Tag Archives: kirchröadsjer plat

Volks- en kinderliederen

2 Okt

Terug naar onze jeugd

Iets over het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect)

Inleiding

Tijdens mijn studie over de gedichten van Wiel Kusters (zie hiervoor mijn vorige blogs over het werk van Wiel Kusters, speciaal deel 2) stuitte ik op internet op ‘Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele’. Een verzameling liederteksten, geschreven door Matthias Schollen in ‘Öcher Platt’. Het ‘Öcher Platt’  hoort tot hetzelfde taalgebied als het ‘Kirchroädsjer Plat’ (Kerkraads dialect), zodat ik als dialect-geïnteresseerde hier wel belangstelling voor had.
Maar nog meer groeide mijn belangstelling toen ik ontdekte, dat er kinderliedjes bij waren, die wij in onze jeugd zongen.  De vraag is dus, stamden die liedjes uit de Akense regio, of waren ze oorspronkelijk Limburgs of Nederlands. Hier zullen we wel geen antwoord op vinden.

Bij de reconstructie van de Limburgse of Nederlandse versie heb  ik hulp gehad van mijn vrouw Mientje, die een aantal liedteksten ook herkende en mij soms kon aanvullen uit haar herinnering.

Wij hebben een aantal van die herkenbare liedjes uit de verzameling overgenomen, waarbij wij links de originele versie weergeven en rechts de versie uit onze herinnering. Het cijfer tussen haakjes verwijst naar de nummervolorde in de Akense verzameling, dit voor degene, die ze wil terugzoeken.

Volks- und Kinderlieder

Het eerste liedje is al raak. Er wordt bij gezegd, dat bij elke regel op de hand van het kind wordt geklopt, dus met de handpalm naar boven. Bij de laatste regel wordt in de kinderhand gekriebeld (‘gekitzelt’).

(1)
Hast ne Dâler,                             Höbste geldj
Gank nohgene Maǝt,                 gank nao de mert
Gäld en Kouh,                             koup tich ’n kooj
E Stöck Leäver derzou               stök van de leaver
Kränzche,
Pänschche,                                   stök van de pens
Kirrewirrewänschche                 kielewielewens

Volgens de Akense verzameling werd bij het volgende liedje een voorwerp aan een draad gebonden en door het heen en weer bewegen een klok nagebootst. Ik weet niet of dit ook in Limburg werd herhaald, maar ik ken wel het liedje.

(12)
Bambani Beierjan,                       Bim bam beiere,
De Köster hat gen Eier.              de köster lös gen eiere.
Wat hat heä dan?                         Wat lös ‘r dan?
Speck egen Pann!                         Sjpek in de pan,
O wat ene leckesche                   mit ’n rogge botram.
Köster ess et dan.

Soms klopt er maar een regel.

(14)
Ninana Kengche                         Douwe douwe kindje
Zöckerche en et Möngche         sokker in ’t mundje
Zöckerche en et Päppche          peaperkook en viege
För et leivste Bäbbche               deit ’t kindj zjwiege

Soms komt een kinderliedje in het Nederlands terug.

(17)
Schloff Kengche schloff!!                             Slaap, kindeje, slaap
Die Vadder höid de Schoef,                         daar buiten loopt een schaap
Die Modder hoid de bontee Kouh,            een schaap met witte voetjes,
Kengche doig de Oeggelchere zou             die drinkt zijn melk zo zoetjes,

In de Limburgse versie eindigt dit met   slaap, kindje, slaap.

Soms is er geen touw aan vast te knopen.

(27)
Holz schnigge                                             Hout sjnieje
Van alle die Wigge                                     van alle wieëje
Klompe mâche                                            klompe make
Dat se krâche                                               dat se krake
Brüdche wenne                                            sjeale knech maak
Geälche zelle                                                ’t kindje de klumpkes rech.
Pam, pam, pus

Mijn vrouw kent bij de Limburgse versie nog een heel couplet erbij. Dit laat ik maar achterwege, omdat het bij de Akense versie niet voor komt.

Soms schiet mijn herinnering tekort. Tijdens de jaar wisseling werd het volgende gedicht gezegd:
(133)
GJöcksellig Nöijohr,                                    Zelig Nuujjaor
der Kopp vol Hoǝr,                                      de kop vol haor
Der Monk vol Zäng,                                    (de rest is me ontschoten).
Et Nöijohr egen Häng.

Naast liedjes worden in de Akense verzameling ook raadseltjes opgegeven, zoals deze
“(270)
Kaiser Karl hatte einen Hund,
Dem gab er den Namen mit seinem Mund.
Also hiess Karl seinen Hund.
Wie hiess der Hund?

Voor degene, die nog twijfelt, de hond heette inderdaad Also.
Deze tekst is ditmaal niet in het ‘Öcher Platt’. Deze wel:

(274)
Ein hauf Kauf hauf.

Oplossing: de helft van een half kalf, een vierde kalf dus.

In de categorie ‘Volksglauben’ komen spreuken voor, zoals:

(288)
Der Düvel schiesst zeläve net op ene klenge Houf.

Wij zeggen:
De duivel schijt altijd op de grootste hoop.

In Duitslaand gaat men dus uit van de kleinte hoop, in Nederland van de grootste.

Daarmee wil ik eindigen met het citeeren uit de Akense verameling van Matthias Schollen.

Epiloog

Met genoegen heb ik de Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele van Matthias Schollen gelezen. Enerzijds omdat ik kennis wilde nemen van het ‘Öcher Platt’, anderzijds omdat ik er herkenbare kinderliedjes in terugvond. Mijn vrouw, die mij daarbij hielp, vroeg mij waarom ik zo’n belangstelling voor kinderliedjes had. Je bent toch niet aan het ‘verkiendsje’. Dat niet, maar ik meen mij te herinneren, dat Pierre Kemp heeft gezegd, dat in ieder mens iets kinderlijks schuilt. In mij misschien wat veel, maar ik ben daar niet rouwig om.

Daarom vind ik het jammer, dat deze kinderliedjes verdwijnen. De kinderen horen ze niet meer. Vanaf twee jaar gaan ze naar een peuterklas en als ze vier of vijf zijn, dan spelen ze spelletjes op een tablet.

Vroeger waren er geen computers, telefoons, Tv’s en nauwelijks radio’s. De kinderen moesten door de ouders worden beziggehouden en dat gebeurde door de kinder- en speelliedjes. Ik was zes jaar toen ik voor het eerst naar school ging en daar kennis maakte met de schooldiscipline. Ik heb goede herinneringen aan mijn vroege jeugd met alleen de tucht van mijn ouders, soms met harde hand dat wel. Maar daarnaast genoot ik veel vrijheid.

Maastricht,  2 oktober 2016

Pierre Swillens

 

 

 

 

 

Advertenties

Wiel Kusters (deel 2)

19 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Proza

Inleiding

Wiel Kusters (1947) is een productief man. Hij schreef gedichten, mar ook  proza. Bovendien schreef hij in 2010 een biografie, getiteld Een leven over het leven en werk van de dichter Pierre Kemp. Vervolgens schreef hij in 2014 een biografie, getiteld Mijn versnipperd bestaan over het leven van de kunstcriticus Kees Fens.

Het is ondoenlijk om deze omvangrijke productie te bespreken. Daarom bespreek ik in dit deel een (beperkte) selectie van zijn prozastukken, en zal in deel 3 een aantal voorbeelden van zijn poëzie behandelen.
De selectie is volkomen willekeurig en afhankelijk van de beschikbaarheid van de tekst.

Ik graaf, jij graaft

Wiel Kusters geeft graag blijk, dat hij uit een regio komt waar het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect) wordt gesproken. Zo ook in zijn boek ‘Ik graaf, jij graaft’, dat hij schreef in 1995. Het boek bevat aantekeningen over poëzie.
Hij begint met een kinderversje in ‘Kirchröadsjer Plat’, dat hij in zijn kinderjaren vaak heeft opgezegd.
Het luidt als volgt:
mienne nònk va Pònk
deë hauw inne hònk
deë sjieset loeter kaffejrònk.

Hij doet er ook de vertaling bij:
mijn oom uit Pont
die had een hond
die poept alleen maar koffiedik.

Opvallend is, dat zijn vertaling minder plat is dan het origineel. Moeilijk te duiden is het woord ‘kaffejrònk’. Kaffe (koffie) is nog te volgen, maar ‘jrònk’. Volgens mij staat er ‘grond’. In het Kerkraads dialect wordt de ‘g’ niet uitgesproken, maar een ‘j’ hiervan gemaakt, terwijl de ‘d’ of ‘t’ aan het inde van een woord (na een medeklinker?) wordt gewijzigd in een ‘k’, zie ‘hònk’ (hond).

Wiel Kusters was verrast, toen hij de ‘Aachener Sprachschatz’ (Akens woordenboek) kocht  en hij het woord ‘kaffiejronk opzocht. Hij vond daarbij het volgende versje:
miene Nonk Fonk uus Ponk, déa fresst at luuter kaffiejronk.
Hij (of de Aachener Sprachschatz?) laat hierbij een regel of woord weg, want niet de oom maar de hond van de oom vreet koffiedik. Aan de ene kant van de grens poept de hond koffiedik, aan de andere kant vreet hij dat spul zo laat Wiel Kusters blijken.
Na enig speurwerk op internet vond ik een bevestiging. Mijn verrassing was misschien nog groter dan die van Wiel Kusters. Ik vond namelijk het originele kinderliedje. Dat ging als volgt: :
miene Nonk Fonk us Ponk singe Honk, döm sing Konk ess wonk van alle de kaffigronk döm minge Nonk Fonk us Ponk singe Honk dronk.
Vrij vertaald staat er:
mijn oom Font uit Pont zijn hond, die heeft pijn aan zijn kont van al de koffiedik, die mijn oom Font uit Pont zijn hond dronk. Het versje uit Kerkrade komt in een ander daglicht te staan, want de hond in Aken poept wel degelijk koffiedik.
Het kinderversje is te vinden In een door Matthias Schollen samengestelde verzameling ‘Aachener Volks- und Kinderliedeer, Spiellieder und Spiele’.
Hoe oud het kinderversje is, is moeilijk te achterhalen. Dit soort versjes werd gebruikt om door de alliteraties de tong van de kinderen soepel te maken. Het zou wel eens een oud versje kunnen zijn, want er staat ‘kaffigronk’ en niet ‘kaffijronk’, zoals in de andere versjes. Mogelijk dat in die tijd de ‘g’ nog niet veranderd werd in de ‘j’.

Opvallend is de overeenkomst tussen het ‘Kirchröadsjer Plat’ en het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect). Ook daar wordt de ‘g’ veranderd in een ‘j’ en de ‘d’ of ‘t’ aan het einde van een woord in een ‘k’. Dit dialectgebied wordt niet gescheiden door de grens tussen Nederland en Duitsland.

Slapeloos in Amsterdam

Vermakelijk is het verhaal ‘Slapeloos in Amsterdam’, dat Wiel Kusters schrijft naar aanleiding van een bezoek aan de dichter Gerrit Kouwenaar.
Dit verhaal is gepubliceerd in ‘Brieven uit Mosanje’ van 9  augustus 2016 ter gelegenheid van de 93e geboortedag van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014).

Reeds eerder werd het verhaal gepubliceerd in: Ton van Reen (red), Wilde Flora, Heerlen, uitgeverij Leon van Dorp, 2016.

Wiel is bij de ontmoeting 28 jaar oud en is van plan om een proefschrift te schrijven over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij maakt een afspraak met de dichter in Amsterdam om hem in te lichten over zijn voornemen en om hem om toestemming en medewerking te vragen.
Hij wordt allervriendelijkst  ontvangen door de dichter en zijn vrouw. Na enig gekeuvel besloot de dichter om hem als ‘introduce’ mee te nemen naar de sociëteit De Kring om hem voor te stellen aan zijn collega-dichters. Maar eerst wil de dichter nog met hem een hapje eten, rijkelijk besproeid met alcohol. Bij dit hapje blijft het niet, er wordt ook nog een bezoek gebracht aan een café.
Wiel ziet de bui al hangen en belt met Maastricht dat het te laat wordt om de laatste trein naar Maastricht te halen en dat hij in Amsterdam blijft slapen. De vrouw van de dichter had hem al beloofd, dat zij een kamer voor hem gereed zou maken.
Uiteindelijk bereikten ze rond middernacht het etablissement, alwaar De Kring zitting hield.  Gerrit Kouwenaar werd allerhartelijkst door de collega-dichters ontvangen, aan Wiel werd geen aandacht geschonken. Hij maakte zich wel zorgen over de alcoholconsumptie van de dichter en uiteindelijk besloot deze om naar huis te gaan. Hierbij steunde hij nadrukkelijk op Wiel tijdens het lopen. De dichter woonde in een bovenwoning, dus het was een hele hijs om hem boven te krijgen. Wiel plaatste hem in een leunstoel, waarin hij in slaap viel. Hij had nog kenbaar gemaakt, dat zijn vrouw niet wakker gemaakt mocht worden, dus Wiel besloot niet op zoek te gaan naar een slaapkamer en bracht de nacht eveneens door in een leunstoel.
Bij het krieken van de dag en het horen van de tram, besloot Wiel om maar met stille trom te vertrekken om de terugreis naar Maastricht aan te vangen.
Hij had stellig de indruk, dat de dichter ingenomen was met Wiels voornemen om een proefschrift over zijn werk te schrijven.

In 1986 promoveerde Wiel Kusters aan de Universiteit van Utrecht met het proefschrift De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar.

Dao tuut ‘t

Wiel Kusters schreef in 1998 ‘Dao tuut ‘t’ als monoloog voor stem en tuba. Het Huis van Bourgondië in Maastricht maakte er een theaterproductie van, hetgeen leidde tot verschillende uitvoeringen in Midden- en Zuid-Limburg.

In 2012 bewerkte Wiel Kusters ‘Dao tuut ‘t’ tot een boek Schachtsignalen. Dit boek werd uitgegeven in het kader van de serie ‘Literair Limburg’. In het boek is de integrale tekst van Wiel Kusters vertaald in het Kerkraads door Lei Heijenrath.

De tekst bevat tien fragmenten. De titel ‘Dao tuut ‘t’ verwijst naar de signalen die de naburige mijn Willem-Sophia regelmatig produceerde, bijvoorbeeld als teken dat een dienst was afgelopen en een nieuwe was begonnen.

In de boekbespreking van ‘In en onder het dorp’ met Wim Brands, tijdens een uitzending van VPRO Boeken, haalt Wiel Kusters de titel aan. Hij zegt: “Dit is nauwelijks te vertalen. Moet je zeggen: daar fluit het” (einde citaat). Het was geen fluiten, het was ook geen toeteren, het leek meer op een scheepshoorn.

Wiel Kusters zegt, dat hij zijn moeder dan vaak hoorde zeggen: “Dao tuut ’t op de koel” (op de mijn). Zelf hoorde hij het als kind nauwelijks tijdens het spelen. Het hoorde erbij. Voor de ouderen, die in de nabijheid van de mijn woonden, was het een vast signaal, zoiets als het beieren van nabije kerkklokken.

De tekst gaat voornamelijk over Wiels familie, zijn opa, zijn vader en zijn moeder. Soms aandoenlijk, zoals het fragment over zijn opa van moederzijde. Die was ook mijnwerker geweest, op de Willem-Sophia, en kreeg door silicose (longziekte) in zijn laatste levensdagen geen lucht meer. Op een gegeven moment moet hij hebben geroepen: “dui mich die moer um, ich krie jing lòf” (duw mij die muur om, ik krijg geen lucht).

Voor mijzelf vind ik het tweede fragment mooi. Dat gaat over zijn vader en het schuurtje, waarin de vader graag werkt.
Het fragment begint als volgt:
Mijn vadr had een schuurtje
‘d’r sjtall’
‘d’r pap is in d’r sjtal’.

Voor mij is dat voldoende, de rest zou ik zelf wel invullen. Maar Wiel legt uit wat zijn vader zoal in het schuurtje doet. Wiel had zijn moeder vaak horen vragen: “wo is d’r pap”. Een overbodige vraag overigens, want als zijn vader thuis was, dan was hij in het schuurtje bij zijn ‘düfkess’ (duifjes) bijvoorbeeld.

Epiloog

Ik heb maar een kleine schets kunnen geven van al het prozawerk van Wiel Kusters. Maar ik heb een indruk willen geven van zijn voorliefde voor het Kerkraads dialect, maar vooral van zijn betrokkenheid bij zijn familie en zijn afkomst. Als zoon van een mijnwerker heeft hij de aftakeling door ongezond werk van zijn opa en zijn vader zien gebeuren . Een lot dat hem bespaard is gebleven. Iets wat ik twintig jaar eerder al had mogen zeggen, toen ik in dezelfde situatie verkeerde.

Maastricht, 19 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Herlezend moet ik constateren, dat het boek ‘Ik graaf, jij graaft’ aantekeningen bij poëzie bevat. Wiel Kusters bespreekt poëzie van andere dichters.
En ‘Dao tuut ‘t’ is eigenlijk een lang (verhalend) gedicht.
Het zijn dus niet al te beste voorbeelden van Wiel Kusters proza. Maar het zij zo, mijn verhaal is af, proza of geen proza.

 

 

Limburgse dialecten (deel 1)

16 Dec

Dao bön ich gebaore

Sjoon sjoon Sjeng

Om mijn kennis over Limburgse dialecten te verbreden, zocht ik hiervoor op internet. Ik kwam hierbij een artikel tegen van Wim Kuiper, dat hij in 2013 schreef onder de titel ‘Letterbak. Taalkwesties & Limburgs dialect’ (te vinden op http://www.dbnl.org). De kop ‘Dao bön ich gebaore’ is ontleend aam dit artikel.

Wim Kuiper vergelijkt het Limburgs dialect met het Chinees in uitspraak en zangerigheid, zoals bijvoorbeeld de sj-klank in de uitspraak van Sjeng. Daarnaast kent het Limburgs dialect de stoottoon, ook  wel de valtoon genoemd, en de sleeptoon. Bij de stoottoon worden midden klinkers en tweeklanken kort uitgesproken, bij de sleeptoon is dat juist langer. Zo uitgesproken krijgt hetzelfde woord twee verschillende betekenissen. Wanneer ‘veer’ kort wordt uitgesproken met de stootton, dan betekent dit het telwoord ‘vier’, lang uitgesproken met de sleeptoon betekent dit het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’.
De Chinees kent een klinker die op vier verschillende manieren wordt uitgesproken en derhalve vier verschillende betekenissen krijgt.

Wim Kuiper illustreert dit verder met ‘sjoon sjoon Sjeng’ (mooie schoenen Jan). Ik weet niet welk dialect Wim Kuiper hierbij aanhaalt, misschien dat van zijn geboortedorp Neel (Maasniel). In het Obbeegs (Obbichts) of Beegs (Grevenbichts) zal het eerste ‘sjoon’ (mooi) worden uitgesproken als ‘sjoan’.
In het Mestreechs (Maastrichts) zeggen ze ‘sjoen sjeun Sjeng’. Soms wordt hier nog ‘sjieke’ voorgezet. Dan krijg je vier sj’s achter elkaar.
In het Kirchröadsjer Plat (Kerkraads  dialect) is het ‘sjun sjong Sjeng’, ofschoon ze met Sjeng weinig op zullen hebben. In hun ogen is Sjengenland Maastricht.

Maastrichtse rekking

Wim Kuiper zegt in het artikel dat het Mestreechs een volkse en een deftige uitspraak heeft. In de volkse uitspraak worden de klinkers langer uitgerekt, zoals in ‘Mestreech is neet breit meh laangk’ (Maastricht is niet breed maar lang). Deze uitspraak wordt ook wel de Maastrichtse rekking genoemd.
Wim Kuiper illustreert dit weer met een raadseltje: Ken je een Maastrichts woord van 23 letters?
Oplossing: ’n Peeeeeeeee……………rd. Zolang duurt de Maastrichtse rekking nu ook weer niet.

Kirchröadsjer Plat

Ook andere dialecten worden op de hak genomen, zoals het Kirchröadsjer Plat. In Kerkrade wordt bij het begin van een woord de g uitgesproken als een j. In de Kirchröadsjer Dieksiejoneer (Kerkraads woordenboek) komt geen rubriek G voor. De rubriek J is daarentegen zeer uitgebreid.

Ook hier weer heeft Wim Kuiper een raadseltje: Het hangt boven Kerkrade en begint met drie j’s. Oplossing:
‘ein jans jroeës jewitter’ (een heel groot onweer).

Zo kent men in Kerkrade bij het aanmoedigen van de plaatselijke voetbalclub Rode de kreet: ‘Los mar jon Roda’ (vrij vertaald: Roda zet hem op, letterlijk staat er: Roda laat maar gaan). Cynici zeggen dat ze roepen: ‘Joda los mar jon’.

Onlangs hoorde ik een mopje over het Kerkraads dialect. Twee Kerkradenaren zitten op het perron te wachten op de trein. Uit verveling bedenken ze een spelletje. Noem zoveel mogelijk Kerkaardse woorden, die eindigen op ‘wajong’ (wagon). Ze komen niet ver, waarop te lange leste een zegt: ‘Hauwe vier mar jet tse piefe, wa jong’ (Hadden we maar wat te roken, nietwaar jongen). In het mopje wordt voor ‘piefe’ een ander woord gebruikt, maar dat kan ik hier niet herhalen. Daar moeten jullie maar naar raden.

Pierre Swillens