Tag Archives: Gerrit Kouwenaar

Wiel Kusters (deel 2)

19 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Proza

Inleiding

Wiel Kusters (1947) is een productief man. Hij schreef gedichten, mar ook  proza. Bovendien schreef hij in 2010 een biografie, getiteld Een leven over het leven en werk van de dichter Pierre Kemp. Vervolgens schreef hij in 2014 een biografie, getiteld Mijn versnipperd bestaan over het leven van de kunstcriticus Kees Fens.

Het is ondoenlijk om deze omvangrijke productie te bespreken. Daarom bespreek ik in dit deel een (beperkte) selectie van zijn prozastukken, en zal in deel 3 een aantal voorbeelden van zijn poëzie behandelen.
De selectie is volkomen willekeurig en afhankelijk van de beschikbaarheid van de tekst.

Ik graaf, jij graaft

Wiel Kusters geeft graag blijk, dat hij uit een regio komt waar het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect) wordt gesproken. Zo ook in zijn boek ‘Ik graaf, jij graaft’, dat hij schreef in 1995. Het boek bevat aantekeningen over poëzie.
Hij begint met een kinderversje in ‘Kirchröadsjer Plat’, dat hij in zijn kinderjaren vaak heeft opgezegd.
Het luidt als volgt:
mienne nònk va Pònk
deë hauw inne hònk
deë sjieset loeter kaffejrònk.

Hij doet er ook de vertaling bij:
mijn oom uit Pont
die had een hond
die poept alleen maar koffiedik.

Opvallend is, dat zijn vertaling minder plat is dan het origineel. Moeilijk te duiden is het woord ‘kaffejrònk’. Kaffe (koffie) is nog te volgen, maar ‘jrònk’. Volgens mij staat er ‘grond’. In het Kerkraads dialect wordt de ‘g’ niet uitgesproken, maar een ‘j’ hiervan gemaakt, terwijl de ‘d’ of ‘t’ aan het inde van een woord (na een medeklinker?) wordt gewijzigd in een ‘k’, zie ‘hònk’ (hond).

Wiel Kusters was verrast, toen hij de ‘Aachener Sprachschatz’ (Akens woordenboek) kocht  en hij het woord ‘kaffiejronk opzocht. Hij vond daarbij het volgende versje:
miene Nonk Fonk uus Ponk, déa fresst at luuter kaffiejronk.
Hij (of de Aachener Sprachschatz?) laat hierbij een regel of woord weg, want niet de oom maar de hond van de oom vreet koffiedik. Aan de ene kant van de grens poept de hond koffiedik, aan de andere kant vreet hij dat spul zo laat Wiel Kusters blijken.
Na enig speurwerk op internet vond ik een bevestiging. Mijn verrassing was misschien nog groter dan die van Wiel Kusters. Ik vond namelijk het originele kinderliedje. Dat ging als volgt: :
miene Nonk Fonk us Ponk singe Honk, döm sing Konk ess wonk van alle de kaffigronk döm minge Nonk Fonk us Ponk singe Honk dronk.
Vrij vertaald staat er:
mijn oom Font uit Pont zijn hond, die heeft pijn aan zijn kont van al de koffiedik, die mijn oom Font uit Pont zijn hond dronk. Het versje uit Kerkrade komt in een ander daglicht te staan, want de hond in Aken poept wel degelijk koffiedik.
Het kinderversje is te vinden In een door Matthias Schollen samengestelde verzameling ‘Aachener Volks- und Kinderliedeer, Spiellieder und Spiele’.
Hoe oud het kinderversje is, is moeilijk te achterhalen. Dit soort versjes werd gebruikt om door de alliteraties de tong van de kinderen soepel te maken. Het zou wel eens een oud versje kunnen zijn, want er staat ‘kaffigronk’ en niet ‘kaffijronk’, zoals in de andere versjes. Mogelijk dat in die tijd de ‘g’ nog niet veranderd werd in de ‘j’.

Opvallend is de overeenkomst tussen het ‘Kirchröadsjer Plat’ en het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect). Ook daar wordt de ‘g’ veranderd in een ‘j’ en de ‘d’ of ‘t’ aan het einde van een woord in een ‘k’. Dit dialectgebied wordt niet gescheiden door de grens tussen Nederland en Duitsland.

Slapeloos in Amsterdam

Vermakelijk is het verhaal ‘Slapeloos in Amsterdam’, dat Wiel Kusters schrijft naar aanleiding van een bezoek aan de dichter Gerrit Kouwenaar.
Dit verhaal is gepubliceerd in ‘Brieven uit Mosanje’ van 9  augustus 2016 ter gelegenheid van de 93e geboortedag van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014).

Reeds eerder werd het verhaal gepubliceerd in: Ton van Reen (red), Wilde Flora, Heerlen, uitgeverij Leon van Dorp, 2016.

Wiel is bij de ontmoeting 28 jaar oud en is van plan om een proefschrift te schrijven over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij maakt een afspraak met de dichter in Amsterdam om hem in te lichten over zijn voornemen en om hem om toestemming en medewerking te vragen.
Hij wordt allervriendelijkst  ontvangen door de dichter en zijn vrouw. Na enig gekeuvel besloot de dichter om hem als ‘introduce’ mee te nemen naar de sociëteit De Kring om hem voor te stellen aan zijn collega-dichters. Maar eerst wil de dichter nog met hem een hapje eten, rijkelijk besproeid met alcohol. Bij dit hapje blijft het niet, er wordt ook nog een bezoek gebracht aan een café.
Wiel ziet de bui al hangen en belt met Maastricht dat het te laat wordt om de laatste trein naar Maastricht te halen en dat hij in Amsterdam blijft slapen. De vrouw van de dichter had hem al beloofd, dat zij een kamer voor hem gereed zou maken.
Uiteindelijk bereikten ze rond middernacht het etablissement, alwaar De Kring zitting hield.  Gerrit Kouwenaar werd allerhartelijkst door de collega-dichters ontvangen, aan Wiel werd geen aandacht geschonken. Hij maakte zich wel zorgen over de alcoholconsumptie van de dichter en uiteindelijk besloot deze om naar huis te gaan. Hierbij steunde hij nadrukkelijk op Wiel tijdens het lopen. De dichter woonde in een bovenwoning, dus het was een hele hijs om hem boven te krijgen. Wiel plaatste hem in een leunstoel, waarin hij in slaap viel. Hij had nog kenbaar gemaakt, dat zijn vrouw niet wakker gemaakt mocht worden, dus Wiel besloot niet op zoek te gaan naar een slaapkamer en bracht de nacht eveneens door in een leunstoel.
Bij het krieken van de dag en het horen van de tram, besloot Wiel om maar met stille trom te vertrekken om de terugreis naar Maastricht aan te vangen.
Hij had stellig de indruk, dat de dichter ingenomen was met Wiels voornemen om een proefschrift over zijn werk te schrijven.

In 1986 promoveerde Wiel Kusters aan de Universiteit van Utrecht met het proefschrift De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar.

Dao tuut ‘t

Wiel Kusters schreef in 1998 ‘Dao tuut ‘t’ als monoloog voor stem en tuba. Het Huis van Bourgondië in Maastricht maakte er een theaterproductie van, hetgeen leidde tot verschillende uitvoeringen in Midden- en Zuid-Limburg.

In 2012 bewerkte Wiel Kusters ‘Dao tuut ‘t’ tot een boek Schachtsignalen. Dit boek werd uitgegeven in het kader van de serie ‘Literair Limburg’. In het boek is de integrale tekst van Wiel Kusters vertaald in het Kerkraads door Lei Heijenrath.

De tekst bevat tien fragmenten. De titel ‘Dao tuut ‘t’ verwijst naar de signalen die de naburige mijn Willem-Sophia regelmatig produceerde, bijvoorbeeld als teken dat een dienst was afgelopen en een nieuwe was begonnen.

In de boekbespreking van ‘In en onder het dorp’ met Wim Brands, tijdens een uitzending van VPRO Boeken, haalt Wiel Kusters de titel aan. Hij zegt: “Dit is nauwelijks te vertalen. Moet je zeggen: daar fluit het” (einde citaat). Het was geen fluiten, het was ook geen toeteren, het leek meer op een scheepshoorn.

Wiel Kusters zegt, dat hij zijn moeder dan vaak hoorde zeggen: “Dao tuut ’t op de koel” (op de mijn). Zelf hoorde hij het als kind nauwelijks tijdens het spelen. Het hoorde erbij. Voor de ouderen, die in de nabijheid van de mijn woonden, was het een vast signaal, zoiets als het beieren van nabije kerkklokken.

De tekst gaat voornamelijk over Wiels familie, zijn opa, zijn vader en zijn moeder. Soms aandoenlijk, zoals het fragment over zijn opa van moederzijde. Die was ook mijnwerker geweest, op de Willem-Sophia, en kreeg door silicose (longziekte) in zijn laatste levensdagen geen lucht meer. Op een gegeven moment moet hij hebben geroepen: “dui mich die moer um, ich krie jing lòf” (duw mij die muur om, ik krijg geen lucht).

Voor mijzelf vind ik het tweede fragment mooi. Dat gaat over zijn vader en het schuurtje, waarin de vader graag werkt.
Het fragment begint als volgt:
Mijn vadr had een schuurtje
‘d’r sjtall’
‘d’r pap is in d’r sjtal’.

Voor mij is dat voldoende, de rest zou ik zelf wel invullen. Maar Wiel legt uit wat zijn vader zoal in het schuurtje doet. Wiel had zijn moeder vaak horen vragen: “wo is d’r pap”. Een overbodige vraag overigens, want als zijn vader thuis was, dan was hij in het schuurtje bij zijn ‘düfkess’ (duifjes) bijvoorbeeld.

Epiloog

Ik heb maar een kleine schets kunnen geven van al het prozawerk van Wiel Kusters. Maar ik heb een indruk willen geven van zijn voorliefde voor het Kerkraads dialect, maar vooral van zijn betrokkenheid bij zijn familie en zijn afkomst. Als zoon van een mijnwerker heeft hij de aftakeling door ongezond werk van zijn opa en zijn vader zien gebeuren . Een lot dat hem bespaard is gebleven. Iets wat ik twintig jaar eerder al had mogen zeggen, toen ik in dezelfde situatie verkeerde.

Maastricht, 19 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Herlezend moet ik constateren, dat het boek ‘Ik graaf, jij graaft’ aantekeningen bij poëzie bevat. Wiel Kusters bespreekt poëzie van andere dichters.
En ‘Dao tuut ‘t’ is eigenlijk een lang (verhalend) gedicht.
Het zijn dus niet al te beste voorbeelden van Wiel Kusters proza. Maar het zij zo, mijn verhaal is af, proza of geen proza.

 

 

Advertenties

Wiel Kusters (deel 1)

1 Sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.

 

Stil de tijd (deel 2)

8 Feb

Verdere ontboezemingen over het begrip tijd.

Circulaire tijd of closed loop

Tegenstanders van de tijd in een horizontale lijn denken dat de tijd helemaal niet lineair verloopt. Er zou dan immers in de gebeurtenissen niets moeten wijzigen. En dan kun je al helemaal niet over tijd praten, er is immers geen verleden, dat zich onderscheidt, een heden dat hetzelfde blijft en een toekomst, die niet veel anders oplevert.

Volgens de aanhangers van de circulaire tijd leeft de mens in cycli. Gebeurtenissen herhalen zich dan, denk bijvoorbeeld aan seizoenarbeid. Het meest sprekend voorbeeld is misschien de menstruatie-cyclus van de vrouw. Als dat een paar keer heeft plaatsgevonden, dan weet de vrouw precies, wat haar te wachten staat.
En de dagelijkse cyclus van opstaan, naar bed gaan en weer opstaan zitten daar ook geen herhalingen van gebeurtenissen in.  Kouwenaar zegt immers ‘Vandaag is steeds weer geweest’.

Kringloop van wedergeboorten

Als je het leven als een closed loop bekijkt, waarbij het verleden, het heden en de toekomst achter je liggen, dan kan men zeggen, dat het goed mogelijk is, dat men na de dood weer geboren kan worden. Men gelooft dan in reïncarnatie of wedergeboorte.
Het probleem is dan wel, of de mens dat wel wil, opnieuw geboren worden. Als men  niet zo’n best leven heeft gehad, dan zou men een codicil kunnen maken met de tekst: “Voor mij hoeft het niet meer”. Boeddhisme is trouwens een levensbeschouwing hoe je uit die kringloop van wedergeboorten bevrijd kunt worden.

Bovendien is de gedachte, dat je in iets anders dan een mens gereïncarneerd kunt worden, niet zo’n fijne gedachte. Stel je reïncarneert als een mannetje bidsprinkhaan. Dan weet je dat bij sommige soorten het vrouwtje het mannetje tijdens de paring oppeuzelt. Dit wordt haar gemakkelijk gemaakt, omdat zij haar kop 180 graden kan draaien. Sommige mannetjes vinden dat wel weer leuk, want zij zijn pas bereid om hun zaad af te geven, als zij hun kop kwijt zijn. Ik weet niet of een bidsprinkhaan reïncarneert.

Het is laat zoals ieder jaar

Keren we weer terug naar het gedicht van Gerrit Kouwenaar, zoals geïntroduceerd in Stil de tijd (deel 1).

Ashampoo_Snap_2014.02.05_17h11m13s_002_
Opvallend is de laatste regel. Met ‘spel het vlees’ kan Kouwenaar volgens de recensent bedoeld hebben ‘bak eens een lekker stukje vlees’. Hij heeft het immers ook over brood. Maar voor de hand ligt, dat het erotisch bedoeld is. Net zoals je een woord letter voor letter spelt, spel je de poriën van het lichaam van je partner. Duurt wel een beetje langer, maar je hebt er wel wat aan.

‘Stil de tijd’ vind ik een mooie uitdrukking. Vandaar dat ik dit als titel van mijn verhaal heb gekozen. Maak even pas op de plaats in deze jachtige tijd. Neem even tijd voor een bezinning. De afsluiting ‘leef nog even’ is een opwekking om nog even op de ingeslagen weg door te gaan. Hij eindigt met een gedachtestreepje, het leven is volgens de recensent nog niet af.

Epiloog

Hoe je ook over de tijd denkt: lineair, circulair, closed loop en desnoods ‘geen tijd’, het leven gaat toch gewoon door. Het gaat er dus om het beste van je tijd te maken. De meeste voldoening zal dan geven, hoeveel tijd je aan een ander besteedt, meer dan aan jezelf. Schieten we daar niet allemaal in tekort? Als ervaringsdeskundige kan ik dat alleen maar beamen.

Dus, waar blijft je tijd?

Pierre Swillens

Stil de tijd (deel 1)

7 Feb

Ontboezemingen over het begrip tijd

Waar blijft de tijd?

De Tijd

Vroeger hoorde je wel eens iemand zeggen: “Waar blijft de tijd?” Een grapjas zei dan: “Die is opgeslokt door De Maasbode”. Wat was er toen gebeurd: het katholieke dagblad ‘De Tijd’ legde het loodje en fuseerde op 1 april 1959 met De Maasbode. Vandaar die uitspraak.
Als ik dan ook, en nu nog, hoor: “Waar blijft de tijd?”, dan zeg ik steevast: “Die is opgeslokt door De Maasbode”. Flauwe grapjes beklijven het meest.

Het begrip tijd

Ondanks dat flauwe grapje obsedeerde het berip tijd mij overmatig.  Ik ging er mijn eigen gedachten over vormen. Bestaat het begrip tijd wel? Volgens mij niet, maar wie ben ik? Je kunt het begrip tijd in ieder geval niet zintuiglijk waarnemen.
Ik ben dus op internet gaan surfen om een bevestiging van mijn stelling te vinden. Ik zal u bij mijn zoektocht besparen, wat alle filosofen, natuurkundigen etc. over het begrip tijd hebben gezegd.

Gerrit Kouwenaar

Gerrit Kouwenaar (1923-) is een dichter. “Wat heeft die man met het begrip tijd te maken?”, zullen jullie zeggen. Nou Gerrit Kouwenaar schreef een mooi gedicht over het begrip tijd. Hij schreef er wel meer, maar deze viel mij op.

Allereerst het gedicht:

Ashampoo_Snap_2014.02.05_17h11m13s_002_

Gedicht van Gerrit Kouwenaar (zie foto) uit de bundel: ‘De tijd staat open’, 1996.

Ashampoo_Snap_2014.02.05_17h01m03s_001_

Overpeinzingen

Wat nu volgt over dit gedicht zijn niet altijd mijn woorden. Ik heb recensies over dit gedicht gelezen, dus ik ben niet onbevooroordeeld. Ik zal aangeven, waar ik de recensent citeer.
Zo is volgens de recensent uit de eerste regel te lezen, dat Kouwenaar het heeft over een kloktijd en een innerlijke tijd. ‘Het is laat’ is kloktijd, ‘zoals ieder jaar’ is innerlijke tijd, het gevoel dat je hebt over het verleden. De mens onderscheidt een onderverdeling van de tijd in het verleden, het heden en de toekomst.

Dat doet Kouwenaar ook. De tweede zin gaat over het heden, de derde zin over het verleden en de vierde zin over de toekomst. Hij worstelt met die onderverdeling, zoals in ‘de tijd zit krap in zijn heden’. Volgens de recensent,volgens mij en volgens mijn dochter Bianca, die ook wel eens gedichten maakt, een mooie zin.

Wat is nu heden?  Zeg maar eens: “Het heden is nu”. Dan ben je al te laat, want je zit al in de toekomst. En zelfs voor de toekomst ben je al te laat, want die ligt al achter je. Kunt u mij nog volgen, of haakt u af?

 De tijd van het leven is weer te geven als een rechte lijn.

Op die lijn wordt dan het verleden, het heden en de toekomst uitgezet, zoals een mens die ervaart of heeft ervaren. De toekomst is ongewis, dus dat is nog geen lijn. De lijn van het verleden is afhankelijk van de leeftijd van iemand. Meestal hoopt men dan dat die lang duurt. Ik kan er met mijn 88 over meepraten.
Zoals we gezien hebben, is het heden slechts een stip, zodat op de lijn alleen het verleden zichtbaar wordt. En dat verleden is slechts herinnering, zodat er niet sprake is van een lijn, maar van een punt waar verleden, heden en toekomst samenkomen. Kun je dan nog spreken van het begrip ‘tijd’?

Iemand die de tijd in een rechte lijn uitzette was Augustinus. Aurelius Augustinus (354-430), kerkvader en filosoof, hield zich met het begrip tijd bezig. Dit had een religieuze achtergrond. Als vrome kerkvader vond hij, dat God bij het scheppen van de hemel en aarde, ook het begrip tijd had geschapen. De tijd werd door hem dan ook gerelateerd aan de tijdsduur die eenieder meemaakte om uiteindelijk in de hemel te belanden. Hij zag de tijd dus als een tijdslijn vanaf de geboorte tot de opname in het Rijk der hemelen.
Bij nadere bestudering kwam hij tot de conclusie, dat alleen de tijd van het heden bestond. Bij de driedeling verleden, heden en toekomst was volgens hem sprake van de  tegenwoordige tijd van het verleden, de tegenwoordige tijd van het tegenwoordige en de tegenwoordige tijd van het toekomstige.

Epiloog

Als de tijdlijn niet is uit te drukken in een horizontale lijn, hoe moeten we die lijn dan uitdrukken. Er zijn geleerden, die drukken de tijdslijn uit in een cirkel. Die begint op een punt, waar je staat en eindigt achter je. Het verleden, heden en de toekomst liggen inmiddels achter je. Hoe dat in elkaar zit, zien we in deel 2. Ik wil dan tevens terugkomen op het gedicht van Gerrit Kouwenaar. Dit onder de premisse, dat jullie nog niet zijn afgehaakt.