Tag Archives: Market Garden

Willy Dols (deel 2)

11 feb

Een verwachting die niet in vervulling mocht gaan

Een tragisch einde aan een veelbelovende carrière

Inleiding

Lei Limpens schrijft in zijn biografie over Willy Dols in de eerste regel van zijn Inleiding: ‘Het leven van Willy Dols heeft iets van een Griekse tragedie gehad’. En daarmede zal hij zeker de laatste drie maanden van het leven van Willy Dols hebben bedoeld. In die drie maanden ging Willy Dols door noodlottige omstandigheden het einde van zijn leven tegemoet. Een einde aan zijn  veelbelovende carrière als taalkundige.

De oorlogssituatie in 1944

We schrijven eind augustus 1944. De geallieerde troepen rukken op in België en naderen Nederland. Willy Dols is intussen leraar Nederlandse Taal en Letteerkunde aan het Bisschoppelijk College te Sittard. De school waar hij vroeger had gestudeerd. De schoolleiding had de zomervakantie met veertien dagen verlengd met het oog op de onzekere oorlogssituatie.
Willy Dols is tevens bezig met de afronding van zijn proefschrift over de Sittardse diftongering. Hij wilde nog een inleiding schrijven en een hoofdstuk toevoegen.

Willy Dols krijgt van zijn broer Chrit, die dan bij de burgerlijke stand van de gemeente Sittard werkt, te horen, dat hij (Willy) op een lijst voorkomt van inwoners van Sittard, die door de Duitsers worden opgeroepen voor het het verrichten van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van verdedigingslinies voor de Duitse troepen in Zuid-Limburg.
Willy voelt hier niet veel voor. Hij werkt lievere aan zijn proefschrift. Daar hij toch nog vakantie heeft, adviseert zijn familie hem om af te reizen naar zijn zus Jeanny, die inmiddels in Arnhem woont. Daar kan hij dan in alle rust aan zijn proefschrift werken en bevindt hij zich in de nabijheid van de universiteitsbibliotheek van de R.K. Universiteit in Nijmegen. Willy vindt dit een goed idee en vertrekt op 30 augustus 1944 met de trein om te logeren bij zijn zus in Arnhem.

Hier begint de Griekse tragedie van Willy Dols. Als Willy aan de ‘Arbeitseinsatz’ had willen ontkomen, dan had hij in Sittard of de omgeving kunnen onderduiken. Dat had maar kort hoeven te duren, want op 17 september wordt Sittard door de geallieerden bevrijd.
Bovendien was Willy eerst van plan geweest om op 1 september naar zijn zus af te reizen. Op die dag wordt echter het station van Sittard door de geallieerden gebombardeerd en vertrekt er geen trein meer. Dus Willy Dols had op die dag mogelijk niet naar zijn zus in Arnhem kunnen afreizen.
Hoe dan ook, achteraf zou blijken, dat Willy Dols zijn ondergang tegemoet ging.

Operatie ‘Market Garden’

Terwijl Willy Dols bij zijn zus in Arnhem verblijft, beginnen de geallieerden op 17 september met de operatie  ‘Market Garden’ met behulp van luchtlandingstroepen en oprukkende troepen vanuit Noord-Brabant.  De operatie voltrok zich voornamelijk rond de steden Nijmegen en Arnhem met het doel om de belangrijkste bruggen in de handen te krijgen.
De oorlogssituatie rond Arnhem heeft tot gevolg, dat de inwoners van Arnhem moeten worden geëvacueerd en op 23 september verlaten Jeanny, haar man en Willy de stad Arnhem. Dezelfde avond ontmoeten ze de familie van Carel Beke, die eveneens de stad Arnhem is ontvlucht. Carel Beke is leraar aan een mulo (later zou  hij als schrijven van de kinderboekenreeks Pim Pandoer bekendheid krijgen). Carel Beke is vergezeld van zijn vrouw en vijf kinderen, maar hij is tevens ziek. Om die reden vraagt Willy Dols aan de vrouw van Carel Beke of hij haar met de vijf kinderen kan helpen.

Bezorgd als hij is, besluit hij om zich bij dit gezin aan te sluiten en verlaat hij zijn zus en zwager. Ook hier treedt weer iets op als in een Griekse tragedie. Door dit besluit gaat Willy, ofschoon hij dat natuurlijk niet weet, zijn noodlot tegemoet. Zijn zus Jeanny en haar man zullen als evacués in Beekbergen de oorlog overleven. Het gezin van Carel Beke gaat een onzekere toekomst tegemoet. Samen met Willy Dols besluiten ze om naar Friesland te gaan, maar met twee fietsen, een wandelwagen, vijf kinderen en een zieke man schiet dat niet hard op. Carel Beke houdt een dagboek bij en hij beschrijft hoe Willy Dols met twee kinderen en bagage op een fiets rijdt, terwijl hij met zijn vrouw en een kind op de fiets een wandelwagen met twee kinderen trekt. Soms mogen ze op een kar meerijden.

Het drama van Putten

Na een omzwerving over de Veluwe komt het gezelschap in de avond van 28 september terecht in Putten. Carel Beke kan niet verder, hij is door koorts overmand. Zij vinden onderdak in het pension Huis  ten Bosch.
Hier voltrekt zich de Griekse tragedie over Willy Dols. Wat was er gebeurd. In de nacht van 30 september op 1 oktober had een verzetsgroep een aanslag gepleegd op een auto met vier Duitse militairen. In het vuurgevecht, dat was ontstaan, werd een verzetsman gedood en twee Duitse officieren gewond. Een werd gevangengenomen, de andere wist te ontkomen, maar stierf later aan zijn verwondingen. De overige twee militairen (korporaals) wisten te ontvluchten en verwittigden de Duitsers.

De volgende dag, 1 oktober, hielden de Duitsers als represaille een razzia in Putten en omgeving. Ze legden een kordon rond de plaats, executeerden zeven personen, waaronder een kind en staken 110 woningen in brand. De mannen werden opgejaagd en samengedreven in de Grote Kerk. Zo ook de pensionhouder van Huis ten Bosch en Willy Dols. De zieke Carel Beke wordt ongemoeid gelaten. De pensionhouder werd overigens later vrijgelaten, omdat hij ouder was dan 50 jaar.

Willy ziet nog kans om aan de vrouw van Carel Beke een aktentas met daarin zijn handgeschreven proefschrift te overhandigen met het verzoek deze goed te bewaren, want de tas bevat zijn levenswerk. De vrouw bergt de tas op in de wandelwagen met de baby en de tas zal daarin blijven tot het einde van de oorlog. Na de oorlog zal Carel Beke de aktentas met het handgeschreven proefschrift overhandigen aan de familie van Willy Dols.

Tewerkstelling in Duitsland

De verzamelde mannen en jongens, 662 in totaal, worden op 2 oktober op  transport gesteld naar Duitsland om aldaar te werken aan verdedigingslinies voor de Duitse troepen. Allereerst worden ze vervoerd naar een kamp in Amersfoort. Aldaar worden 59 personen vrijgelaten, mogelijk omdat geselecteerd werd op de leeftijd tussen 18 en 50 jaar. Tijdens het transport op 11 oktober naar Duitsland wisten 13 personen te ontsnappen, zodat 589 personen, waaronder Willy Dols,  aankwamen in Neuengamme in Noord-Duitsland. Vandaar werden ze verdeeld over verschillende werkkampen.
Willy Dols komt uiteindelijk terecht in een werkkamp in Husum, dicht bij de Deense grens. Door het hoge sterftecijfer wordt dit kamp ook wel als een ‘Vernichtungslager’ aangeduid. Willy moet onder erbarmelijke omstandigheden met slechte voeding werken aan tankvallen e.d. De mannen droegen nog zomerse kleding, omdat het toentertijd in Putten nog warm was. Nu was het klimaat anders. Bovendien braken er besmettelijke ziekten uit.

Dit alles heeft een hoge tol aan sterfte geëist onder de gedeporteerde mannen. Van de 589 mannen en jongens kwamen er maar 49 terug. En hiervan stierven er nog 5 personen op korte termijn, als gevolg van de ontberingen.
Een van de slachtoffers was Wille Dols. Hij stierf op 5 november als gevolg van dysenterie. Hij werd begraven op het Ostfrieddhof in Husum.
Later werden in 1955 zijn stoffelijke resten overgebracht naar het Nederlandse ereveld Lübeck te Lübeck-Vorwerk.

Epiloog

De ouders van Wille Dols blijven nog lang in het ongewisse van de dood van hun zoon Willy. Op 26 februari 1945 ontvangen zij via het Rode Kruis bericht van hun dochter Jeanny, dat zij en haar man geëvacueerd zijn  in Beekbergen en dat Willy in Duitsland is tewerkgesteld.
Op 25 juni 1945 doet de familie een oproep via Radio Herrijzend Nederland of iemand iets weet, omtrent de verblijfplaats van hun zoon Willy. Zij krijgen een reactie van iemand, die beweert dat hij in het kamp Husum heeft verbleven en dat hun zoon Willy voorkomt op de lijst van geregistreerde begraven personen op de begraafplaats in Husum.

Op 2 augustus 1945 ontving de familie Dols een bericht van het Bureau Repatriëring voor hulp en bijstand in Putten een officieel bericht, dat hun zoon Willy op 5 november 1944 was overleden.
Op 9 augustus daaropvolgend wordt voor Willy Dols een plechtige uitvaartdienst gehouden in de St. Petruskerk te Sittard, zie Limpens (2011:79-81).

Aan de verwachting, dat Willy Dols zich zou ontwikkelen tot een gerespecteerde geleerde, die zich in dienst zou stellen van een wetenschappelijke uitoefening van onderzoek en onderwijs in de taalkunde, was een einde gekomen. Het enige, dat als zijn nalatenschap nog restte, was een proefschrift over de Sittardse diftongering.

Het handgeschreven proefschrift, dat door de familie Beke is bewaard, wordt uiteindelijk door de classicus drs. Jan van de Bergh, vriend en collega van Willy Dols bij het Bisschoppelijk College te Sittard, bewerkt en in 1953 gepubliceerd onder auspiciën van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen. Ook  zijn leermeester prof. dr. Jac van Ginneken, die overigens in 1945 overleed, had op publicatie aangedrongen.

De Griekse tragedie hield in, dat Willy Dols zich op een verkeerd moment op een verkeerde plaats bevond.

Pierre Swillens
Bronnen:

  • Lei Limpens, Willy Dols 1911-1944, Uitgave Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011
  • Marc van Oostendorp, De tragische dood van een taalgeleerde, Onze Taal (2011: 24-25)
  • Wie is Willy Dols. Willy Dols Stichting (www.willydolsstichting.nl)

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 1)

8 mrt

Korps Mariniers

Qua patet orbis ‘Zo wijd de wereld strekt’

Korps Mariniers
soerabaja-6

Het Korps Mariniers is een onderdeel van de Koninklijke Marine. Het korps heeft een oude traditie. Het werd in 1665 opgericht door Michiel de Ruyter en Johan de Witt. De manschappen van het korps dienden op schepen en kwamen in actie, wanneer ergens vanaf het schip een actie op het vasteland moest plaatsvinden.
Vanzelfsprekend heeft het korps heden ten dage een andere functie. Het Korps Mariniers is omgebouwd tot een eenheid, die snel kan worden ingezet voor vredestichtende en humanitaire acties over de hele wereld. Verder wordt het korps ingezet bij de verdediging van de NAVO-landen en voor Nederland voor bescherming van het Caraïbisch gebied.

In december 1946 werd ik als dienstplichtige opgeroepen bij het Korps Mariniers (hier aangeduid als zeemilicien).

Opleiding bij  het Korps Mariniers

soerabaja-7

Marinekazerne  Kattenburg, Amsterdam

De opkomst was in de Marinekazerne Kattenburg te Amsterdam. Hier bleven we maar drie weken voor het in ontvangstnemen van kleding.  De eigenlijke opleiding zou plaatsvinden op de vliegbasis Volkel in Noord-Brabant. Dit was een voormalig Duitse vliegveld, dat op 15 augustus 1944 door de Royal Air Force (RAF) zwaar was gebombardeerd. Bomkraters waren daar nog de getuigenis van. Toen de geallieerden in september 1944 de operatie Market Garden uitvoerden, werd het vliegveld opnieuw gebombardeerd. Hierna verlieten de Duitsers het vliegveld, na alles met de grond gelijk te hebben gemaakt.

Na de bevrijding van het gebied werd het vliegveld weer in gebruik genomen, nu door de RAF. Uiteindelijk werd in september 1945 het vliegveld oor de Engelsen overgedragen aan het Nederlands Militair Gezag. Deze stelde in november 1946 het vliegveld ter beschikking van de Koninklijke Marine  als tweede opleidingskamp van het Korps Mariniers.

Nissenhutten en strenge winter

Op het vliegveld hadden de Engelsen 120 nissenhutten achtergelaten. Eigenlijk waren dit noodonderkomens, bestaande uit een fundering, een houten vloer en een halfrond golfplaten dak. Twee ramen en een deur in de gemetselde voorkant, en twee ramen in de gemetselde achterkant. In elke hut konden ongeveer 20 manschappen worden ondergebracht.
Wij kwamen daar in december 1946, midden in een strenge winter, aan. Het ijs zat aan de binnenzijde van de golfplaten. In het midden van de nis stond een kachel en die werd door ons gloeiend heet gestookt. Per kruiwagen moesten we de steenkolen vanaf een centrale opslag aanvoeren. De centrale opslag raakte al snel op en wij hoopten, dat wanneer er geen kolen meer waren wij naar huis mochten. Er verdwenen dan ook heel was kruiwagens steenkool in de ruimte onder de verhoogde vloer. Of het ons uiteindelijk gelukt is om vrij te krijgen, weet ik niet. Wel weet ik, dat er nauwelijks buitenactiviteiten waren door de strenge kou.

Maleise les

Wel weet ik dat we Maleise les kregen door een alleraardigst oudere Indiëganger. Hij bracht ons de allereerste Maleise woordjes en zinnen bij, die we straks nodig zouden hebben. Erg serieus namen we hem niet. Toen hij vroeg waarover hij het met ons in het Maleis moest hebben, toen riepen we allemaal gelijktijdig ‘steenkool’. Hierover was hij snel uitgepraat.

Openbaar vervoer

Het opleidingskamp was per openbaar vervoer moeilijk te bereiken. Ik weet dat we in Uden moesten overstappen om een stoptrein te nemen, die bij het plaatsje Zeeland, dichtbij het opleidingskamp stopte. Aangezien dat treintje maar sporadisch liep, werd Uden elke zondagavond overspoeld door honderden mariniers, die vertier zochten en de laatste trein namen. Ik moet zeggen, dat de plaatselijke schoonheden zich hierbij niet onbetuigd lieten.

Opleiding van vier maanden

Het was de bedoeling, dat wij een opleiding van vier maanden zouden volgen, waarna we uitgezonden zouden worden naar Nederlands Indië. Daar zouden we de oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade aflossen.
Voor mij werd die inzet uitgesteld. Ik werd aangezocht om een korte opleiding tot ‘hulpkader’ te volgen, die bij de opleiding van de volgende lichting (1947) ingeschakeld zou worden.  Met die lichting vertrok ik vervolgens in september 1947 naar Nederlands  Indië.

Mariniersbrigade

De oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade werden op Oost-Java ingezet om de orde en het gezag te herstellen. Na het vertrek van de Japanners was in I\Nederlands Indië een beweging op gang gekomen, die streefde naar onafhankelijkheid. De Engelsen, die het gezag overnamen van de Japanners, kregen daar al mee te maken. Tijdens gevechten met vrijheidsstrijders en burgers verloren zij in Soerabaja 500 manschappen.
De Nederlandse regering wilde echter haar gezag in Nederlands Indië herstellen en ging het gevecht aan met de vrijheidsstrijders, zo ook op Oost-Java. Dat dit niet zonder gevaar was, blijkt uit het feit, dat van onze klas (20 personen) er twee het leven lieten. Ik heb ergens een foto, waarop naast mij nog vier andere lachende mariniers staan, waaronder deze twee. Een ervan had bij het begin van onze opleiding zo’n goede test afgelegd, dat hij een opleiding tot officier mocht volgen. Hij vertrok eerst in 1949 naar Nederlands Indië en toen ik alweer terug was in Nederland sneuvelde hij alsnog. Hij was met een patrouille van elf man in een hinderlaag gelokt, waarbij er zes sneuvelden en vijf gevangen werden genomen. Uitzending naar Nederlands Indië was dus niet zonder gevaar.
De vrijheidsstrijders zouden het land overigens Republik Indonesia noemen, terwijl ‘merdeka’ vrijheid of onafhankelijkheid betekende. Je kwam die opschriften hier en daar nog wel tegen.

ms Sloterdijk

soerabaja-4

ms Sloterdijk

Wij vertrokken in september 1947 vanuit de haven in Rotterdam.  De boot, ms Sloterdijk, was een omgebouwd vrachtschip, dat in de laatste wereldoorlog ook al als troepentransportschip dienst had gedaan. Om zoveel mogelijk manschappen weg te stoppen, sliep je vierhoog boven elkaar. De bovenste moest dus een eind klimmen.
Toen we voorbij Hoek van Holland in open zee kwamen, werd ik zeeziek en dat ben ik gedurende de gehele reis van 30 dagen gebleven. Met een voortdurend gevoel van overgeven, was dat geen pretje. Je werd verzocht om niet aan de windzijde over de railing over te geven, want door de wind kwam het braaksel een eindje verder weer terug.  Geen pretje voor diegenen, die daar aan de railing stonden. Maar al doende leerde men. Er waren er, die zo ziek aren, dat ze de kooi niet uitkwamen of voor pampus op het dek lagen.

Het ergste was als de wind zo stond, dat het schip steeds slagzij maakte.  Als je dan op de wc zat, dan hing je beurtelings erboven of er een eind vandaan. Het was dan zaak om op het juiste moment te mikken. Gelukkig waren er in het open hok aan beide zijden flinke handvatten, zodat je er in ieder geval terugkwam.
De slagzij was ook merkbaar bij het eten. In de eetzaal stonden lange tafels, afgewerkt met een opstaand randje. Het eten werd opgeschept op een tablet. Als je het tablet op tafel zette en wilde gaan zitten, dan moest je bij slagzij oppassen, dat het tablet niet tien meter verder van de tafel schoof. Veel maakte het niet uit, want je had toch geen trek.
Het douchen was ook een crime, want bij gebrek aan zoet water, werd er gedoucht met zout water. Daarvan was er genoeg voorhanden. Moeten jullie eens dertig dagen proberen. Er werd niet veel gedoucht.

30 Dagen op zee

Van de reis herinner ik mij uiteraard het passeren van de rots van Gibraltar, de stad Algiers bij nacht, en de doorsteek van het Suezkanaal. Daar lagen we een tijdje stil. Toen kwamen er jongens rond de boot zwemmen. Vanaf de boot werden er geldstukken in het water gegooid, die door de kereltjes werden opgedoken, voordat ze in het diepe verdwenen. De geldstukken werden vervolgens in de mond gestopt, waarna ze verder gingen.

Na het Suezkanaal was er dagenlang niet veel te zien. Alleen bij het passeren van de evenaar werd er een Neptunus feest georganiseerd.  De traditie wil, dat Neptunus de opvarenden, die voor het eerst de evenaar passeren, doopt.

Sabang

Uiteindelijk meerde de ms Sloterdijk aan in de haven  van het eiland Sabang. Hier mochten we voor het eerst aan de wal en maakten we kennis met de Indische archipel, hun bevolking, het klimaat en de flora en fauna. Vooral de overdaad aan vruchten, zoals bananen, ananassen en kokosnoten viel op. Ook leerden we nieuwe vruchten zoals mango’s en papaja’s. Een marinier bleek allergisch te zijn voor de melk van de kokosnoot en lag ’s avonds met een gezwollen gezicht in zijn kooi.

Soerabaja

Na een paar dagen varen bereikten wij uiteindelijk ons einddoel, de haven van Soerabaja. Aan de ellende van 30 dagen zeeziek op een omgebouwde vrachtboot, kwam een einde.

Pierre  Swillens