Tag Archives: kerkrade

Wiel Kusters (deel 1)

1 sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.

 

Limburgse dialecten (deel 1)

16 dec

Dao bön ich gebaore

Sjoon sjoon Sjeng

Om mijn kennis over Limburgse dialecten te verbreden, zocht ik hiervoor op internet. Ik kwam hierbij een artikel tegen van Wim Kuiper, dat hij in 2013 schreef onder de titel ‘Letterbak. Taalkwesties & Limburgs dialect’ (te vinden op http://www.dbnl.org). De kop ‘Dao bön ich gebaore’ is ontleend aam dit artikel.

Wim Kuiper vergelijkt het Limburgs dialect met het Chinees in uitspraak en zangerigheid, zoals bijvoorbeeld de sj-klank in de uitspraak van Sjeng. Daarnaast kent het Limburgs dialect de stoottoon, ook  wel de valtoon genoemd, en de sleeptoon. Bij de stoottoon worden midden klinkers en tweeklanken kort uitgesproken, bij de sleeptoon is dat juist langer. Zo uitgesproken krijgt hetzelfde woord twee verschillende betekenissen. Wanneer ‘veer’ kort wordt uitgesproken met de stootton, dan betekent dit het telwoord ‘vier’, lang uitgesproken met de sleeptoon betekent dit het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’.
De Chinees kent een klinker die op vier verschillende manieren wordt uitgesproken en derhalve vier verschillende betekenissen krijgt.

Wim Kuiper illustreert dit verder met ‘sjoon sjoon Sjeng’ (mooie schoenen Jan). Ik weet niet welk dialect Wim Kuiper hierbij aanhaalt, misschien dat van zijn geboortedorp Neel (Maasniel). In het Obbeegs (Obbichts) of Beegs (Grevenbichts) zal het eerste ‘sjoon’ (mooi) worden uitgesproken als ‘sjoan’.
In het Mestreechs (Maastrichts) zeggen ze ‘sjoen sjeun Sjeng’. Soms wordt hier nog ‘sjieke’ voorgezet. Dan krijg je vier sj’s achter elkaar.
In het Kirchröadsjer Plat (Kerkraads  dialect) is het ‘sjun sjong Sjeng’, ofschoon ze met Sjeng weinig op zullen hebben. In hun ogen is Sjengenland Maastricht.

Maastrichtse rekking

Wim Kuiper zegt in het artikel dat het Mestreechs een volkse en een deftige uitspraak heeft. In de volkse uitspraak worden de klinkers langer uitgerekt, zoals in ‘Mestreech is neet breit meh laangk’ (Maastricht is niet breed maar lang). Deze uitspraak wordt ook wel de Maastrichtse rekking genoemd.
Wim Kuiper illustreert dit weer met een raadseltje: Ken je een Maastrichts woord van 23 letters?
Oplossing: ’n Peeeeeeeee……………rd. Zolang duurt de Maastrichtse rekking nu ook weer niet.

Kirchröadsjer Plat

Ook andere dialecten worden op de hak genomen, zoals het Kirchröadsjer Plat. In Kerkrade wordt bij het begin van een woord de g uitgesproken als een j. In de Kirchröadsjer Dieksiejoneer (Kerkraads woordenboek) komt geen rubriek G voor. De rubriek J is daarentegen zeer uitgebreid.

Ook hier weer heeft Wim Kuiper een raadseltje: Het hangt boven Kerkrade en begint met drie j’s. Oplossing:
‘ein jans jroeës jewitter’ (een heel groot onweer).

Zo kent men in Kerkrade bij het aanmoedigen van de plaatselijke voetbalclub Rode de kreet: ‘Los mar jon Roda’ (vrij vertaald: Roda zet hem op, letterlijk staat er: Roda laat maar gaan). Cynici zeggen dat ze roepen: ‘Joda los mar jon’.

Onlangs hoorde ik een mopje over het Kerkraads dialect. Twee Kerkradenaren zitten op het perron te wachten op de trein. Uit verveling bedenken ze een spelletje. Noem zoveel mogelijk Kerkaardse woorden, die eindigen op ‘wajong’ (wagon). Ze komen niet ver, waarop te lange leste een zegt: ‘Hauwe vier mar jet tse piefe, wa jong’ (Hadden we maar wat te roken, nietwaar jongen). In het mopje wordt voor ‘piefe’ een ander woord gebruikt, maar dat kan ik hier niet herhalen. Daar moeten jullie maar naar raden.

Pierre Swillens