowel op de wc als in de klas.

Buil  aan het hoofd

Ik kan mij herinneren, in de eerste jaren, dat we speeltijd hadden, een kwartier misschien. Dan deden we bokspringen tegen de muur en andere spelletjes. Een van die spelletjes was, hard de speelplaats oversteken zonder getikt te worden. Ik was hierbij een snelle jongen, die weinig getikt werd.
Een keer ging het mis. Ik was bijna bij de muur, zeg op drie meter, toen ik door de tikker op mijn hakken werd getrapt. In volle vaart werd ik gelanceerd. Ik had geen tijd meer om mijn handen vooruit te steken, dus ik kwam met mijn hoofd tegen de muur tot stilstand. Die gaf niet mee.. Je verbaast je, wat een kind kan hebben. Ik was even versuft en kreeg een buil als een ei aan mijn hoofd. Gelukkig was de onderkant van de muur gecementeerd, dus het bleef bij een buil. De speeltijd was afgelopen en ik moest weer in de klas. Niemand zei iets, of vroeg iets.

Mejuffrouw Vencken

Bij het tweede schooljaar was er een andere juffrouw. Juffrouw Vencken, ook al een boerendochter uit het dorp. Wij waren inmiddels verhuisd naar de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) en daar woonde zij ook. Intussen had ik ook een nieuwe fiets gekregen, ditmaal een echter kinderfiets. Het kinderfietsje ging naar mijn zus en die haalde er dezelfde Strapatsen mee uit, zoals ik had gedaan. Ze lag voortdurend met fiets en al in de Kingbeek, die langs de Beekstraat liep. Als dat fietsje had kunnen praten.

Fietsafspraak

Mejuffrouw Vencken had mij wel eens gezien met die nieuwe fiets. Zij sprak met mij af, dat ze Zaterdagmiddag met mij zou gaan fietsen. Ik heb de hele Zaterdagmiddag met mijn fiets zitten te wachten. Zij kwam echter niet opdagen. Misschien was zij het helemaal vergeten, of had ze zich bedacht. Ik heb er nooit een verklaring over gehad.

Ontmoeting 

Ik heb juffrouw Vencken nog eens ontmoet, toen was ze al bejaard. Wij waren op bezoek bij een zwager van mijn vrouw in het ziekenhuis te Sittard. Op dezelfde kamer lag de man van inmiddels mevrouw Spee. Zij herkende mij niet. Zij had zoveel kinderen in de klas gehad. Bovendien had ze emplooi gevonden in de nieuwe meisjesschool. Van de fietsafspraak kon ze zich niets herinneren.

Ik heb nog heel lang gefantaseerd, wat er tijdens dat fietsen allemaal had kunnen gebeuren.

Pierre Swillens

Dialect (7)

5 jun

Auto’s wat zijn dat voor dingen

Niet bumper kleven, maar bumper hangen

Bumper hangen

In de jaren dertig van de vorige eeuw waren auto”s nog niet gewoon in het straatbeeld. Een auto in de Maasstraat in Obbeeg (Obbicht) had dan ook veel bekijks. Zowel mijn zusje als ik hadden er minder prettige ervaringen mee. Laat ik met mijn zusje beginnen.
In mijn vorige ‘Post’ vertelde ik over ‘bie Betje’ , de kruidenierswinkel bij ons naast de deur. Eenmaal per week kwam er een vertegenwoordiger om bestellingen op te nemen, dan wel af te leveren. Hij bediende zich hierbij van een luxeauto met enorme verchroomde bumpers. Het leek iets op een T-Ford. Wij, jongens en meisjes uit de buurt, hadden de sport ontwikkeld van ‘bumper hangen’. Dit hield in dat, wanneer de auto wegreed, je zolang mogelijk meeliep, vasthoudend aan de bumper. Het was dan zaak deze op tijd los te laten. Zo’n auto kwam door schakelen langzaam op gang, dus je kon wel een eind meelopen.

Ik heb reeds eerder gezegd, dat mijn zus 14 maanden jonger is. Op een gegeven moment dacht zij ook mee te kunnen doen. Toen wij allemaal los hadden gelaten, hing zij nog aan de auto. Als het een wedstrijd was geweest, wie het langst vasthield, dan had zij gewonnen. Ik denk dat ze door paniek niet los durfde te laten, dus stuiterde ze een eind mee. De chauffeur had niets in de gaten, die dacht ze laten wel los. Omstanders schreeuwden het uit. Ik weet niet hoever mijn zus is meegesleurd. Ik schat wel tussen de 50 tot 100 meter. Ik denk dat ze uiteindelijk wel los heeft moeten laten. Uiteraard had ze kapotte kousen, afgesleten schoenen en geschaafde knieën. Dit laatste deed het meest pijn.

Daar het niet mijn lijf was, heb ik het genezingsproces niet gevolgd.

Moraal 1: Begin niet aan iets, waarin je niet goed bent.

Vrachtwagen in de buurt

Ongeveer in dezelfde tijd moet ik een ervaring hebben gehad met een vrachtwagen. De vrachtwagen stond bij ons thuis aan de overkant van de straat. Mogelijk had hij iets te maken met de bouw van het huizenblok, waar ik reeds eerder over vertelde. Het was in ieder geval een mooie zomerse dag. De chauffeur had het raam open naast zijn bestuurdersstoel   en liet bovendien de deur open staan. Dat gaf ons, een aantal klunzen uit de buurt en ik, de kans om een blik te werpen in de cabine van een vrachtwagen. Nu stond er reeds een kluns in de openstaande deur te kijken. Om ook iets te zien, stapte ik op de treeplank en hield mij aan de achterzijde van de deur vast. Zo kon ik door het geopende raam mijn observaties doen. Dat duurde echter niet lang.
De kluns in de deur had genoeg gezien en sloeg met een klap de deur dicht. Jammer genoeg, had ik mijn vingers daar nog tussen. Gealarmeerd door mijn oerkreet zal hij de deur wel open gemaakt hebben. Maar dat duurt even bij niet-schakelende klunzen.

Als je de anatomie van een hand bekijkt, dan hebben de meeste mensen een langere middelvinger. Die wordt wel eens gebruikt door als teken van goedkeuring op te steken. Dat die middelvinger langer is, was mijn geluk. Alleen het topje van de middelvinger zat tussen de deur en de sponning. Alle andere vingers ontsprongen de dans. Nu kende die auto’s vroeger geen rubberstrippen, dus één topje tussen metaal is al voldoende om ‘au’  te zeggen.

Uit mijn benarde positie bevrijd, zag ik een bebloede vinger. Ik liep snel naar huis om hulp te zoeken bij mijn moeder. Die had gelukkig verstand van EHBO. Hou de vinger maar onder de pomp,zei ze, waarna ze met verve de zwengel hanteerde om het bloed weg te spoelen. Mensen die geen pomp gekend hebben, weten niet wat je er allemaal mee kunt doen.

Hae zit er noch aan

Volgens mijn moeder heb ik toen geroepen: “Hae zit er noch aan”. Met ‘Hae’ zal ik wel de vingertop bedoeld hebben, dat de vinger er nog aan zat, was duidelijk. Gelukkig was er niets aan het botje. Alleen het vlees van de top was gespleten en hing er een beetje bij. Mijn moeder drukte dat een beetje op zijn plaats, een verband erom heen en klaar  is Kees. Geen ontsmetting, geen hechting, geen dokter, de natuur i.c. het lichaam moet zijn werk doen. En toen had ik nog niet eens een antitetanus-prik gehad.

Maar ja, het is allemaal goedgekomen. Ik heb er alleen een litteken aan overgehouden, dat ik met genoegen koester. Hoe ouder het litteken, hoe mooier de herinnering. Het herinnert me aan mijn jeugdjaren, aan mijn eerste harde levenservaringen met gemotoriseerd verkeer, klunzen en waterpompen.

Moraal 2: Blijf uit de buurt van klunzen.

Dialect (6)

4 jun

Nering in het dorp Obbeeg (Obbicht)

Winkels in de Maasstraat

Bie de Beut

Er waren maar een paar winkels in de Maasstraat. In mijn gezichtsveld drie. De straat liep parallel aan de Maas, vandaar de naam Maasstraat. Weinig origineel dus. Ik neem aan dat de straat, van een zuidelijke in een noordelijke richting liep. De meest zuidelijke winkel was ‘bie de Beut’. Waarschijnlijk heette die mensen Beuten. Het was een Belgische familie. (Op internet achterhaald, dat een zekere Beuten uit Obbicht in 1910 van Belg tot Nederlander was genaturaliseerd. Hij werd kennelijk nog steeds als Belg beschouwd).
De winkel was in een gewoon huis en een beetje onbestemd. Zij verkochten ook vis, want ik moest er wel eens haringen halen.

Bie Betje 

Noordelijker volgde de winkel ‘bie Betje ‘.  Ik noem het maar zo, zeker ben ik er niet van. Het was wel een echte winkel, een kruidenierswinkel. Belangrijk was, dat ze ook snoep verkochten en de winkel was vlak naast onze deur. Sluitingstijden waren er toen niet, dus je kon elk moment van de dag nog iets kopen. Ze deden gewoon open.
Wanneer onze moeder in een royale bui was , dat deed zich gelukkig vaak voor. dat mocht ik voor mijn zusje en voor mezelf snoep kopen. Mijn zusje was kennelijk nog te klein, zij mocht niet mee. Zij moest dus genoegen nemen met mijn voorkeur. Meestal zocht ik iets zachts uit.
Als ik met de snoep bij mijn zusje arriveerde, knabbelde ik aan een snoepje en gaf het haar dan met de geruststellende woorden: “Hie, Lucieke”.  Dat ging een tijdje goed. Maar toen ze groter werd, bemerkte ze het en zette een keel op. Dat attendeerde mijn moeder en die greep onmiddellijk in. Ruilen met die snoepjes. Het spelletje was uit. Ik was door de mand gevallen en werd voortaan in de gaten gehouden. Later werd: “Hie, Lucieke” een gevleugeld woord voor misleiding.

Bie Pijpje Drop

Nog noordelijker was de winkel van Pijpje Drop. Nou ja winkel. Het was meer een handel in petroleum, een olieman dus. Pijpje Drop, was een bijnaam uiteraard. Hoe de mensen precies heetten, weet ik niet meer. Waar de bijnaam vandaan kwam, kon ik mij ook niet meer zo goed herinneren. Op het gevaar af van racisme te worden beschuldigd, moet ik het omschrijven, dat er op het huis een reclameplaat was bevestigd, waarop iemand met een afwijkende kleur petroleum aanbeval. Tot zover mijn geheugen.
Dat ik er niet zover naast zat, daar kwam ik achter via research op internet. Pijpje Drop was een stripfiguur, uitgevonden door P. Koenen. De strip werd gepubliceerd in de Automaat, een weekblad voor de olieman.

dialect

Pijpje Drop, de olieman

Pijpje Drop bracht de petroleum rond met een kar. Er was nog niet zo lang elektrisch licht in het dorp. Voor die tijd was petroleum nodig geweest voor de verlichting via een petroleumlamp. Een noodzakelijke grondstof dus. Soms hadden de mensen een petroleumbrander, waarop werd gekookt, of misschien wel voor verwarming. Het hele huis stonk dan wel naar petroleum. Petroleum was voor Pijpje Drop dus een aflopende zaak.

Maar hij was ook bakker. Geen broodbakker van professie, maar hij bakte vlaaien af, die door de mensen werden aangeleverd. Vooral voor de feestdagen zag je vrouwen lopen op weg naar Pijpje Drop met rekken met vlaaien. Je moest wel zorgen voor een naam of een ander kenteken op de vlaai, anders kreeg  je ze niet terug.
Het hele bakkersgedeelte stond vol met vlaaien. Hij zette ze overal neer, vooral de vloer was er mee gevuld. Hij kon immers alleen bakken, als hij de oven voldoende had opgestookt,

Het verhaal gaat, dat hij wel eens in een vlaai trapte. Hij fatsoeneerde de vlaai dan een beetje en bakte ze verder af. Als de mensen reclameerden, dan vertelde hij dat de vulling er tijdens het bakken af was gesprongen. Hij was niet voor een ‘pijpje’ te vangen.

Ik weet het niet meer zo goed, maar volgens mij had Pijpje Drop een hond voor de kar. Zeker geen paard en hijzelf stond er ook niet voor.

Pierre Swillens

p.s. Ik vind het jammer zijn naam te hebben vergeten. Hij had zeker kinderen, waaronder jongens. Toch bij gelegenheid mijn zus vragen, wat zij zich er nog van herinnert.

Dialect (5)

2 jun

E stök in de vaan

Mei op het dak

Maasstraat

We woonden in Obbeeg (Obbicht) aan de Maasstraat. Het huisnummer ben ik vergeten. Misschien hadden we wel geen huisnummer, want het huisje stelde niet veel voor. Later verhuisden we naar de Beekstraat. Dat huis was pas gebouwd, dus toen hadden we pas een mooi huis. Maar daarover later meer. Eerst over de Maasstraat.

Brand

Aan de overkant van de straat stond ook een oud huisje. Op zekere dag was het er niet meer. Afgebrand tot op de fundering. Dat moet kennelijk ’s nachts zijn gebeurd, terwijl wij sliepen.
Ik was toen nog steeds vier jaar. Opmerkelijk hoe lang je vier jaar blijft, kennelijk begin je dan je eerste levensverhalen te onthouden.
Zo kan ik mij levendig herinneren, dat de buurvrouw van het afgebrande huis mij de resten liet zien. Veel van waarde was er niet meer te zien. Slechts wat stenen en geblakerd hout. Tussen de stenen lag een blikken speelgoedautootje met veel rode kleuren. Dat had kennelijk de vlammen overleefd. Ik vroeg of ik het mocht hebben. Dat mocht niet, het moest blijven liggen, want er kwam nog iemand van de verzekering.

Nieuwbouw

Kennelijk heeft dat autootje bijgedragen aan de te vergoeden schade, want het gedupeerde echtpaar bouwde een nieuw blok van twee woningen.
Bij het bouwen van nieuwe huizen was het toen de gewoonte, dat het bereiken van het hoogste punt, meestal de nok van het dak, werd gevierd. De ‘mei’ werd dan op het huis gezet. Meestal een armzalig dennenboompje met wat vlaggetjes. Belangrijker was dat de bouwheer de bouwvakkers en de buurt moest trakteren. De traktatie bestond dan uit bier, waar zich voornamelijk de mannen tegoed aan deden. De bouwheer stelde daartoe een aantal kratten bier ter beschikking.

Foto

Ik weet zeker dat het gebeurd is, want ik heb er later een oude foto van gezien. Stel je voor, meer dan tachtig jaar geleden. Wat zou ik die foto nog eens graag willen zien. Het was een mooie zomerse dag. De mannen zaten allemaal met hun rug tegen ons huis in de zon. Allemaal een fles bier in de hand. Mijn vader stond er ook op, hij was per slot van rekening de overbuurman. Ik zat met mijn rug tegen de muur, naast de mannen. Het moet een van de eerste foto’s van mij geweest zijn.

Kletskes

Zoals gezegd, hadden de mannen allemaal een fles bier in de hand.  Wij (misschien waren er nog een paar jongens uit de buurt aanwezig) maakten ons nuttig door de lege flessen op te halen om ze in de kratten te deponeren. Voor alle zekerheid controleerden wij of er geen ‘kletskes’ in de flessen waren overgebleven.
Toen de mannen ontdekten wat we deden, lieten ze met opzet resten bier in de flessen zitten. Het werd steeds meer. Binnen de kortste keer waren we teut, “e stök in de vaan” dus. Ik kan hierbij alleen voor mezelf praten, hoe het de andere jongens verging, weet ik niet. Misschien was ik wel de fanatiekste drinker.

Op de platte wagen

De mannen raakten ook aangeschoten en toen de flessen bier op waren, werd besloten om een kroegentocht door het dorp te maken. Zij maakten hiertoe gebruik van een platte wagen, die bij de bouw gebruikt werd voor het vervoer van bouwmaterialen. Ik neem aan, dat er een paard voorstond. Ikzelf had ook schik in het avontuur en op de platte wagen plaatsgenomen. Of de mannen mij in de café´s bier hebben gevoerd, weet ik niet. Ik denk haast van wel.

Tam-tam

Het moet ertoe geleid hebben, dat mijn moeder werd gewaarschuwd. Zij kwam mij in een der cafés ophalen. Zij heeft mij naar huis moeten dragen, want lopen was er niet meer bij.
Gelukkig begreep zij mijn ‘onvrijwillige’ situatie, waarin ik terecht was gekomen. Ik was immers ‘zat’ gevoerd, zij het met medewerking mijnerzijds. Vaag herinner ik mij de ‘euforie’, waarin ik verkeerde. Volgens mijn moeder zong ik doorlopend: “Die mösch, die mösch, die zit bie os mooder op de dösch”. Aangezien ik de rest van het liedje niet kende, herhaalde ik telkens de eerste regel.

Ik denk dat ik na de euforie, wel last heb gehad van een kater. Ik weet  het niet, ik was in ieder geval uitgeteld.
Later kon ik met trots vertellen, dat ik met vier jaar al een stuk in de kraag had, nou ja kraagje dan.

Pierre Swillens