Tag Archives: grevenbicht

Tweede crash Brits bombardementsvliegtuig boven Grevenbicht

28 Okt

OORLOGSHANDELINGEN GEDURENDE TWEEDE WERELDOORLOG

SHORT STIRLING MARK III

Inleiding

In mijn vorige blog gaf ik een ooggetuigeverslag van het neerstorten van een Brits bombardementsvliegtuig boven Grevenbicht gedurende de Tweede Wereldoorlog. Dat was op 15 oktober 1941. Bijna twee jaar later, in de nacht van 13 op 14 juli 1943 was ik wederom ooggetuige van het neerhalen van een Brits bombardementsvliegtuig boven Grevenbicht. Ditmaal betrof het een Short Stirling Mk III bommenwerper. Het vliegtuig werd boven Grevenbicht geraakt, maar kwam uiteindelijk over de Maas in het dorp Rotem in België terecht.

Wat was er gebeurd?

knipsel-stirling-6
afb.1 Britse bommenwerper Short Stirling Mark III

In de avond van 13 juli 1943 steeg er vanaf een Brits vliegveld een Short Stirling Mk III bommenwerper (zie afb. 1) voor een vlucht naar Duitsland, met als doel het bombarderen van doelen in de stad Aken. Rond middernacht werden we wakker gehouden door motorgeronk in de lucht. De Duitsers zochten het luchtruim af met zoeklichten en plotseling had een zoeklicht  een vliegtuig in het vizier. Onmiddellijk sloten twee zoeklichten aan en de drie zoeklichten hielden het vliegtuig in het kruispunt van de stralen gevangen. Het vliegtuig was duidelijk op de terugweg naar Engeland.
Later bleek dat het ging om een Short Stirling Mk III bombardementsvliegtuig, een viermotorig toestel met een 8-koppige bemanning.
Plotseling verdween het toestel uit de stralen. Het was duidelijk geraakt door een nachtjager en neergestort. Twee zoeklichten doofden, een bleef verticaal branden. Even later vloog een Duitse nachtjager verticaal door het zoeklicht. Het vloog laag voor herkenbaarheid.

In die tijd, 17 jaar oud, was ik zeer  geïnteresseerd in alles wat met vliegtuigen te maken had. Ik herkende het vliegtuig als een Messerschmitt Me-110 (zie afb. 2). De Messerschmitt Me-110 was een lichte tweemotorige jachtbommenwerper. Overdag was het toestel door zijn geringe wendbaarheid niet opgewassen tegen de snelle eenmotorige jachtvliegtuigen zoals de Spitfires en Hurricanes. Maar ’s nachts was het een geduchte nachtjager door zijn grote actieradius, plaats voor radarapparatuur en zwaardere bewapening.

.knipsel-stirling-7

afb.2 Duitse jachtbommenwerper Messerschmitt Me-110

Het invliegen van het Duits vliegtuig in het zoeklicht was een duidelijk afgesproken ritueel. Het Duits vliegtuig bevestigde dat het Brits toestel was neergeschoten en dat het als overwinnaar mocht worden aangemerkt. Misschien was het ook wel een manier van wederzijds bedanken voor het welslagen van de operatie. Een operatie, die zoals we verder zullen zien aan zeven mensen het leven kostte. Mensen, die ook maar hun plicht deden.

Wat ws er van het toestel te vinden op Nederlands grondgebied?

Het toestel was neergeschoten boven Nederlands grondgebied op een hoogte van 4000 meter, maar over de rivier de Maas, op Belgisch gebied neergekomen. Ik hoorde dat er resten van het vliegtuig gevonden waren op de Koeweide, een gemeentelijk gebied binnen de uiterwaarden van de Maas. ’s Winters onder water, ’s zomers rijk begroeid met gras. De gemeente had een koeherder aangesteld, die ’s morgens op een bepaald punt de koeien ophaalde en ze ’s avonds weer afleverde.
Ik ging poolshoogte nemen en trof, onbewaakt, de tip van een vleugel van 3 à 4 meter, een officierspet en een telegrafisten-handboekje aan.

De vleugel

De vleugel had aan de voorzijde eigenaardige blokjes, waarvan de functie niet duidelijk was. De blokjes zaten verdeeld over een afstand van anderhalve met aan de voorzijde  van de vleugel. Aan de binnenzijde van de vleugel zaten de blokjes aan solide kastjes vast. Ik morrelde wat aan de blokjes, die aan twee zijden een uitsparing hadden. Aangezien er niets gebeurde, verdeelde ik mijn aandacht naar de andere voorwerpen.
Dat ik hierbij geluk heb gehad, bleek later toen een andere inwoner van Grevenbicht ook aan zo’n blokje morrelde, en plotseling een beitel uit het kastje sloeg en hem beroofde van het topje van een vinger  Dat was natuurlijk niet de bedoeling van het blokje.
Wat wel de bedoeling van de blokjes annex kastjes was, bleek nu duidelijk. De Duitsers lieten rond de steden Zeppelin-vormige ballonnen in de lucht en aan die ballonnen hingen staalkabels. Het was de bedoeling, dat de Engelse vliegtuigen bij het aanvliegen van hun doelen in die staalkabels verstrikt raakten en beschadigd werden. Via die blokjes hoopten de Engelsen dat de staalkabel achter zo’n uitsparing van een blokje terechtkwam, contact maakten voor een explosie in het kastje, waardoor de uitslaande beitel de kabel doorsloeg. De solide kastjes waren bestand tegen de explosie en de explosie bracht geen schade aan de vleugel. Een ingenieuze vinding, maar of het in de praktijk heeft gewerkt, weet ik niet. Gelukkig had ik nog mijn vingers.

De officierspeten en het telegrafistenboekje

Zoals gezegd, verdeelde ik mijn aandacht naar de andere voorwerpen. Allereerst de officierspet (zie afb. 3). Kennelijk behoorde die tot een van de bemanningsleden. Aan de binnenzijde was eigenhandig door de eigenaar de naam P.D. Swallow aangebracht.
Verder was er een telegrafisten-handboekje, waarop op de voorzijde de naam Sgt. Coates was geschreven.
Hierdoor kregen op dat moment twee bemanningsleden voor mij een naam.

knipsel-stirling-5kopie

afb. 3 Model van een officierspet van de Royal Air Force

Naspeuringen

Op internet kwam ik ooit een lijst tegen met de namen van de bemanningsleden. P.D. Swallow stond er inderdaad op. P.D. stond voor Paul Douglas. De naam Coates kwam er niet in voor. Hij maakt dus geen deel uit van de bemanning, alleen zijn boekje was in het toestel.

Bij het schrijven van mijn vorig blog over de neergestorte Vickers Wellington, kwam ik op het idee om alsnog naspeuringen te doen naar de neergehaalde Short Stirling. Ik begon met de naam P.D. Swallow. Na enig zoeken vond ik een uitgebreid verslag van wat er gebeurd was, evenals de namen van de bemanning.
Van de acht bemanningsleden waren er zeven gedood, waaronder P.D. Douglas. Een van de bemanningsleden Sgt. Robert Clarke had zich via een parachute in veiligheid gesteld. Hij werd opgevangen door een ‘goede’ Belg en verborgen gehouden. Via de ‘pilotenlijn’ slaagde hij erin Gibraltar te bereiken en van daaruit terug te keren naar Engeland.
De piloot was Fl/Lt. Cyril Ernest Coombs, 22 jaar , Fl/O.  Paul Douglas Swallow, 23 jaar, wordt op een gedenkplaat aangeduid als de  navigator.

Monument en begraafplaats

Zoals gezegd was het toestel net over de Maas in België terechtgekomen en wel op het grondgebied van het dorp Rotem.  De eigenaar van het land, waarop het toestel was neergekomen, de Belg Sylvester Colson, heeft ter nagedachtenis aan de omgekomen bemanning ter plaatse een monument opgericht. Het monument bestaat uit een kei met een gedenkplaat en een zitbank (zie afb. 4 en 5).

knipsel-stirling-2kopie
afb.4 Monument ter nagedachtenis van de omgekomen bemanning van de neergestorte Short Stirling in de plaats Rotem (België)

knipsel-stirling-3kopie

afb.5  Gedenkplaat met namen van de bemanningsleden

De omgekomen bemanningsleden werden begraven op een begraafplaats in St. Truiden, België. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werden ze herbegraven op het Heverlee War Cemetry in België (zie afb. 6). De tweede grafsteen vanaf links is die van P.D. Swalloow. Als Flying Officer kennelijk tweede in rang. Helemaal links is de grafsteen van de piloot Flight Lieutenant C.E. Coombs.

knipsel-stirling-4kopie

afb.6 Grafstenen van de bemanningsleden op het Heverlee War Cemetry

Epiloog

In de nacht van 13 op 14 juli 1943 was ik toeschouwer van een bizar schouwspel. Een gevecht tussen de jager en zijn prooi. De prooi was een Engels bombardementsvliegtuig, dat gevangen in zoeklichten een gemakkelijk doelwit vormde. De jager was een Duitse nachtjager, die vanuit een ‘dode hoek’ het Engelse vliegtuig onder vuur nam en trof met een voltreffer. Het Engelse vliegtuig werd onbestuurbaar en stortte neer, waarbij zeven van de acht bemanningsleden om het leven kwamen. Slechts een bemanningslid wist zich per parachute te redden.

Rest de vraag waarom de overige bemanningsleden zich ook niet per parachute in veiligheid hadden gesteld. De overlevende Robert Clarke wordt aangemerkt als boordschutter. Hij vond tijdens de crash mogelijk snel een uitgang, hetgeen de overige bemanningsleden niet lukte. Zij gaven in ieder geval hun leven voor hun vaderland.

Maastricht, 28 oktober 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Voor degene, die geïnteresseerd is in een volledig verslag van dit oorlogsincident, zie onderstaande website. De afbeeldingen 4, 5 en 6 zijn van deze website.

http://www.aircrewremembered.com/coombs-cyril.html

 

.

 

Advertenties

Bemanning Wellington geëerd

17 Okt

Neerstorten Brits vliegtuig boven Grevenbicht in Tweede Wereldoorlog

Herdenking gebeurtenis 75 jaar geleden

Inleiding

wellington-3
afb. 1 Vickers Wellington bommenwerper

In de krant De Limburger van 5 oktober jl. stond een artikel met als kop: Bemanning Wellington geëerd. Het artikel vermeldt, dat het op 15 december 2016 vijf en zeventig jaar geleden is, dat boven Grevenbicht een Brits vliegtuig neerstortte, gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Het ging om een Vickers Wellington bommenwerper (zie afb. 1), die beladen met bommen op weg was naar de stad Keulen in Duitsland.
In het artikel wordt Ger Wagemans opgevoerd als ooggetuige. Aangezien het toestel dicht bij zijn woonhuis neerstortte, was hij snel ter plaatse van de rampplek.

Ook ik, toen 15 jaar oud, was ooggetuige, zij het dat ik midden in het dorp Grevenbicht woonde en niet wist waar het toestel precies was terechtgekomen.

Wat was er gebeurd

In de avond van 15 oktober 1941 vertrokken 27 Vickers Wellington bommenwerpers, alsmede 7 Short Stirling bommenwerpers vanaf Engelse vliegvelden om de stad Keulen te bombarderen. Onder de Wellington vliegtuigen bevond zich de Vickers Wellington X9978. Dit vliegtuig had een 6-koppige bemanning, waaronder een Australische piloot en vijf Britse bemanningsleden.
De bemanning was zeer ervaren. Vier van hen hadden gezamenlijk meer dan twintig vluchten naar Duitsland gemaakt. Nieuw was de Australische piloot en een Brits bemanningslid.
Voor de piloot Keith John Miller was dit zijn vijfde vlucht (zie afb. 2).
Het vliegtuig was beladen met zes bommen, een zware van 500 kg en vijf lichtere van 250 kg.
knipsel-keith_john_miller

 

afb. 2 De Australische piloot Keith John Miller

Toen de vliegtuigen Duitsland naderden, begonnen de Duitsers met sterke zoeklichten het luchtruim af te zoeken. Zij slaagden erin om de Vickers Wellington X9978 in het vizier te krijgen. Onmiddellijk sloten twee andere zoeklichten aan. Soms slaagde een vliegtuig erin om zich aan de stralen te onttrekken, maar de Wellington X9978 lukte dat niet.
Inmiddels was er vanaf de Fliegerhorst Venlo een Duitse nachtjager opgestegen, met als piloot Feldwebel Heinz Maier. Waarschijnlijk ging het hier om de Messerschmitt Me-110, een beruchte nachtjager. De Messerschmitt Me-110 was oorspronkelijk een tweemotorige lichte jachtbommenwerper. Maar door zijne geringe wendbaarheid overdag niet opgewassen tegen de eenmotorige jachtvliegtuigen, zoals de Spitfires en de Hurricanes. Maar als nachtjager was het toestel door zijn grote actieradius, zijn ruimte voor radarapparatuur en zijn zwaardere bewapening, zeer gevreesd.

De Messerschmitt Me-110 slaagde erin om de Wellington X9978 tijdens een gevecht boven de Staatsmijn Maurits in Geleen-Lutterde in brand te schieten.  De Wellington X9978 boog af naar het noorden en verloor snel hoogte. Volgens ooggetuigen kwam het toestel boven de dorpen Obbicht en Grevenbicht terecht. De bemanning wist deze dorpen te ontwijken en loste een aantal bommen boven het vrije veld.

Het vliegtuig raakte onbestuurbaar en kwam met brullende motoren brandend terecht nabij het dorp Grevenbicht in een gebied, dat aangeduid werd als ‘de Deiler’.
Waarschijnlijk had het vliegtuig nog bommen aan boord, want de inslag vormde een krater van wel zes à zeven meter breed en diep. Ger Wagemans ws na de inslag snel ter plaatse en heeft de ontzielde lichamen van twee bemanningsleden gezien. Zij hadden geprobeerd zich met parachutes in veiligheid te stellen, maar de parachutes waren niet opengegaan, waarschijnlijk door de geringe hoogte.

De rest van de bemanning bevond zich nog in het vliegtuig. De zes bemanningsleden werden op last van de bezetter begraven op een oorlogskerkhof in Venlo. In 1945 werden ze herbegraven op de Engelse militaire begraafplaats Jonkerbos te Nijmegen.

De andere dag

knipsel-wellington_kraterkopie

afb. 3 Krater van de inslag van het neergestort toestel, na enkele dagen gevuld met grondwater.

De dag erna nam ik het initiatief om de plaats van de inslag te zoeken. Door de dijk langs de uiterwaarden van de Maas af te lopen, kwam ik automatisch bij de plaats van de inslag terecht. De krater, die het neerstortend vliegtuig had veroorzaakt, lag niet ver van de dijk (zie afb. 3). Ik trof er een aantal jongens van het dorp aan, alsmede een meisje van onze leeftijd. Bovendien waren er een aantal Duitse soldaten van de Luftwaffe, die de wacht hielden bij de krater. Er was verder niets te zien, de Duitsers hadden de lichamen en mogelijke resten van het vliegtuig reed afgevoerd.
Wij mochten de krater niet bezoeken. Wel nam een militair ons mee in de richting van de krater en wees ons op een afgescheurde hand van een bemanningslid, dat in de modder lag. Kennelijk was deze door de opruimploeg over het hoofd gezien.
Ook liet de militair ons een loods parachute zien. Een kleine parachute, die dienst doet om de grote parachute uit te vouwen.

Ik kon het gesprek van de Duitse militairen goed volgen. Het was nog al melig, per slot van rekening zaten ze op wacht bij een groot leeg gat. Onze aanwezigheid werd getolereerd en wij zaten op een rij op de dijk. De militair met de loods parachute aan de ene zijde, het meisje aan de andere zijde. Plotseling zag ik dat de militair de parachute in de richting van het meisje wierp, dat daar niet op bedacht was. Toen de parachute aan mij voorbij vloog, plukte ik ze uit de lucht.  De militair werd boos en barstte uit: “Lass doch fliegen, Mensch”.  Woorden, die ik niet meer ben vergeten. Ik weet niet wat de opzet van de militair was, het meisje onverhoeds raken, of haar de parachute geven.
Merkwaardigerwijs vroeg hij, noch een andere militair, de parachute terug, zodat ik ze mee naar huis kon nemen. Kennelijk wisten ze ook geen raad met het ding en was op die manier de zaak opgelost.

Zo had ik een stoffelijk aandenken aan de ramp. Helaas ben ik de parachute kwijt geraakt. Er zat weinig zijde aan de kleine parachute en er zal iemand ze hebben opgeruimd, toen ze in de weg lag.

Epiloog

Volgens de berichten, gebaseerd op ooggetuigen, heeft de bemanning er alle aan gedaan om niet op de dorpen Obbicht en Grevenbicht neer te storten. Ze deden er alles aan om het vliegtuig in de lucht te houden. Je kunt je afvragen, waarom sprongen ze niet eerder uit het vliegtuig en waarom losten ze niet alle bommen.

Reden om de bemanning te eren. Op 15 oktober j.l is om 21.17 uur in Grevenbicht een gedenkplaat met de namen van de bemanning onthuld. Het initiatief hiertoe is genomen door de heren Ger Wagemans en Bas Bruls en door de heemkundevereniging ‘Bicht’ overgenomen. Bas Bruls dient overigens genoemd te worden, want dankzij zijn jarenlang onderzoek naar de ware toedracht, is al die informatie boven water gekomen. Hij raadpleegde archieven en documenten, sprak met ooggetuigen en zocht contact met familieleden van de bemanning.
De realisatie van de gedenkplaat is een afsluiting van de naspeuringen en een eerbetoon aan de gesneuvelde bemanning, zij het 75 jaar later.

Maastricht,  17 oktober 2016

Pierre Swillens

Naschrift:

Begin december 2015 waren er grondwerkzaamheden in het kader van het Grensmaas-project op de plaats van de inslag. Daar men rekening hield met de mogelijke aanwezigheid van explosieven gebeurde dit door een gespecialiseerd bedrijf. Er werden delen van het verongelukt toestel naar bovengehaald, zoals een motor, propeller, benzinetank en fragmenten (zie afb. 4). Kennelijk waren deze delen door de explosie in de grond verdwenen.

knipsel-wellington-propeller

afb. 4 Opgegraven fragmenten o.a. propeller van het verongelukt toestel

Sjetse van vreuger (vervolg)

11 Dec

Oet en dörp in Zuid-Limburg

Limburgse dialecten

Seè, seè, rouke

In het boekje ‘Sjetse van vreuger’, aan de hand van Hub Frenken onder het pseudoniem Bertje Op de Kamp, komt een verhaaltje in dichtvorm voor, dat hij heeft getiteld: SEÈ, SEÈ, ROUKE (pag. 67). Hij beschrijft hierin een gebruik in Obbicht, waarbij de kinderen op een bepaalde dag langs de huizen liepen onder het zingen van ‘seè, seè, rouke’, althans volgens Hub. De mensen gaven dan een appel, koekje of snoep. Boeren hadden de voorkeur, want die hadden tenminste appels.
Over dit gebruik heb ik reeds eerder op mijn weblog geschreven, omdat ik, toen ik in Obbicht woonde, als kind  aan dit gebruik had deelgenomen.

Sjef oet Cananda, oudste zoon van Hub Frenken, heeft een andere lezing over dit gebruik. Waarschijnlijk kende hij het gebruik uit zijn eigen ervaring. Hij schrijft dat ze zongen ”sjieëje, sjieëje, rowke. Wat de woorden betekenden wist hij niet, evenals zijn ouders, die hij indertijd ernaar gevraagd had. Hij meende wel dat het zingen gebeurde aan het einde van de oogsttijd. Het woord ‘rowke’ zou wel eens kunnen slaan op het verbranden van ongewenste overblijfselen van de oogst.
Wie er gelijk heeft, weet ik niet. Mogelijk dat iemand van de heemkundevereniging hierover uitsluitsel zou kunnen geven.

Limburgse dialecten

Het lezen van het boekje in Obbichts dialect deed mijn belangstelling voor het Limburgse dialect weer aanwakkeren. Een nadere studie wijst uit, dat bijna elke stad of dorp een eigen dialect hebben. Hierover wil ik in deze en volgende weblogs mijn licht doen schijnen.

Ik heb reeds eerder geschreven over de klankverschillen in de uitspraak van het dialect tussen de dorpen Obbicht en Grevenbicht. Nu wil ik het hebben over een ander kenmerk voor het dialect van deze dorpen, namelijk het rollen met de ‘rrrs’. Een verschijnsel dat zich volgens mij voordoet in de regio, die ik als ‘Maaskant’ zou betitelen. De ‘Maaskant’ strekt zich dan uit vanaf het dorp Elsloo tot en met het dorp Grevenbicht. In de plaatsen hoger of lager gelegen zouden de rollende ‘rrrs’ dan niet voorkomen.

Ofschoon ik meer dan 60 jaar in Maastricht woon, merken soms mensen op dat ik met de ‘r’ rol. Vooral door mensen, die uit de ‘Maaskant’ afkomstig zijn. Mijn kinderen plaagden mij hier wel eens mee. Dan hadden ze het over ’n grries brrook mit brreij piepe en ‘ne brreije brroene rreem (een grijze broek met brede pijpen en een brede bruine riem).  Kon ik wel om lachen.

Hae trrap ‘m toch in de rrök

Ik herinner mij wat betreft het rollen met de ‘r’ een opmerkelijk voorval. Jaren geleden bezocht ik de voetbalwedstrijd MVV – Fortuna. Ik had in het Geusselt-stadion plaatsgenomen op de toen nog staantribune aan de lange zijde. Plotseling hoorde ik iemand achter mij roepen: “Hae trrap ‘m toch in de rrök” (Hij trapt hem toch in de rug). De scheidsrechter had volgens hem niet gefloten voor een overtreding van een MVV-speler op een Fortuna-speler.
Opvallend was dat ik de rollende ”r’ herkende, maar dat ik ook de stem wist thuis te brengen. Ik keek om en, ja hoor, ik zag ‘gezette-Doar’ (kranten-Theodoor) uit Grevenbicht. Doar was een bekend figuur in Grevenbicht, omdat hij de krant rondbracht. Hij nam ook kleine advertenties aan. De overlijdensadvertenties deed de koster en dat stak hem wel. Doar was kennelijk een fervent supporter van Fortuna.
Jarenlang weg uit Grevenbicht wist ik toch de rollende ‘r’ en de stem te herkennen.

Pierre Swillens

Sjetse van vreuger

16 Nov

Oet en dörp in Zuid-Limburg

Limburgse dialecten

‘Sjetse van vreuger’

Scan_Hub_Frenken

Onlangs ontving ik van Mañec, de jongste dochter, het boekje ‘Sjetse van vreuger’, geschreven door haar vader Dr. Hub Frenken onder het pseudoniem Bertje Op de Kamp. Het boekje bevat verhaaltjes in dichtvorm en is geschreven in het Obbichts dialect. De verhaaltjes hebben betrekking op de jeugdjaren van Hub Frenken, welke hij doorbracht in zijn geboortedorp Obbicht. Het boekje werd in 1988 uitgegeven door de Stichting Charles Beltjens, Sittard. De illustratie op het voorblad is van Hub Frenken zelf en wordt door hem omschreven als ‘wie sjoan oos dörp dao vreuger laog’.

Over de veelzijdigheid van Hub Frenken heb ik reeds eerder geschreven. De belangstellende lezer kan deze terugvinden in mijn weblog op 16, 19 en 22 november 2013. Ondanks het feit dat Hub Frenken de hele wereld bereisde, bleef hij zijn geboorteplaats Obbicht en het Limburgs dialect trouw. Op latere leeftijd schreef hij in 2000 het boek ‘Beelden uit mijn kinderjaren, trekken aan mijn oog voorbij’. Ook hier weer verhalen uit zijn jeugd in Obbicht. Het boek is een uitgave van de Stichting Davidshuis Pers, Rotterdam. De stichting is inmiddels opgeheven en het boek is niet meer verkrijgbaar.

DEN DOKTER (ôm 1900)

In ”Sjetse van vreuger beschrijft Hub Frenken in een lang verhaal de entree van de huisdokter in het dorp Obbicht. Eerst per koets van elders, of per bootje over de Maas vanuit België, later vestigde zich een huisarts in het nabijgelegen dorp Grevenbicht, Als oud-inwoner van Obbicht en Grevenbicht kan ik mij deze dokter nog goed herinneren. Eerst als patiënt, ofschoon ik hem als kind niet vaak nodig had. Later als trouwe fan van de voetbalclub Armada uit Grevenbicht, waarin ik voetbalde.
Hij woonde in een mooie villa in het centrum van het dorp. Achter de villa was een grote tuin, waarin ook fruitbomen stonden. Op een avond besloten we om ons tegoed te doen aan zijn rijpe appels. Kennelijk had hij al eens eerder ’s avonds bezoek gehad, want hij betrapte ons terwijl we bezig waren onze zakken te vullen. Wij moesten een goed heenkomen zoeken, hetgeen niet zo gemakkelijk ging, omdat we met zijn allen door één gat in de omheining moesten. Maar kennelijk was hij al niet meer zo goed ter been.

Melecien

In het verhaal gebruikt Hub het woord melecien, waarmede hij medicijn bedoelt. Ik vertelde Mañec dat ik dat woord uit mijn jeugdjaren in Obbicht niet kende. Zij bevestigde dat haar vader dat woord vaker gebruikte. Later zou Hub zelf arts worden, dus beroepshalve zal hij het ook wel gehanteerd hebben.
Dat het woord melecien  werd gebruikt, is waarschijnlijk, want het Sittards dialect kent het woord ‘millesien’, in het Heerlens dialect is dit ‘mellesieng’.

VEURWOORD

De laatste drie strofen van Hubs voorwoord in ‘Sjetse van vreuger’ luiden als volgt:

Veùl jaore bên ich weggewêes
in vrêem lènj euverzeè.
Wie ‘ch trùkkaom kênd’ ich veùl
van oos awd dörp neet meè.

Ich bên noe awd, al tachtig jaor.
’t Wurt tied noe ôm te gaon.
Ich dênk dat Peètrus al de paort
veur mich hêet aopestaon.

Ich dênk zoe gêer nog effe trùk
aan ’t Limburgs dörp van doe.
En wat ich dênk sjrief ich noe op
straks gaon mien auge toe.

Hub Frenken schreef dit voorwoord op tachtig jarige leeftijd. Hij zou echter nog in leven blijven tot 15 februari 2001. Hij werd net geen 94 jaar oud.
Uit zijn woorden blijkt wel zijn aanhankelijkheid aan zijn geboortedorp Obbicht.

De Kus

Hub Frenken was een familiemens. Met zijn vrouw Betta Pernot, eveneens uit Obbicht afkomstig, deelde hij lief en leed. Samen kregen ze vijf kinderen. Toen zijn vrouw op 3 september 1999 overleed, was hij 64-jaar met haar gehuwd. Na haar dood schreef hij het volgende gedicht, nu eens niet in het dialect:

De Kus

Buiten is het guur
De wind jaagt vlagen sneeuw tegen de ruiten
Ik zit hier binnen aan de haard
Mij deert het weer niet buiten.

Ik zag de vlammen spelen om het hout
En pluimen rook die werden opgezogen
Ik sloot mijn ogen en ze droegen heel mijn sluimer
Naar dingen die het verstand niet vat
Ik hoor heel lieve woorden
Alsof zij hier nog naast mij zat.

Een rookpluim scheidde zich af van ’t vuur
Ze kwam naar voren naar mijn hoofd
Heel zacht raakte zij mijn wang, mijn voorhoofd en mijn mond
Je zult het niet geloven
Maar heus, ik heb die kus gevoeld
die zij uit d’eeuwigheid mij zond

(ondertekend J.H. Frenken)

Noonk Sjaak, de kapper

Ter illustratie van de verschillede dialecten en de verschillende uitspraken hiervan, haal ik een verhaal aan, dat ik op 14 mei 2012 op mijn weblog schreef onder de titel: ‘Noonk Sjaak, de kapper’. Zelf woonde ik toen in Obbicht, Noonk Sjaak in Grevenbicht. Noonk Sjaak had een dames- en een herenkapsalon en was een (aangetrouwd) familielid van mijn moeder. Wij brachten hem wel eens een bezoek en dan moest ik als 5-jarige meehuppelen. Als Noonk Sjaak dan zijn salon vol klanten had zitten, dan zei hij wel eens: “Jong, zègk ’t nog ins”.  Dan wist ik dat ik moest zeggen: “Aan de kéntj van het léndj steit ein ménj mit zéndj”. Dat leverde dan de nodige hilariteit op, het waarom ontging mij.  Pas later begreep ik dat de Grevenbichtenaren de zin uitspraken als: “Aan de kantj van het landj steit ein manj mit zandj”.  Kennelijk liepen de isoglossen van deze uitspraak midden tussen deze dorpen, die hemelsbreed misschien 1,5 km uit elkaar lagen.
Ook Hub Frenken gebruikt in ‘Sjetse van vreuger’ de Obbichter variant. In zijn gedichten komen de woorden ‘kentj’ en ‘lendj’ voor, zij het dat hij geen schrifttekens gebruikt voor de uitspraak.

Sjef oet Canada

Mañec heeft het verhaaltje van Noonk Sjaak, de kapper op mijn suggestie gestuurd naar haar broer Sjef in Canada. Sjef is de oudste van de kinderen Frenken en woont reeds vanaf zijn achttiende (ik weet niet onafgebroken) in Canada. Toch is hij het Obbichts dialect trouw gebleven (Mañec vertelde mij, dat in een telefoongesprek met Sjef moeiteloos naar het dialect wordt overgestapt).
Sjef wist het verhaal van Noonk Sjaak kennelijk te waarderen, maar hij had  enkele suggesties. Zelf zou hij Noonk Sjaak schrijven als Nónk Sjaak, met een korte lange (ó). Aangezien ik dat korte lange (ó) niet begreep, heb ik dat opgezocht en inderdaad in het Sittards dialet kent men in de uitspraak de korte (o), de lange (oo) en de korte lange (ó). Het is maar, dat u het weet.
Opmerkelijk is dat Hub in zijn verhaaltjes het dialectwoord nônk gebruikt, waarbij hij aan geeft dat de korte ô moet worden gelezen als de o in roman.
Overigens kwam ik erachter dat in het Geleens dialect wel degelijk van ‘noonk’ voor oom wordt gesproken, dus helemaal fout zat ik niet. In het Geleens dialect vind ik veel woorden terug, die we ook in het Obbichts dialect gebruikten.

Gelaens (Geleens) dialect

Een en ander heeft mij er toe aangezet, om mij meer te verdiepen in het Limburgs dialect, waarover later meer. In het verhaaltje van Noonk Sjaak deed ik maar wat, gewoon op mijn gevoel en vanuit mijn herinneringen uit mijn jeugd. Maar ik heb nu al begrepen, dat het niet zo eenvoudig is om je te verdiepen in het Limburgs dialect. Bijn elke stad of dorp heeft een eigen woordenschat en een eigen klankkleur. Zie mijn verhaal over het klankverschil tussen de dorpen Obbicht en Grevenbicht.

Dat het leuk wordt, kan ik jullie garanderen. Neem bijvoorbeeld het Gelaens (Geleens) dialect. Ik kwam een woordenlijst tegen met 155 gezegdes in Gelaens dialect. Het eerste gezegde luidde: ‘Aan de sjiet zin’ (Aan de diarree zijn). Een situatie, die wel eens kon voorkomen.

Het volgende gezegde was vriendelijker, het luidde ‘Sjuumke trèkke’ (Aan een flesje dropwater lurken). Dat kon ik mij nog uit mijn jeugd herinneren.
Je kreeg van je ouders een lege bierfles met een beugelsluiting en een stuk ‘houtkook’ (soort drop). Deze werd afgeslagen van een lange staaf. (De ‘houtkook’ was in huis om samen met ‘borssokker’ (brokken kandijsuiker aan een touwtje) een hoestdrank te fabriceren, wanneer iemand verkouden was of hoestte).  Het stukje ‘houtkook’ ging samen met wat water in de fles. Door flink te schudden, vormde zich ‘sjummke’ (schuim) in de hals van de fles. Dit schuim werd vervolgens opgezogen (trèkke). Dit werd een aantal keren herhaald, totdat zich geen schuim meer in de hals vormde. Dan was de lol eraf, want het dropwater smaakte naar geen kant.
Opmerkelijk is, dat Hub Frenken het gebruik van ‘houtkook’ kende. In ‘Sjetse van vreuger’ schrijft hij op pagina 70 onder de titel HOUTSKOOK een verhaaltje, hoe hij bij ‘Liebeke oet  de steeg’ steeds ‘houtskook’ kocht. Hij vertelt niets over ‘sjuumke trèkke’, maar dat zal hij wel gedaan hebben, want de kale ‘houtkook’ was niet te pruimen.

Even verderop in de lijst komt  het gezegde ‘Doe bès e sjiethoes’ (Bangerik).  Het blijft dus in stijl.

Pierre Swillens

(wordt vervolgd)

De bende van Beeg

10 Okt

Escapades uit mijn jeugd

Nachtrave

Verhuizing

Toen ik een jaar of tien oud was, verhuisden wij naar Grevenbicht (Beeg). De winkel ging mee. Van vestigingsvergunningen was toentertijd nog geen sprake. Zo kon het gebeuren, dat op 50 meter afstand van onze winkel een gelijksoortige winkel gevestigd was. Die winkel werd bestierd door een weduwe en werd aangeduid als “Bie Nes van Thèr”. Kennelijk had haar man met zijn voornaam Woltheris geheten en ging zij als Agnes door het leven. De winkel was bovendien een ‘hangplek voor jongeren’, die onder besteding van één cent genoeglijk  de vrije zondagmiddag doorbrachten. Volop concurrentie dus.
Twee van dergelijke winkels, haast naast elkaar, dat kan nooit goed gaan. Onze winkel legde ook snel het loodje. Bovendien was onze winkel niet in te richten als hangplek.

Nachtelijk vertier

Inmiddels was in 1940 de Wereldoorlog II uitgebroken. Voor Nederland althans. Veel te beleven was er toen niet. Al snel werd de ‘totale verduistering’ ingevoerd. Uit mijn generatie zocht zich een aantal jongens op, die zich in de weekends tijdens de avondlijke uren verzamelde tot een ‘bende’. De bende had een wisselende samenstelling. Als ‘meeloper’ hoorde ik er ook bij. Aan het hoofd van de bende stond “de Peup” (z.g.). Hij bepaalde wat er gebeurde. Er werd niet eerder vertrokken, dan dat hij erbij was.

Ik gebruik het woord ‘bende’, maar er gebeurde niets wat niet door de beugel kon. Het was meer een slenteren in de hoop, dat er iets zou gebeuren. Een geval van onrechtmatigheid kan ik mij herinneren. De in het dorp wonende huisdokter had in zijn behoorlijk grote tuin fruitbomen staan. De bende ging daar ’s avonds wel eens een appeltje plukken. De eerste keer dat ik daarbij was, was het meteen raak.
De dokter had er kennelijk lucht van gekregen. Terwijl wij ons tegoed deden aan de appeltjes, kwam hij briesend uit het avondlijk duister opdagen. Wij maakten ons zo snel als mogelijk uit de voeten. Hij was niet zo snel ter been om iemand van ons te pakken te krijgen. Misschien wilde hij dat ook niet. Ik kan mij herinneren, dat er maar één gat in de omheining was en dat wij daar allemaal doorheen moesten.

Onschuldig vermaak

Een voorval herinner ik me, omdat ik toen bewondering had voor de geleverde prestatie. Een van de jongens, laten we hem uit privacy-overwegingen Hoebèr noemen, had een geschikte methode uitgevonden om op slapende mussen te jagen. Er kwam echter geen buks aan te pas.
Midden in het dorp was een café met een aangrenzende danszaal. Door de toenmalige uitbater werd het café ‘de Multro’ genoemd. Hij heette met zijn achternaam Mulder en zijn vrouw Tromp, vandaar. Het was een schippersechtpaar, dat aan de wal was gaan wonen en hun schip, dat ook ‘Multro’ heette aan hun kinderen overgelaten.
Het café was vroeger een boerderij geweest en de danszaal mogelijk een verbouwde schuur. De dakrand van de danszaal was op een hoogte van drie meter en stak aan de straatkant over de zijgevel. Onder die dakrand hadden zich slapende mussen genesteld, die daar zorgeloos dachten de nacht door te brengen. Tot Hoebèr zijn kunstje vertoonde.

Een van de jongens beschikte over een uitstekende zaklamp, waarmede de slapende mussen werd beschenen. Die zaten met hun kop tussen de veren en merkten er dus niets van. Hoebèr haalde zijn lid uit zijn broek te voorschijn en kneep met twee vingers de voorhuid dicht. Hij vulde zijn ‘geval’ met urine totdat er een behoorlijke ballon ontstond. Daar drukte hij op en spoot op drie meter hoogte de mussen feilloos uit de dakrand. De mussen waren niet berekend op zo’n warme douche en stoven ijlings weg. Of ze er ooit nog geslapen hebben, weet ik niet.

Misschien willen jullie het niet geloven, maar ik stond ernaast. Met gesloten broek weliswaar, maar met open mond. Zo’n prestatie had ik niet voor mogelijk gehouden. Ik heb het zelf op de binnenplaats een keer geprobeerd, maar ik haalde een miezerige 1,5 meter. Bovendien zag ik het nut er niet van in . Hoebèr denk ik wel en ik verdenk hem ervan vaak geoefend te hebben. Het kon wel eens van pas komen.

Joy-riding

Ook na de bevrijding bleef het clubje bij elkaar. Meer als vriendenclub, die ook in de weekends overdag vertier zochten. Daar ik andere interesses had gekregen, was ik er vaak niet bij. Het volgende verhaal heb ik dus uit de tweede hand.  Aan de rand van het dorp, richting Obbicht (Obbeeg), was een danszaal ‘Bie de Wetzel’, genoemd naar de uitbater Wetzels. Hij organiseerde dansavonden, die al in de namiddag begonnen. Zo ook op deze betreffende zondag.
Beeg-1Twee Amerikaanse militairen hadden dit opgemerkt en hun GMC-truck (zie foto) ter plaatse geparkeerd. Zij hadden pech, want op dat moment passeerde de ‘bende van Beeg’. Zij constateerden tot hun genoegen, dat de militairen de sleutel in het contactslot hadden laten zitten. Niemand kon echter autorijden, laat staan een dergelijke truck besturen. Een van de jongens had een baan gekregen bij een aannemer. Om te beginnen mocht hij als bijrijder op een vrachtauto meerijden, meer om te helpen met laden en lossen.

Hij trok de stoute schoenen aan en kroop achter het stuur. De motor werd gestart en de jongens kropen in de laadbak. Het verhaal gaat, dat er een plaatsnam op een spatbord van de motorkap. Toentertijd was er weinig verkeer. De jongen reed de straat af, nam twee flauwe bochten en reed vervolgens de Houtstraat af. Aan het einde hiervan ligt een T-splitsing met de Boulevard. Die T-splitsing was teveel voor de jongen, de truck daverde rechtdoor. Hij had de pech, dat dwars op de T-splitsing het gemeentehuis lag (zie foto).

Beeg-2

De truck koos keurig de drie hardstenen trappen en kwam met zijn motorkap vast te zitten in het portaal. De tweezijdige toegangsdeur klapte uitnodigend open. Het was een knappe prestatie van die jongen om de truck feilloos in het portaal te krijgen.  De trappen remden de vaart van de truck af en de hardstenen omranding deed de rest. Bij een botsing tegen een muur was de klap groter geweest, evenals de schade.
De Amerikanen moesten met groot materieel de truck wegslepen. De voorwielen waren dwars gaan zitten, zodat bij het achteruitsteken van de truck de hardstenen omranding van het portaal het moest ontgelden. Zodoende was er toch nog schade aan het gemeentehuis.

De ‘club’ mocht van geluk spreken, dat er zich geen persoonlijke ongelukken hadden voorgedaan. Alleen de jongen op de motorkap had enig letsel. Ook kwam volgens mijn weten justitie er niet aan te pas. De Amerikanen lieten zich niet meer zien. Zij hebben waarschijnlijk de schade aan het gemeentehuis vergoed.
De benaming Joy-riding bestond toen nog niet. De ‘club’ was er de uitvinder van.

Nu zullen jullie zich afvragen: “Wie was dan die jongen?” Juist, dat was Hoebèr. Naast deskundig ‘piesen’, kon hij deskundig autorijden. Al was hij bij het eerste succesvoller.
Hoebèr werd later chauffeur op een lijnbus.

Pierre Swillens

Dialect (13)

10 Jul

Registratie kerkbezoek

Misdienaarkoor

De Meister

In de derde klas van de Lagere School te Obbeeg (Obbicht) hadden we geen juffrouw, maar ‘eine Meister’ (onderwijzer, aangesproken als meester). Ik kan mij niet veel van hem herinneren, ook geen naam en toenaam en hoe hij eruit zag. Zo’n sterk figuur was het dus ook weer niet. Wel kan ik mij twee akkefietjes met hem herinneren.

Registratie kerkbezoek 

Onlangs zag ik tussen mijn papieren een rapport van de Lagere School, zowel van mijn schooljaren in Obbeeg  als die in Beeg (Grevenbicht). Ik vond het zo”n waardevol document, dat ik dacht, dat moet je ‘goed’ opbergen. Met het gevolg dat ik nu niet weet, waar dat ‘goed’ precies was. Had ik het maar laten liggen. Maar ja, het zal toch wel eens te voorschijn komen.

Opvallend in het rapport was, dat in de derde klas met de pen een aantekening was gemaakt, vermeldend “Kerkbezoek:  13 van de 57”. Wij waren dus geregistreerd voor kerkbezoek voor aanvang schooltijd, naar ik meen zonder voorkennis. De registratie was dus wettelijk illegaal. Gelukkig waren er geen sancties aan verbonden.
Trouwens, wie had men moeten sanctioneren, de scholieren, die de H.Mis ’s morgens spijbelden, of de ouders, die de kinderen niet wekten en niet aandrongen op kerkbezoek.  Gezien mijn geringe deelname zou je dit laatste moeten veronderstellen, ik had als achtjarige nog geen wekker.

Haringen halen ‘bie de Beut

Ik kan mij herinneren, dat de Meester mij op een morgen voor het begin van de les vroeg, waarom ik de H.Mis niet had bezocht. Vol vertrouwen vertelde ik hem de waarheid. Mijn moeder had mij gewekt en voor een boodschap gestuurd. Volgens haar korte termijn-planning wilde zij die dag haringen in het zuur zetten. Daarvoor had zij echter haringen nodig, dus ik moest die maar even halen. De haringen kregen bij haar een hogere prioriteit dan de H.Mis.

Waarheidsgetrouw meldde ik aan de meester: “Meester, ik moest een boodschap doen”. “Wat voor een boodschap, dan”, zei de meester, waarop ik kon antwoorden: “Ik moest haringen halen bie de Beut, meester”.
Je zag de ongeloof op zijn gezicht. Een boodschap vóór de H.Mis en nog wel haringen. En wie was de Beut? Dat laatste vroeg hij niet, want dan had ik hem kunnen antwoorden, dat de Beut gewoon Beuten heette, een genaturaliseerde Belg met een onbestemde winkel.

De meester liet het erbij. Hij kon niets met mijn vroege boodschap. Waarschijnlijk was hij het, die met genoegen de welsprekende aantekening Kerkbezoek: 13 van de 57 in mijn rapport had geschreven.

De aantekening in het rapport verdween overigens weer, ook hier zonder kennisgeving. Voortschrijdend inzicht had waarschijnlijk het onderwijspersoneel duidelijk gemaakt, dat de beoordeling niet op de schoolgaande kinderen betrekking had, maar op de al of niet matineuze ouders.

Misdienaarkoor

Het werd Kerstmis en de meester vertelde ons, dat hij een koor uit zijn klas ging vormen, die tijdens de Kerstdagen de H.Mis met gezang stichtelijk zou opvrolijken. Wij vonden dat een goed idee. Nadeel was wel, dat je tijdens alle missen aanwezig moest zijn. Voordeel was, dat het iets onbekends inhield.

De meester organiseerde een zang-tryout, naar ik meen in de kerk voor een juiste akoestiek. Wij hadden een kerstliedje ingestudeerd en dat dirigeerde hij. Plotseling stopte hij, wees naar de jongen naast mij en zei: “Ga jij maar naar huis”.
Je kunt van de meester zeggen, wat je wil, maar een goed gehoor had hij wel. Hij hoorde dat het gezang van de jongen naast mij net iets slechter was, dan dat van mij.
Ik was opgelucht, dat mij die schande van wegsturen was bespaard. Ik kreeg niet de indruk, dat de weggestuurde jongen er erg onder gebukt ging. Na de Kerstmis zou het ad-hoc-koor immers weer worden ontbonden.

Op de dag van optreden hesen we ons in echte misdienaargewaden.  Wij kregen een kijkje achter de schermen in de sacristie.
De gelovigen zullen het mooi hebben gevonden. De optredens werden niet herhaald en er zijn geen contracten uit voortgevloeid. Holland’s Got Talent bestond toen nog niet.

Pierre Swillens

Dialect (12)

6 Jul

Harie, de kapper

Winter- en zomerkapsel

Gooi kamer

Het Julianakanaal kwam gereed. De grondwerkers, alsmede de kostheren onder hen, waren verdwenen. Mijn ouders bezonnen zich op een nieuwe bron van inkomsten.
Nu hadden wij in ons huis aan de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) een voorkamer aan de straatzijde. Deze kamer werd de ‘gooi kamer’ genoemd. Daarin stonden de betere meubels, voor een prikje op de kop getikt op een veiling. Zo herinner ik mij ongemakkelijk zittende pluche stoelen met fragiele ronde leuningen. Wij verbleven er nooit. Misschien op een feestdag als er bijzondere visite was. Het rendement van de kamer was dus vrij laag. De deuren bleven altijd dicht.

Dat moet mijn ouders aan het denken hebben gezet, want op zekere dag was de voorkamer een kapperszaak. Wij (mijn zus en ik) hadden er niets van gemerkt. De transformatie moet hebben plaatsgevonden, als wij naar school waren. En als we thuis waren, dan bleven de deuren toch dicht.

Wat was er gebeurd?

Ik heb reeds eerder in een Post verteld over Noonk Sjaak, de kapper. Noonk Sjaak had drie zonen en de oudste Harie was ook kapper. Waarschijnlijk loonde het niet om samen met zijn vader in Beeg (Grevenbicht) een kapperszaak te bestieren, dan wel zochten ze naar expansie. Maar dan wel in een ander dorp.
Tijdens een familieberaad moet het idee geopperd zijn om een kapperszaak in Obbeeg te beginnen, maar waar.  Vermoedelijk hebben mijn ouders daarop de voorkamer aangeboden. Wij werden in ieder geval niet bij de besluitvorming betrokken, in die tijd bestonden  er nog geen ondernemingsraden of andere overlegorganen.

Kapperszaak

De meubelen gingen uit de ‘gooi kamer’ en werden opgeborgen op de zolder. De kapperszaak werd ingeruimd, een scheerstoel, een scheerspiegel en enkele stoelen. Klaar was Kees, of liever gezegd Harie. Veel was er dus niet voor nodig.
Maar nu nog klanten. Die waren er helaas niet. Ik heb het nooit vol zien zitten. Harie moest bovendien per fiets van Beeg komen en aangezien er geen klanten waren, kwam hij onregelmatig. Met het gevolg dat, als er een klant was, Harie er niet was en omgekeerd als Harie er wel was, geen klanten. Kunt u het nog volgen?
Geen productieve zaak dus en de huuropbrengsten zullen navenant geweest zijn.

Jongenskapsels

Ik was toen in een leeftijd van zeven of acht jaar. Jongetjes droegen een winter- en een zomerkapsel. Bij een winterkapsel  mocht het haar groeien, lekker warm dus. Bij een zomerkapsel ging alles eraf, lekker koel dus. Om te laten zien, dat je haar op je hoofd had, bleef aan de voorzijde een pony staan, net zo iets als bij Mireille Mathieu bijvoorbeeld. Maar dan blond en met minder haar.  Het haar kreeg dan de tijd om weer bij te groeien en alleen de pony moest nu en dan worden getrimd.

Verandering van kapper

Ik weet bij God niet, wie in die dagen mijn haar knipte. Was trouwens maar tweemaal per jaar nodig. Ik denk Noonk Sjaak, want die bezochten we regelmatig.
Maar nu we de kapper in huis hadden, was de situatie duidelijk. Harie zou mij knippen. Er waren geen andere klanten en ik was traditiegetrouw toe aan het wijzigen van het winterkapsel in een zomerkapsel. Alles moest er toch af, dus veel te verprutsen viel er niet.

Fysieke marteling (start)

Klanten waren er niet, dus Harie had er alle tijd voor. En moeder wilde ook wel eens zien, hoe netjes ik werd geknipt.
Ik mocht plaatsnemen in de grote kappersstoel, en kreeg een royale kappersmantel om, die ergens in mijn nek werd ingestopt. In volle verwachting was ik benieuwd naar het resultaat. Dat kwam er snel, te snel naar mijn idee.

Harie nam een elektrische tondeuse, begon aan mijn achterhoofd en maakte een streep naar voren tot ter hoogte van het begin van de pony. Ik had dus een streep over mijn hoofd ter breedte van de tondeuse.

Zo, zei Harie, nu ben je klaar, deed mij de kappersmantel af en nodigde mij uit de kappersstoel te verlaten. Ik was even verpopzakt, maar aangezien mijn moeder niet protesteerde, nam ik aan dat het waar was.

Ik begon te bedenken, wat ze de andere dag op school zouden zeggen. Ik zou vast gepest worden met dat rare kapsel. Ik kon dan ook niets anders doen, dan in huilen uit te barsten. Ik had nog niet door, dat je het mikpunt van spot kunt zijn.

Als volwassene denk je, dat je meer had kunnen doen, dan huilen. Je had bijvoorbeeld Dank je wel kunnen zeggen en net doen, alsof je het een leuk kapsel vond. Tien tegen een dat moeder Harie gemaand zou hebben om te stoppen met die flauwekul. Maar zo slim was ik toen niet. Ik bleef huilen en dat is de meest passieve houding, die je kunt aannemen.

Fysieke marteling (vervolg)

Toen ik lang genoeg gehuild had, liet Harie mij weer in de stoel plaatsnemen, deed de kappersmantel om en nam de tondeuse. Hij maakte nu een baan, van rechts naar links, over het hoofd. De banen vormden nu een kruis.

Zo, zei Harie, dat is dan beter en herhaalde de handelingen, zoals eerder omschreven. Deze keer bleef ik in de stoel zitten,maar begon in mijn passiviteit weer te huilen. De gedachten aan de school waren nog schrikbarender met dat vreemde kruis op mijn kop.
Al die tijd bleef mijn moeder meegenieten. Zij beschouwde het als en deel van mijn opvoeding. Daar wordt hij hard van, zal zij gedacht hebben, als ze tenminste iets gedacht heeft.

Fysieke marteling (einde)

U begrijpt het, aan alles komt een einde, ook aan hangen. Toen de lol er een beetje af was en de tortuur te lang had geduurd, werd ik bijgeknipt met een ordentelijke pony. Als meevaller hoefde ik niet te betalen, althans ik zag geen afrekening. Misschien ging het wel met gesloten beurzen.

Epiloog

Je kunt als volwassene een kind behoorlijk onder druk zetten, vooral omdat ze zich niet kunnen verweren. Als ik de leeftijd gehad zou hebben om Harie een welgemikte peer te verkopen, dan waren de verhoudingen in evenwicht geweest. Nu kon ik maar wat huilen, hetgeen de hilariteit nog vergrootte.

Uiteindelijk heb ik het Harie en mijn moeder niet lang kwalijk genomen. Het leven ging verder en misschien was ik er wel sterker van geworden. Het werd een incident, waar om werd gelachen.

U begrijpt wel, dat wegens gebrek aan klanten de kapperszaak van Harie geen lang leven was beschoren. Hij heeft mij maar een keer geknipt, net genoeg.

Moraal: Van je familie, moet je het niet hebben (Harie z.g. was een volle neef).

Pierre Swillens