Tag Archives: dichter

Wiel Kusters (deel 3)

26 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Poëzie

Inleiding

In dit deel publiceer ik een aantal gedichten van Wiel Kusters uit diverse bundels. Wiel Kusters schreef vaak gedichten over familieleden en het is daarom niet toevallig, dat mijn gedichten over zijn moeder, broer en vader gaan.
Het eerste gedicht ‘Langzame wals’ is mij trouwens aangereikt door mijn dochter Bianca. Bianca schrijft af en toe wel eens een gedicht en soms haalt een ervan een vrouwenblad.

Maar Bianca is ook geïnteresseerd in poëzie van anderen. Zij vertelde mij, dat zij een opschrijfboekje heeft, waarin ze mooie poëzie, die ze tegenkomt, noteert. Dat gebeurde lang geleden met het gedicht ‘Langzame wals’ van Wiel Kusters. Sinds die tijd behoort dit gedicht tot haar favorieten.
Omdat het over Wiels moeder gaat, neem ik het met plezier over.
Bianca bedankt voor je assistentie.

Langzame wals

Wiel Kusters beschrijft een moment uit zijn leven, dat kennelijk  een sterke indruk op hem heeft gemaakt. Als 4-jarige weet hij zich te herinneren, dat zijn moeder hem op haar arm heeft genomen om met hem te dansen in de keuken. Vooral het wandkleed dat aan de muur hangt, blijft hem bij.

Aan het sterfbed van zijn moeder komt die herinnering weer terug. En hij wil nu de rollen omdraaien en zijn moeder in de armen nemen om met haar te dansen. Tenminste wat van haar overbleef.

Hij doet dit in gedachten, daardoor komt zij los van de aarde en neemt misschien gemakkelijker afscheid. Hij danst met haar totdat zij in de grond is opgenomen.

LANGZAME WALS

Wij dansen, moeder, door de keuken
jij had mij lachend opgetild

vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio

geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan

een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden

opgenomen in de wals
tussen tafel stoelen pannen

dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing

geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet

dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor de ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest

zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag

jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons over was
op een stoel en in een bed

en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was

uit: Zielsverstand, 2007

Hohner

Het tweede gedicht gaat over zijn oudere broer. Deze werd op jongere leeftijd ziek en stierf jong. Ik weet niet of Wiel hem goed heeft gekend. Zijn broer was door zijn ziekte lang buitenshuis. Wanneer Wiel in een keukenla duikt, ontdekt hij daarin allerlei spullen, waaronder de mondharmonica van zijn broer. Het  is een Hohner The Echo Harp.

Wiel beschrijft uitgebreid het doosje, waarin de mondharmonica is opgeborgen. Op het deksel is een berglandschap geschilderd, waarin een man een pad bewandelt, dat in de richting van de kijker loopt. Wiel herkent hierin zijn overleden broer, die hem nadert uit het gebergte van zijn dood.
Eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen, dat de interpretatie van Wiels broer niet van mij is (ofschoon Wiel dat duidelijk in zijn gedicht aangeeft), maar door mij werd gelezen in een recensie over het gedicht Hohner van Jane Leusink op 7 juli 2015 in TZUM literair weblog.

Hohner

In een la van de keukenkast
lagen de sigaretten van mijn vader
een boekje over eerste hulp bij ongelukken
(een man is uit voorzorg op een plank gaan staan
en trekt met een wandelstok
de elektriciteitsdraad
van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander)
een alarmpistool ~~
veel dat mij is ontschoten
en een mondharmonica van het merk
Hohner ~~ The Echo Harp.

Op het doosje een berglandschap
een houten huis
rook uit de schoorsteen
en op de voorgrond een man
die een pas bewandelt
naar ons toe.

Mijn broer speelde The Echo Harp
La Paloma
of schoot met het pistool
wanneer hij niet tekende, schaakte, las
of al het andere waar hij
goed in was.

Nooit kwam ik tot muziek
op zijn Hohner
nooit tot iets anders dan een sireneachtig
in en uit van adem

wel proefde ik het hout
ruik daarvan de wat zoete geur
wanneer het vochtig wordt
van mijn speeksel
voel hoe mijn mond
dorstig wordt en droog.

Het is een muziek
waarmee mijn broer nu
uit het gebergte van zijn dood
nader treedt

het is een ademen
een adem en alleen
in in in
en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

uit: Hohner, 2015

Vaders horloge

Dit gedicht is opgenomen in ‘Dao tuut ‘t’, dat door Wiel Kusters werd geschreven als monoloog voor stem en tuba. In feite is ‘Dao tuut ‘t’ een lang (verhalend geschreven) gedicht.

Wiel trekt een parallel tussen het stofvrije doosje, waarin het horloge is opgeborgen, en het doosje van het beademingsapparaat, waaraan zijn vader in het ziekenhuis is verbonden.
In feite zegt hij het horloge was bestemd voor ondergronds gebruik en beschermd tegen stof met  een mica-klep. De longen van zijn vader zaten ook in een doosje, maar dat was niet afgeschermd tegen stof met een mica-klep. Zijn vader ademde tijdens zijn ondergronds werk ongehinderd het mijnstof in, dat hem later zo fataal zou worden.

Ook mijn vader, tevens mijnwerker, had zo’n horloge, niet in een doosje, maar wel met een klep. Het was dus niet bestemd voor ondergronds gebruik, maar meer voor de zondag, als hij een net vest droeg.
Wel zag ik hem, als hij het horloge raadpleegde door de klep te open, tegen het glas blazen. Waarschijnlijk zat er condens op. Het horloge was dus niet stofdicht, net als zijn longen overigens.

Vaders horloge

Mijn vaders horloge zat in een doosje
een ijzeren doosje
met rood vilt bekleed en
met een mica venstertje
zodat je de wijzerplaat kon zien
stofvrij min of meer
stofvrije tijd

een horloge voor onder de grond

later zat zijn adem in zo’n doosje
een luchtdicht doosje nee
een doosje dat een heel klein beetje kierde
dat wat adem doorliet
van buiten naar binnen en
van binnen naar buiten
zijn hart moest aan een ketting trekken
een zware ketting

wat mijn vader niet wist
toen hij zo hard aan de ketting moest trekken
was dat hij alleen nog zou vragen
‘hoe laat is het’
vlak voor hij stierf

(…)

uit: Dao tuut ’t (1998). Heruitgegeven als Schachtsignalen (2012).

Vader

Een gedicht uit zijn vroege werk. Als Wiel zijn vader ziet, dan denkt hij aan diens ondergronds werk in de steenkoolmijn. Hij beschrijft op plastische wijze  de ondergrondse toiletomstandigheden en de last die de mijnwerkers hebben van de muizen. Deze zijn waarschijnlijk via de schachtliften ondergronds geraakt. Daar ondergronds paarden worden gehouden, konden zij zich via paardenvoer, en wat de mijnwerkers aan eetbaars achterlieten, in leven houden.
Naast de paarden en muizen hielden de mijnwerkers ook kanaries ondergronds. Niet voor de zang, maar als een kanarie op zijn rug lag, dan wist de mijnwerker dat hij zich uit de voeten moest maken. De kanaries konden namelijk niet tegen mijngas.

VADER

voor mij was glück auf
een nachtgroet in het donker
gesproken door mannen

voor hun behoefte zittend
op de schop terwijl muizen
brood uit hun jaszak vraten

geen treffender beeld
voor de komende slaap
wanneer ik in bed
mijn vader groette
voor hij de deur sloot

Uit: Een oor aan de grond (1978)

knipsel-wiel-kusters-met-zijn-vader
Wiel Kusters met zijn vader
(foto uit In en onder het dorp)

Epiloog

Het is opvallend hoe vaak ‘adem’ en ‘ademen’ een rol spelen in Wiel Kusters gedichten. Het is niet toevallig, dat dit in twee voorgaande gedichten gebeurt.

Wiel Kusters had aan zijn opa en vader gezien hoe funest het ondergronds werken in de steenkolenmijnen was. Uiteindelijk verloren hun longen hun functie en kwamen ze in ademnood.

Wiel Kusters was zich bewust dat ‘ademen’ een levensbehoefte is, en dat in dat kader  zijn vader door ongezond werken in de mijn aan levensjaren had ingeboet. Een ervaring die ik reeds eerder had opgedaan.

Maastricht,26 september 2016

Pierre Swillens

 

Advertenties

Wiel Kusters (deel 1)

1 Sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.

 

Stil de tijd (deel 1)

7 Feb

Ontboezemingen over het begrip tijd

Waar blijft de tijd?

De Tijd

Vroeger hoorde je wel eens iemand zeggen: “Waar blijft de tijd?” Een grapjas zei dan: “Die is opgeslokt door De Maasbode”. Wat was er toen gebeurd: het katholieke dagblad ‘De Tijd’ legde het loodje en fuseerde op 1 april 1959 met De Maasbode. Vandaar die uitspraak.
Als ik dan ook, en nu nog, hoor: “Waar blijft de tijd?”, dan zeg ik steevast: “Die is opgeslokt door De Maasbode”. Flauwe grapjes beklijven het meest.

Het begrip tijd

Ondanks dat flauwe grapje obsedeerde het berip tijd mij overmatig.  Ik ging er mijn eigen gedachten over vormen. Bestaat het begrip tijd wel? Volgens mij niet, maar wie ben ik? Je kunt het begrip tijd in ieder geval niet zintuiglijk waarnemen.
Ik ben dus op internet gaan surfen om een bevestiging van mijn stelling te vinden. Ik zal u bij mijn zoektocht besparen, wat alle filosofen, natuurkundigen etc. over het begrip tijd hebben gezegd.

Gerrit Kouwenaar

Gerrit Kouwenaar (1923-) is een dichter. “Wat heeft die man met het begrip tijd te maken?”, zullen jullie zeggen. Nou Gerrit Kouwenaar schreef een mooi gedicht over het begrip tijd. Hij schreef er wel meer, maar deze viel mij op.

Allereerst het gedicht:

Ashampoo_Snap_2014.02.05_17h11m13s_002_

Gedicht van Gerrit Kouwenaar (zie foto) uit de bundel: ‘De tijd staat open’, 1996.

Ashampoo_Snap_2014.02.05_17h01m03s_001_

Overpeinzingen

Wat nu volgt over dit gedicht zijn niet altijd mijn woorden. Ik heb recensies over dit gedicht gelezen, dus ik ben niet onbevooroordeeld. Ik zal aangeven, waar ik de recensent citeer.
Zo is volgens de recensent uit de eerste regel te lezen, dat Kouwenaar het heeft over een kloktijd en een innerlijke tijd. ‘Het is laat’ is kloktijd, ‘zoals ieder jaar’ is innerlijke tijd, het gevoel dat je hebt over het verleden. De mens onderscheidt een onderverdeling van de tijd in het verleden, het heden en de toekomst.

Dat doet Kouwenaar ook. De tweede zin gaat over het heden, de derde zin over het verleden en de vierde zin over de toekomst. Hij worstelt met die onderverdeling, zoals in ‘de tijd zit krap in zijn heden’. Volgens de recensent,volgens mij en volgens mijn dochter Bianca, die ook wel eens gedichten maakt, een mooie zin.

Wat is nu heden?  Zeg maar eens: “Het heden is nu”. Dan ben je al te laat, want je zit al in de toekomst. En zelfs voor de toekomst ben je al te laat, want die ligt al achter je. Kunt u mij nog volgen, of haakt u af?

 De tijd van het leven is weer te geven als een rechte lijn.

Op die lijn wordt dan het verleden, het heden en de toekomst uitgezet, zoals een mens die ervaart of heeft ervaren. De toekomst is ongewis, dus dat is nog geen lijn. De lijn van het verleden is afhankelijk van de leeftijd van iemand. Meestal hoopt men dan dat die lang duurt. Ik kan er met mijn 88 over meepraten.
Zoals we gezien hebben, is het heden slechts een stip, zodat op de lijn alleen het verleden zichtbaar wordt. En dat verleden is slechts herinnering, zodat er niet sprake is van een lijn, maar van een punt waar verleden, heden en toekomst samenkomen. Kun je dan nog spreken van het begrip ‘tijd’?

Iemand die de tijd in een rechte lijn uitzette was Augustinus. Aurelius Augustinus (354-430), kerkvader en filosoof, hield zich met het begrip tijd bezig. Dit had een religieuze achtergrond. Als vrome kerkvader vond hij, dat God bij het scheppen van de hemel en aarde, ook het begrip tijd had geschapen. De tijd werd door hem dan ook gerelateerd aan de tijdsduur die eenieder meemaakte om uiteindelijk in de hemel te belanden. Hij zag de tijd dus als een tijdslijn vanaf de geboorte tot de opname in het Rijk der hemelen.
Bij nadere bestudering kwam hij tot de conclusie, dat alleen de tijd van het heden bestond. Bij de driedeling verleden, heden en toekomst was volgens hem sprake van de  tegenwoordige tijd van het verleden, de tegenwoordige tijd van het tegenwoordige en de tegenwoordige tijd van het toekomstige.

Epiloog

Als de tijdlijn niet is uit te drukken in een horizontale lijn, hoe moeten we die lijn dan uitdrukken. Er zijn geleerden, die drukken de tijdslijn uit in een cirkel. Die begint op een punt, waar je staat en eindigt achter je. Het verleden, heden en de toekomst liggen inmiddels achter je. Hoe dat in elkaar zit, zien we in deel 2. Ik wil dan tevens terugkomen op het gedicht van Gerrit Kouwenaar. Dit onder de premisse, dat jullie nog niet zijn afgehaakt.