Tag Archives: obbeeg

Lagere school (1)

7 jun

Voor het eerst naar de lagere school

Gedaan met de vrijheid

Onbezorgde jeugd

Ik behoorde nog tot de gelukkigen, die eerst in het zesde levensjaar naar de lagere school moesten. Niks geen kleuterschool, wat een vrijheid. Al die jaren spelen in de open lucht, ’s zomers in de uiterwaarden van de Maas. Wat een tijd om de wereld te ontdekken, en wat voor een variatie aan mensen en dieren je had. Ik heb reeds eerder geschreven, dat ik in mijn herinnering heel lang vier jaar ben gebleven. Hier en daar een dissonant, maar toch.

Voorbereiding op school

Ik werd op de lagere school voorbereid door jongens uit de straat, die reeds op de lagere school zaten. Ze probeerden me zoveel mogelijk angst in te praten. Wat ik op de school allemaal te verwachten had. Van de andere kant was ik benieuwd naar wat er op zo’n school gebeurde. Vooral het vooruitzicht, dat het een gemengde school zou zijn, sprak me aan. Een meisjesschool was er nog niet in het dorp, die werd nog gebouwd.

Kennismaking met de school

Achteraf viel het mee. Je wende aan de discipline. De onderwijzeressen, de helft van de klas bestond uit meisjes, waren aardig. Je herinnert je weinig van je medescholieren. Een meisje, dat wel eens epileptische aanvallen had, een jongen die analfabeet bleef, een jongen, die alles opzoog, wat er verteld werd. Die jongen was ik. Ik had een ruime fantasie, daarmee creëerde ik een fantasiewereld. Ik wist alles van dierentuinen, terwijl ik er nog nooit een had gezien.

Wilde dieren 

Toen een onderwijzer vroeg: “Wie heeft er wel eens een wild dier gezien?”, toen stak ik als enige mijn vinger op. Ik had immers al dierentuinen gezien. “Wat voor een dier” zei hij. “Een leeuw, meester” was mijn glashard antwoord. “Wat voor een kleur had dat dier dan”, zei de meester. “Geel meester” zei ik, voor geen gat gevangen. Hij leek niet erg overtuigd. Als ik “blauw” had gezegd, was het duidelijker voor hem geweest.

Mejuffrouw Knops

De eerste onderwijzeres heette mejuffrouw Knops. Mevrouw mochten ze immers niet zijn. Mejuffrouw Knops was dochter van een grote boer uit het dorp. Ze was een beetje preuts, ofschoon ik dat toen nog niet wist. Ik kan mij herinneren, dat ze een keer zei:”Ik moet even weg, maar jullie mogen niet kijken”. Onze klas lag aan de speelplaats en aan de overkant van de speelplaats waren wc’s. Voor mij lag het voor de hand, dat ze daar naar toe moest. Wij mochten immers niet kijken.
Ik wachtte even tot ze de speelplaats was overgestoken en toen keek ik over het geblindeerde gedeelte van het raam. Ik zat in een gunstige positie, ik had al een plaats aan het raam. Ik kwam er met mijn hoofd net boven uit. Ze moet me gezien hebben. Toen ze de wc-deur openmaakte, keek ze nog even om, of er niemand keek. Wellicht heeft ze wel de hele tijd omgekeken, terwijl ze de speelplaats overstak. Misschien mochten wij niet weten, dat juffrouwen ook gewone mensen waren, die ook wel eens naar de wc moesten.
Het liep met een sisser af, zowel op de wc als in de klas.

Buil  aan het hoofd

Ik kan mij herinneren, in de eerste jaren, dat we speeltijd hadden, een kwartier misschien. Dan deden we bokspringen tegen de muur en andere spelletjes. Een van die spelletjes was, hard de speelplaats oversteken zonder getikt te worden. Ik was hierbij een snelle jongen, die weinig getikt werd.
Een keer ging het mis. Ik was bijna bij de muur, zeg op drie meter, toen ik door de tikker op mijn hakken werd getrapt. In volle vaart werd ik gelanceerd. Ik had geen tijd meer om mijn handen vooruit te steken, dus ik kwam met mijn hoofd tegen de muur tot stilstand. Die gaf niet mee.. Je verbaast je, wat een kind kan hebben. Ik was even versuft en kreeg een buil als een ei aan mijn hoofd. Gelukkig was de onderkant van de muur gecementeerd, dus het bleef bij een buil. De speeltijd was afgelopen en ik moest weer in de klas. Niemand zei iets, of vroeg iets.

Mejuffrouw Vencken

Bij het tweede schooljaar was er een andere juffrouw. Juffrouw Vencken, ook al een boerendochter uit het dorp. Wij waren inmiddels verhuisd naar de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) en daar woonde zij ook. Intussen had ik ook een nieuwe fiets gekregen, ditmaal een echter kinderfiets. Het kinderfietsje ging naar mijn zus en die haalde er dezelfde Strapatsen mee uit, zoals ik had gedaan. Ze lag voortdurend met fiets en al in de Kingbeek, die langs de Beekstraat liep. Als dat fietsje had kunnen praten.

Fietsafspraak

Mejuffrouw Vencken had mij wel eens gezien met die nieuwe fiets. Zij sprak met mij af, dat ze Zaterdagmiddag met mij zou gaan fietsen. Ik heb de hele Zaterdagmiddag met mijn fiets zitten te wachten. Zij kwam echter niet opdagen. Misschien was zij het helemaal vergeten, of had ze zich bedacht. Ik heb er nooit een verklaring over gehad.

Ontmoeting 

Ik heb juffrouw Vencken nog eens ontmoet, toen was ze al bejaard. Wij waren op bezoek bij een zwager van mijn vrouw in het ziekenhuis te Sittard. Op dezelfde kamer lag de man van inmiddels mevrouw Spee. Zij herkende mij niet. Zij had zoveel kinderen in de klas gehad. Bovendien had ze emplooi gevonden in de nieuwe meisjesschool. Van de fietsafspraak kon ze zich niets herinneren.

Ik heb nog heel lang gefantaseerd, wat er tijdens dat fietsen allemaal had kunnen gebeuren.

Pierre Swillens

Dialect (7)

5 jun

Auto’s wat zijn dat voor dingen

Niet bumper kleven, maar bumper hangen

Bumper hangen

In de jaren dertig van de vorige eeuw waren auto”s nog niet gewoon in het straatbeeld. Een auto in de Maasstraat in Obbeeg (Obbicht) had dan ook veel bekijks. Zowel mijn zusje als ik hadden er minder prettige ervaringen mee. Laat ik met mijn zusje beginnen.
In mijn vorige ‘Post’ vertelde ik over ‘bie Betje’ , de kruidenierswinkel bij ons naast de deur. Eenmaal per week kwam er een vertegenwoordiger om bestellingen op te nemen, dan wel af te leveren. Hij bediende zich hierbij van een luxeauto met enorme verchroomde bumpers. Het leek iets op een T-Ford. Wij, jongens en meisjes uit de buurt, hadden de sport ontwikkeld van ‘bumper hangen’. Dit hield in dat, wanneer de auto wegreed, je zolang mogelijk meeliep, vasthoudend aan de bumper. Het was dan zaak deze op tijd los te laten. Zo’n auto kwam door schakelen langzaam op gang, dus je kon wel een eind meelopen.

Ik heb reeds eerder gezegd, dat mijn zus 14 maanden jonger is. Op een gegeven moment dacht zij ook mee te kunnen doen. Toen wij allemaal los hadden gelaten, hing zij nog aan de auto. Als het een wedstrijd was geweest, wie het langst vasthield, dan had zij gewonnen. Ik denk dat ze door paniek niet los durfde te laten, dus stuiterde ze een eind mee. De chauffeur had niets in de gaten, die dacht ze laten wel los. Omstanders schreeuwden het uit. Ik weet niet hoever mijn zus is meegesleurd. Ik schat wel tussen de 50 tot 100 meter. Ik denk dat ze uiteindelijk wel los heeft moeten laten. Uiteraard had ze kapotte kousen, afgesleten schoenen en geschaafde knieën. Dit laatste deed het meest pijn.

Daar het niet mijn lijf was, heb ik het genezingsproces niet gevolgd.

Moraal 1: Begin niet aan iets, waarin je niet goed bent.

Vrachtwagen in de buurt

Ongeveer in dezelfde tijd moet ik een ervaring hebben gehad met een vrachtwagen. De vrachtwagen stond bij ons thuis aan de overkant van de straat. Mogelijk had hij iets te maken met de bouw van het huizenblok, waar ik reeds eerder over vertelde. Het was in ieder geval een mooie zomerse dag. De chauffeur had het raam open naast zijn bestuurdersstoel   en liet bovendien de deur open staan. Dat gaf ons, een aantal klunzen uit de buurt en ik, de kans om een blik te werpen in de cabine van een vrachtwagen. Nu stond er reeds een kluns in de openstaande deur te kijken. Om ook iets te zien, stapte ik op de treeplank en hield mij aan de achterzijde van de deur vast. Zo kon ik door het geopende raam mijn observaties doen. Dat duurde echter niet lang.
De kluns in de deur had genoeg gezien en sloeg met een klap de deur dicht. Jammer genoeg, had ik mijn vingers daar nog tussen. Gealarmeerd door mijn oerkreet zal hij de deur wel open gemaakt hebben. Maar dat duurt even bij niet-schakelende klunzen.

Als je de anatomie van een hand bekijkt, dan hebben de meeste mensen een langere middelvinger. Die wordt wel eens gebruikt door als teken van goedkeuring op te steken. Dat die middelvinger langer is, was mijn geluk. Alleen het topje van de middelvinger zat tussen de deur en de sponning. Alle andere vingers ontsprongen de dans. Nu kende die auto’s vroeger geen rubberstrippen, dus één topje tussen metaal is al voldoende om ‘au’  te zeggen.

Uit mijn benarde positie bevrijd, zag ik een bebloede vinger. Ik liep snel naar huis om hulp te zoeken bij mijn moeder. Die had gelukkig verstand van EHBO. Hou de vinger maar onder de pomp,zei ze, waarna ze met verve de zwengel hanteerde om het bloed weg te spoelen. Mensen die geen pomp gekend hebben, weten niet wat je er allemaal mee kunt doen.

Hae zit er noch aan

Volgens mijn moeder heb ik toen geroepen: “Hae zit er noch aan”. Met ‘Hae’ zal ik wel de vingertop bedoeld hebben, dat de vinger er nog aan zat, was duidelijk. Gelukkig was er niets aan het botje. Alleen het vlees van de top was gespleten en hing er een beetje bij. Mijn moeder drukte dat een beetje op zijn plaats, een verband erom heen en klaar  is Kees. Geen ontsmetting, geen hechting, geen dokter, de natuur i.c. het lichaam moet zijn werk doen. En toen had ik nog niet eens een antitetanus-prik gehad.

Maar ja, het is allemaal goedgekomen. Ik heb er alleen een litteken aan overgehouden, dat ik met genoegen koester. Hoe ouder het litteken, hoe mooier de herinnering. Het herinnert me aan mijn jeugdjaren, aan mijn eerste harde levenservaringen met gemotoriseerd verkeer, klunzen en waterpompen.

Moraal 2: Blijf uit de buurt van klunzen.

Dialect (6)

4 jun

Nering in het dorp Obbeeg (Obbicht)

Winkels in de Maasstraat

Bie de Beut

Er waren maar een paar winkels in de Maasstraat. In mijn gezichtsveld drie. De straat liep parallel aan de Maas, vandaar de naam Maasstraat. Weinig origineel dus. Ik neem aan dat de straat, van een zuidelijke in een noordelijke richting liep. De meest zuidelijke winkel was ‘bie de Beut’. Waarschijnlijk heette die mensen Beuten. Het was een Belgische familie. (Op internet achterhaald, dat een zekere Beuten uit Obbicht in 1910 van Belg tot Nederlander was genaturaliseerd. Hij werd kennelijk nog steeds als Belg beschouwd).
De winkel was in een gewoon huis en een beetje onbestemd. Zij verkochten ook vis, want ik moest er wel eens haringen halen.

Bie Betje 

Noordelijker volgde de winkel ‘bie Betje ‘.  Ik noem het maar zo, zeker ben ik er niet van. Het was wel een echte winkel, een kruidenierswinkel. Belangrijk was, dat ze ook snoep verkochten en de winkel was vlak naast onze deur. Sluitingstijden waren er toen niet, dus je kon elk moment van de dag nog iets kopen. Ze deden gewoon open.
Wanneer onze moeder in een royale bui was , dat deed zich gelukkig vaak voor. dat mocht ik voor mijn zusje en voor mezelf snoep kopen. Mijn zusje was kennelijk nog te klein, zij mocht niet mee. Zij moest dus genoegen nemen met mijn voorkeur. Meestal zocht ik iets zachts uit.
Als ik met de snoep bij mijn zusje arriveerde, knabbelde ik aan een snoepje en gaf het haar dan met de geruststellende woorden: “Hie, Lucieke”.  Dat ging een tijdje goed. Maar toen ze groter werd, bemerkte ze het en zette een keel op. Dat attendeerde mijn moeder en die greep onmiddellijk in. Ruilen met die snoepjes. Het spelletje was uit. Ik was door de mand gevallen en werd voortaan in de gaten gehouden. Later werd: “Hie, Lucieke” een gevleugeld woord voor misleiding.

Bie Pijpje Drop

Nog noordelijker was de winkel van Pijpje Drop. Nou ja winkel. Het was meer een handel in petroleum, een olieman dus. Pijpje Drop, was een bijnaam uiteraard. Hoe de mensen precies heetten, weet ik niet meer. Waar de bijnaam vandaan kwam, kon ik mij ook niet meer zo goed herinneren. Op het gevaar af van racisme te worden beschuldigd, moet ik het omschrijven, dat er op het huis een reclameplaat was bevestigd, waarop iemand met een afwijkende kleur petroleum aanbeval. Tot zover mijn geheugen.
Dat ik er niet zover naast zat, daar kwam ik achter via research op internet. Pijpje Drop was een stripfiguur, uitgevonden door P. Koenen. De strip werd gepubliceerd in de Automaat, een weekblad voor de olieman.

dialect

Pijpje Drop, de olieman

Pijpje Drop bracht de petroleum rond met een kar. Er was nog niet zo lang elektrisch licht in het dorp. Voor die tijd was petroleum nodig geweest voor de verlichting via een petroleumlamp. Een noodzakelijke grondstof dus. Soms hadden de mensen een petroleumbrander, waarop werd gekookt, of misschien wel voor verwarming. Het hele huis stonk dan wel naar petroleum. Petroleum was voor Pijpje Drop dus een aflopende zaak.

Maar hij was ook bakker. Geen broodbakker van professie, maar hij bakte vlaaien af, die door de mensen werden aangeleverd. Vooral voor de feestdagen zag je vrouwen lopen op weg naar Pijpje Drop met rekken met vlaaien. Je moest wel zorgen voor een naam of een ander kenteken op de vlaai, anders kreeg  je ze niet terug.
Het hele bakkersgedeelte stond vol met vlaaien. Hij zette ze overal neer, vooral de vloer was er mee gevuld. Hij kon immers alleen bakken, als hij de oven voldoende had opgestookt,

Het verhaal gaat, dat hij wel eens in een vlaai trapte. Hij fatsoeneerde de vlaai dan een beetje en bakte ze verder af. Als de mensen reclameerden, dan vertelde hij dat de vulling er tijdens het bakken af was gesprongen. Hij was niet voor een ‘pijpje’ te vangen.

Ik weet het niet meer zo goed, maar volgens mij had Pijpje Drop een hond voor de kar. Zeker geen paard en hijzelf stond er ook niet voor.

Pierre Swillens

p.s. Ik vind het jammer zijn naam te hebben vergeten. Hij had zeker kinderen, waaronder jongens. Toch bij gelegenheid mijn zus vragen, wat zij zich er nog van herinnert.

Dialect (5)

2 jun

E stök in de vaan

Mei op het dak

Maasstraat

We woonden in Obbeeg (Obbicht) aan de Maasstraat. Het huisnummer ben ik vergeten. Misschien hadden we wel geen huisnummer, want het huisje stelde niet veel voor. Later verhuisden we naar de Beekstraat. Dat huis was pas gebouwd, dus toen hadden we pas een mooi huis. Maar daarover later meer. Eerst over de Maasstraat.

Brand

Aan de overkant van de straat stond ook een oud huisje. Op zekere dag was het er niet meer. Afgebrand tot op de fundering. Dat moet kennelijk ’s nachts zijn gebeurd, terwijl wij sliepen.
Ik was toen nog steeds vier jaar. Opmerkelijk hoe lang je vier jaar blijft, kennelijk begin je dan je eerste levensverhalen te onthouden.
Zo kan ik mij levendig herinneren, dat de buurvrouw van het afgebrande huis mij de resten liet zien. Veel van waarde was er niet meer te zien. Slechts wat stenen en geblakerd hout. Tussen de stenen lag een blikken speelgoedautootje met veel rode kleuren. Dat had kennelijk de vlammen overleefd. Ik vroeg of ik het mocht hebben. Dat mocht niet, het moest blijven liggen, want er kwam nog iemand van de verzekering.

Nieuwbouw

Kennelijk heeft dat autootje bijgedragen aan de te vergoeden schade, want het gedupeerde echtpaar bouwde een nieuw blok van twee woningen.
Bij het bouwen van nieuwe huizen was het toen de gewoonte, dat het bereiken van het hoogste punt, meestal de nok van het dak, werd gevierd. De ‘mei’ werd dan op het huis gezet. Meestal een armzalig dennenboompje met wat vlaggetjes. Belangrijker was dat de bouwheer de bouwvakkers en de buurt moest trakteren. De traktatie bestond dan uit bier, waar zich voornamelijk de mannen tegoed aan deden. De bouwheer stelde daartoe een aantal kratten bier ter beschikking.

Foto

Ik weet zeker dat het gebeurd is, want ik heb er later een oude foto van gezien. Stel je voor, meer dan tachtig jaar geleden. Wat zou ik die foto nog eens graag willen zien. Het was een mooie zomerse dag. De mannen zaten allemaal met hun rug tegen ons huis in de zon. Allemaal een fles bier in de hand. Mijn vader stond er ook op, hij was per slot van rekening de overbuurman. Ik zat met mijn rug tegen de muur, naast de mannen. Het moet een van de eerste foto’s van mij geweest zijn.

Kletskes

Zoals gezegd, hadden de mannen allemaal een fles bier in de hand.  Wij (misschien waren er nog een paar jongens uit de buurt aanwezig) maakten ons nuttig door de lege flessen op te halen om ze in de kratten te deponeren. Voor alle zekerheid controleerden wij of er geen ‘kletskes’ in de flessen waren overgebleven.
Toen de mannen ontdekten wat we deden, lieten ze met opzet resten bier in de flessen zitten. Het werd steeds meer. Binnen de kortste keer waren we teut, “e stök in de vaan” dus. Ik kan hierbij alleen voor mezelf praten, hoe het de andere jongens verging, weet ik niet. Misschien was ik wel de fanatiekste drinker.

Op de platte wagen

De mannen raakten ook aangeschoten en toen de flessen bier op waren, werd besloten om een kroegentocht door het dorp te maken. Zij maakten hiertoe gebruik van een platte wagen, die bij de bouw gebruikt werd voor het vervoer van bouwmaterialen. Ik neem aan, dat er een paard voorstond. Ikzelf had ook schik in het avontuur en op de platte wagen plaatsgenomen. Of de mannen mij in de café´s bier hebben gevoerd, weet ik niet. Ik denk haast van wel.

Tam-tam

Het moet ertoe geleid hebben, dat mijn moeder werd gewaarschuwd. Zij kwam mij in een der cafés ophalen. Zij heeft mij naar huis moeten dragen, want lopen was er niet meer bij.
Gelukkig begreep zij mijn ‘onvrijwillige’ situatie, waarin ik terecht was gekomen. Ik was immers ‘zat’ gevoerd, zij het met medewerking mijnerzijds. Vaag herinner ik mij de ‘euforie’, waarin ik verkeerde. Volgens mijn moeder zong ik doorlopend: “Die mösch, die mösch, die zit bie os mooder op de dösch”. Aangezien ik de rest van het liedje niet kende, herhaalde ik telkens de eerste regel.

Ik denk dat ik na de euforie, wel last heb gehad van een kater. Ik weet  het niet, ik was in ieder geval uitgeteld.
Later kon ik met trots vertellen, dat ik met vier jaar al een stuk in de kraag had, nou ja kraagje dan.

Pierre Swillens

Sinterklaas (2)

1 jun

Een echte doortrapper

Niet altijd verliepen Sinterklaas-optredens zo desastreus. De beste momenten waren altijd als er geen Sinterklaas in de buurt was. Op Sinterklaasdag (6 december) bijvoorbeeld. Wij hadden geen ‘pakjesavond’ (5 december). Dan kon je Sinterklaas of die Zwarte Piet nog verwachten. Neen, wij hadden Sinterklaasdag, dan had Sinterklaas ‘gereje’ en had snoep en cadeaus achtergelaten en een enkele wortel meegenomen.

De fiets

Ik herinner me een bijzondere Sinterklaasdag. Ik was toen 5 jaar, neem ik aan. Op 6 december werden mijn zus en ik ’s morgens uit bed gehaald, want Sinterklaas had inderdaad ‘gereje’. We hadden geen paard gehoord, maar we geloofden het wel. De wortel was immers weg.
Toen we in de woonkamer annex keuken kwamen, zag ik het cadeau al. Het was nog donker in de kamer, maar ik zag een rood reflecterend achterlichtje. Tegen de tafelpoot stond een fietsje. Het fietsje kwam niet boven het tafelblad uit, maar het was toch maar een fiets.

Samenstelling van de fiets

Het fietsje bestond uit een frame, een stuur, een zadel, twee wielen en twee trappers. Net voldoende om te fietsen dus. Geen verlichting, fiets was immers voor overdag. Geen kettingkast, voor een berijder in korte broek geen bezwaar. Geen jasbeschermers, een mooi-weer fiets dus. Geen bagagedrager, duopassagiers niet toegestaan, maar ook geen remmen. Het was een doortrapper. Als de wielen rondgingen, gingen ook de pedalen rond. Ik weet niet meer, hoe we met het ding stopten. Ik veronderstel dat dit enige behendigheid vereiste. Die was in het begin uiteraard niet voorhanden.

Rijles

Ik kon natuurlijk niet wachten om het fietsje te proberen. Maar dan moest mijn vader mij behulpzaam zijn. Hij begon met de fiets vast te houden, een soort evenwichtsoefening dus. Daarna werd je voorzichtig in een voorwaartse richting gestuurd. En toen kwam probleem 1. Het was een doortrapper en ik raakte voortdurend de trappers kwijt. Terugvinden van de trappers was dan moeilijk. Mijn vader was inventief. Dan binden we zijn voeten vast op de pedalen. Inmaakringen bleken hiertoe een goed middel te zijn. Zolang mijn vader de fiets vasthield, was dat geen probleem.

Op eigen kracht

Na enkele dagen oefenen, kreeg ik al toestemming op eigen kracht te rijden. Vastgebonden dat wel. Mijn vader liep zich zijn poten onder zijn gat vandaan.Een beetje oneerbiedig gezegd, want mijn vader had geen ‘poten’, maar benen en hij had ook geen ‘gat’, maar ‘é look’. Vandaar het gezegde: “doe höbs é look in de bóks”.

Gevaar dreigt

Ik legde steeds grotere afstanden af en mijn vader hield mij niet meer bij. Die dacht: ‘God zegen de greep’ en die kwam al heel snel.God heb ik niet gezien, maar de greep wel. Ik was driftig aan het fietsen en toen zag ik in de verte een autobus naderen. Ik had nog geen tegenligger gehad. Ik raakte dus in paniek. Ik zat nog steeds vastgebonden op de trappers. Mijn eerste gedachte was: ‘Hoe kom ik stil’. Stoppen en omvallen voor de autobus leek mij geen goede gedachte. Plaats voor een autobus en mijn fietsje zag ik ook niet. De redding diende zich aan, vandaar die greep. Toentertijd was het elektriciteitsnet nog boven de grond en op vaste afstanden stonden houten palen langs de weg. Ik besloot zo’n paal als rem te gebruiken door hem met beide armen te omarmen. De fiets was nog aan mij bevestigd, dus dat was geen probleem. De autobus passeerde mij met gemak. Er zal iemand geweest zijn, die mij uit mijn benarde positie heeft gered.

Bochtenwerk

Gelukkig bleef ik niet vastgebonden. Keren in de straat was echter nog moeilijk en menigmaal belandde ik in een heg. Je hoorde aan de andere kant de kippen kakelend wegstuiven, die werden gestoord in hun siësta.
Nog een voorval wil ik jullie niet onthouden. Allengs verlengde ik mijn werkterrein tot verkenningen in het dorp, Obbeeg (Obbicht) dus. Men had mij op het hart gedrukt zoveel mogelijk rechts te rijden. Ik wist echter niet of dit ook gold voor bochten. Voor mij pleit, dat het uitzicht in de bocht, die zich aankondigde, door begroeiing belemmerd was. Tegen mij pleit, dat ik besloot om hem uiterst links te nemen. Dat kwam mij duur te staan. Tegenliggers was ik nauwelijks gewend, maar nu diende zich er een aan, die besloten had om de bocht uiterst rechts te nemen. Een botsing was onvermijdelijk. Ik was sneller bij de grond, dan de mijnheer die mij tegemoet kwam.

Aan de verkaerde kendj fitse

Gelukkig was het een heer van stand. Hij had mij voor hetzelfde geld een vriendschappelijke ‘aai’ over mijn kop kunnen geven. Hij zei een beetje flegmatiek: ‘Jung, doe fits aan de verkaerde kéndj’. Hebt u het nog: ‘Aan de kéndj van het léndj ……’. Wij waren dus in Obbeeg.
Overigens vond ik zijn opmerking tamelijk overbodig. Tot die conclusie was ik ook al gekomen. Bovendien had ik nu pas geleerd, dat rechts houden ook gold voor bochten. Gelukkig mankeerde er niets aan de fietsen, aan die van mij kon niet veel kapot. Er waren ook geen verwondingen, dus er viel niets te claimen. Voorzichtig werd ik wel, ik ging rekening houden met tegenliggers en soms ook met dwarsliggers.

Moraal:
houdt altijd rechts, ook als de bocht naar links is.

Pierre Swillens

Dialect (1)

14 mei

Noonk Sjaak, de kapper

Jong, zègk ut noch ins

Noonk Sjaak
Familiegebeuren

Dit keer een verhaal uit mijn vroege kinderjaren. Ik ben geboren op 30 januari 1926 in Grevenbicht. Vlak na de watersnoodramp in december 1925. Bij mijn geboorte kreeg ik net geen natte voeten.
Mijn ouders moeten snel hierna zijn verhuisd naar Obbicht. Mijn herinneringen beginnen bij de uitstapjes van Obbicht naar Grevenbicht. Alle familie woonde nog in Grevenbicht, dus werd er vaak een bezoek gebracht aan de Tantes en Noonkes in Grevenbicht. Meestal gebeurde dat te voet. Ik kan mij herinneren, dat ik dat niet leuk vond.  Weliswaar is de afstand Obbicht – Grevenbicht hemelsbreed 1,5 km. maar voor mijn korte beentjes was dat een crime. Laat ik in die tijd 5 jaar geweest zijn.

Noonk Sjaak en Tant Lies

Gelukkig was vaak het bestemmingsdoel Noonk Sjaak en Tant Lies, zwager en zuster van mijn moeder. Noonk Sjaak en Tant Lies waren alleraardigste mensen. Niet dat we (mijn zus en ik) er verwend werden, dat was er in die tijd niet bij. Als we geluk hadden, dan kregen we allebei een cent om een snoepje te kopen bij ‘Lemsje’ (veel inwoners van Grevenbicht hadden een bijnaam). Lemsje had een winkeltje in de buurt in een klein huisje, met uiteraard kleine ramen. Het kwam wel eens voor dat je buiten ontdekte, dat je toch iets anders had gekocht dan wat je binnen had gezien.

Noonk Sjaak als kapper

Waarom waren die bezoeken aan Noonk Sjaak en Tant Lies zo aantrekkelijk? Noonk Sjaak (Sjaakske bij de autochtonen) was een hardwerkende kapper. Hij had in zijn huis aan de voorzijde een herenkapsalon, aan de achterzijde een dameskapsalon. Hoe Noonk Sjaak dat zonder knecht of hulp klaarspeelde, is mij een raadsel. Vermoedelijk had hij vaste tijden voor de dames en heren afgesproken.
In de dameskapsalon kwam ik trouwens niet. Die was min of meer voor heren verboden. Ik herinner me, dat ik er een keer in verzeild was geraakt. Ik zag een mevrouw met krulspelden onder een grote wasemkap zitten. Men vertelde mij, dat dit wel even kon duren.

Fieneke

Noonk Sjaak en Tant Lies hadden de nodige kinderen. Een ervan was Fieneke, die wel met ons speelde. Ik schat dat Fieneke toen tien jaar was. Ik weet me te herinneren, dat ik haar vertelde, dat ik een nieuw liedje kende. Toentertijd was: Twee ogen zo blauw, zeer populair. Ik had er een variant van gehoord en die wilde ik Fieneke wel even voorzingen. Ik zong uit volle borst: Twee klote zo blauw. Dat leverde mij een reprimande op. “Foei, dat mag je niet zingen”, zei Fieneke (zij zei dat in dialect uiteraard).  Het waarom ontging me. Fieneke deed ook geen aanstalten om dat op te helderen. Waarschijnlijk was het te moeilijk voor haar om het verboden woord te omschrijven.

Het snorretje van Noonk Sjaak

Noonk Sjaak had een klein snorretje. Een blond en pluizig snorretje. Niet zo’n zwart snorretje, zoals we dat later in de geschiedenis zouden tegenkomen.
Wanneer Noonk Sjaak bezig was, dan mocht ik vrijelijk bij hem binnenlopen. De zaak zat dan vol klanten. Voor mij waren de scheerklanten het interessantste. Ik keek gebiologeerd naar het ritueel, dat Noonk Sjaak daarbij hanteerde. Bij elke klant begon hij met het slijpen van het scheermes. Hiervoor had hij een lang blok, bekleed met dik leer. Met lange halen haalde Noonk Sjaak het mes op en neer. Er op lettend, zich geen jaap in zijn vingers te snijden. Als het mes geslepen was, ging hij de klant inzepen. Royaal tot diens neusgaten dicht zaten. Met de doek, die de klant om had, verschafte Noonk Sjaak hem weer lucht.
Na het inzepen, ging Noonk Sjaak met het scheermes aan de slag.  Lange halen naar beneden en naar boven, afhankelijk van het gedeelte van het gezicht. Het spannendst was onder de neus. Met twee vingers van een hand wipte Noonk Sjaak de neus omhoog en haalde dan met de andere hand vakkundig het scheerschuim en de haren weg.
Het scheren kostte naar ik meen 15 cent. Als de klant meer te makken had, dan kreeg hij voor 5 cent een bad eau de toilette, of iets dergelijks, over zijn gezicht. Fris geschoren en met een luchtje maakte hij plaats voor de volgende klant.
Ik heb mij eens afgevraagd: Waar gingen die mannen dan naartoe. Als het in een stad was  geweest, gingen ze misschien rechtstreeks naar de dames van lichte zeden, maar in een dorp lag dat niet voor de hand.

Jong, zègk ut noch ins

Er werd wat afgekletst in die scheersalon. Wanneer Noonk Sjaak aan het scheren was, deed hij daar niet aan mee. Hij wilde voorkomen, dat hij de klant een jaap zou geven. Zou hij meteen een klant minder hebben. De klant hield ook wijselijk zijn mond en als Noonk Sjaak hem de neus dichtkneep, kon hij toch niets zeggen.
Als Noonk Sjaak een klant zijn haren knipte, dan werd hij vrolijker. Als ik weer eens in de salon was en als die behoorlijk vol zat, dan zei hij tegen mij: ”Jong, zègk ut noch ins”. Ik wist wat ik dan moest zeggen. Ik moest het zinnetje opdreunen: “Aan de kéndj van het léndj steit ein ménj mit zéndj” (Aan de kant van het land staat een mand met zand). Dit leidde tot een grote hilariteit onder de aanwezigen. Ook hier ontging mij het waarom. En ook hier vond Noonk Sjaak er geen aanleiding in om voor opheldering te zorgen. Dat moest ik verder maar zelf ontdekken.

Beegter variant

Later kwam ik er achter, dat de inwoners van Beeg (Grevenbicht) het zinnetje uitspraken als : “Aan de kandj van het landj steit ein manj mit zandj”. Een kwestie van een klankverschil. Misschien werd de spot met me gedreven vanwege mijn spraakgebrek, dan wel om mijn afwijkend dialect. Ik heb reeds eerder gememoreerd de afstand tussen Beeg en Obbeeg (Obbicht ) is hemelsbreed niet meer dan 1,5 km.

Heemkunde

Dat het zinnetje echt heeft bestaan, heb ik later ervaren. Waar ik het opgedaan had, weet ik niet. Een tijd geleden kwam ik het zinnetje in de Beegter variant tegen in een artikel in een boek aan de hand van Jean Knoors (heemkundevereniging Bicht). Dat hij de Beegter variant hanteerde verbaasde mij, want Jean Knoors is in 1939 in Nattenhoven geboren. Nattenhoven schurkt tegen Obbicht aan en ligt iets zuidelijker. Is de toepassing van de é in Obbicht een enclave in het dialect, zoals elk dorp een afwijkend dialect heeft, of komt het in meer zuidelijker gelegen dorpen dan Obbicht voor. Dat moet ik maar eens aan de heer Knoors vragen, die zal het beslist weten. De woorden in de Beegter variant heb ik overigens kunnen checken in een beschrijving van “t Beegs woordenboek.

Epiloog

Zo ziet u, kennelijk had ik toen al warme gevoelens voor verschillen in dialecten, zonder het te weten overigens. Ik was bovendien, als artist in spé, in staat om mijn gehoor te vermaken. Of ik werd door Noonk Sjaak misbruikt om de amusementswaarde in zijn salon te verhogen. Ik weet het niet.
Desondanks heb ik goede herinneringen aan Noonk Sjaak en Tant Lies, zaliger gedachtenis. En ook aan Fieneke, die nu een gezegende leeftijd heeft bereikt.

Maar het meest herinner ik mij het snorretje van Noonk Sjaak, een echt kappersnorretje, een keurmerk van zijn professie.

Pierre Swillens