Tag Archives: beekstraat

Dialect (8)

22 jun

Obbeeg

Beekstraat

Verhuizing 

Daar ben ik weer. Eerder heb ik reeds verteld, dat we in Obbeeg (Obbicht) zijn verhuisd van de Maasstraat naar de Beekstraat. Ook hier huisnummer onbekend. Ik moet toen zes jaar geweest zijn.
Het was wel een mooi huis, pas gebouwd. Mijn ouders moeten de eigenaars hebben gekend. Toen dezen verhuisden naar een andere woning in Geleen-Lutterade, kregen mijn ouders het huis als huurhuis aangeboden.

Achter het huis was een riante moestuin, daarin teelde mijn vader allerlei groenten. De tuin grensde aan de Kingbeek, die ontsprong in de Hoge Berg, tussen Obbicht en Nattenhoven. Het water was dus nog betrekkelijk vers. Alleen kwam je van de tuin moeilijk in de beek, omdat de tuin begrensd werd door een berm. In die tuin beleefde ik in mijn fantasie hele veldslagen, gebruikmakend van de beek zelfs zeeslagen.

Blote voeten

’s Zomers exploiteerde ik de beek door er doorheen te waden op blote voeten. Jammer genoeg, kieperden bewoners gebroken glas in de beek. Kennelijk was dat de dichtstbijzijnde stortplaats. Ik kwam dan ook wel eens met een jaap in mijn voet thuis.
Steriliteit stond niet hoog in het vaandel en ik kan mij herinneren, dat dit steeds uitmondde in bloedvergiftiging. Sodabaden bleken dan het wondermiddel. Na enkele bloedvergiftigingen vermeed ik de beek op blote voeten.

Teer-oven

Op blote voeten lopen, bleef ik toch doen, maar dan buiten de beek. Ik kan mij herinneren, dat de ‘kantonneer van Obbeeg’, die verantwoordelijk was voor het onderhoud van alle gemeente-eigendommen, onderhoud gepleegd had aan de Dorpsstraat. Hij gebruikte hiervoor een teer-oven. Het teer moest immers worden gesmolten om vloeibaar uitgesmeerd te worden. De oven werd gestookt met steenkool.
Wanneer ze klaar waren, werd de gloeiende as naast de weg gekieperd om af te koelen. Zolang de hoop roodgloeiend was, bleef je uit de buurt. Naarmate de hoop afkoelde, verscheen er een donkere aslaag op.

Toen, naar mijn inschatting, de hoop voldoende afgekoeld was, probeerde ik dat uit met mijn blote voeten. Dat bleek tegen te vallen met het gevolg, dat ik met twee verbrande voeten naar huis moest. Waarschijnlijk weer in het sodabad.

Moraal 1: Ga niet altijd af op de schijn, maar test eerst de werkelijkheid.

Fietsje

Mijn fietsje ging mee. Ik kreeg nu een nieuw gebied om te exploiteren. De Kingbeek liep achter onze tuin langs, maar een eind verderop langs de straat. De gemeente had de straat van de beek afgeschermd door middel van een muurtje, dat van boven halfrond was afgedekt met cement.
Deze afdekking was op straathoogte, dus je kon er vanaf de weg makkelijk op fietsen en je weg vervolgen via het muurtje. Dat vereiste wel enige vaardigheid en vaak belandde ik in de beek. Dat leverde een nat pak op, al had je aan een blouse en een korte broek niet veel pak. Het fietsje kon er tegen, dat viste je uiteindelijk uit de beek.

Moraal 2: Fiets altijd over betrouwbare paden.

Boodschappen

De verhuizing had wel een vervelend neveneffect voor mij. In mijn eerdere ‘Posts’ heb ik verteld over de kruidenierswinkel ‘bie Betje’, die naast onze toenmalige woning in de Maasstraat lag. Mijn ouders wilden Betje niet ontrouw worden voor de boodschappen, waarschijnlijk hadden ze daar een gunstige betalingsregeling. Ik was dus de klos, met briefje en fietsje boodschappen doen ‘bie Betje’.
Hierbij moest ik gebruikmaken van een grote boodschappentas, van wasdoek. Tas was bijna zo groot als de fiets. Als ik de tas aan het stuur hing, dan kwam een punt tussen de spaken en de voorvork. Daar ik de tas altijd rechts aan het stuur hing, was de linkerpunt aan de voorzijde van de tas altijd de klos.

Na enige boodschappenrondes was er geen linkerpunt meer, daar was een gat. Betje onderkende dit en legde vaak papier over het gat, maar dat bleek niet altijd afdoende.

Toen ik met de boodschappen terugkwam en mijn moeder de inhoud inspecteerde, zei ze: “Waar zijn de eieren en de zeep?” Ik had die onmogelijk onderweg verdonkeremaand. Als het snoep was geweest, mogelijk wel.
Ik had er ook geen verklaring voor en reed maar terug naar Betje om daar de zaak te onderzoeken. Maar ik hoefde niet ver terug te rijden, want plotseling zag ik om de meter een geklutst ei op de weg en een stuk zeep. Dat laatste was het enige, dat er nog te redden viel.
Vreemd genoeg, moest ik met zelfde tas boodschappen doen, dus ik ben nog vaker iets kwijtgeraakt. Mogelijk dachten mijn ouders een nieuwe tas is toch weer zo kapot.

Moraal 3: Als je gebruikmaakt van hulpmiddelen, inspecteer eerst of ze voldoen.

Epiloog

Gelukkig werd mijn zusje rijp voor een fietsje. Zij kreeg mijn fietsje als afdankertje en ik kreeg een jongensfiets.
Het eerste wat mijn zusje deed, was met het fietsje rijden over het muurtje langs de beek. Dat had ze al lang willen proberen. Ze kwam met een natte jurk thuis.

Dat fietsje, wat had ik dat graag bewaard. Nu tachtig jaar later zou ik het een prominente plaats geven, desnoods aan het plafond. En met een groot bord met ‘Mijn eerste fietsje‘.

Pierre Swillens

Lagere school (1)

7 jun

Voor het eerst naar de lagere school

Gedaan met de vrijheid

Onbezorgde jeugd

Ik behoorde nog tot de gelukkigen, die eerst in het zesde levensjaar naar de lagere school moesten. Niks geen kleuterschool, wat een vrijheid. Al die jaren spelen in de open lucht, ’s zomers in de uiterwaarden van de Maas. Wat een tijd om de wereld te ontdekken, en wat voor een variatie aan mensen en dieren je had. Ik heb reeds eerder geschreven, dat ik in mijn herinnering heel lang vier jaar ben gebleven. Hier en daar een dissonant, maar toch.

Voorbereiding op school

Ik werd op de lagere school voorbereid door jongens uit de straat, die reeds op de lagere school zaten. Ze probeerden me zoveel mogelijk angst in te praten. Wat ik op de school allemaal te verwachten had. Van de andere kant was ik benieuwd naar wat er op zo’n school gebeurde. Vooral het vooruitzicht, dat het een gemengde school zou zijn, sprak me aan. Een meisjesschool was er nog niet in het dorp, die werd nog gebouwd.

Kennismaking met de school

Achteraf viel het mee. Je wende aan de discipline. De onderwijzeressen, de helft van de klas bestond uit meisjes, waren aardig. Je herinnert je weinig van je medescholieren. Een meisje, dat wel eens epileptische aanvallen had, een jongen die analfabeet bleef, een jongen, die alles opzoog, wat er verteld werd. Die jongen was ik. Ik had een ruime fantasie, daarmee creëerde ik een fantasiewereld. Ik wist alles van dierentuinen, terwijl ik er nog nooit een had gezien.

Wilde dieren 

Toen een onderwijzer vroeg: “Wie heeft er wel eens een wild dier gezien?”, toen stak ik als enige mijn vinger op. Ik had immers al dierentuinen gezien. “Wat voor een dier” zei hij. “Een leeuw, meester” was mijn glashard antwoord. “Wat voor een kleur had dat dier dan”, zei de meester. “Geel meester” zei ik, voor geen gat gevangen. Hij leek niet erg overtuigd. Als ik “blauw” had gezegd, was het duidelijker voor hem geweest.

Mejuffrouw Knops

De eerste onderwijzeres heette mejuffrouw Knops. Mevrouw mochten ze immers niet zijn. Mejuffrouw Knops was dochter van een grote boer uit het dorp. Ze was een beetje preuts, ofschoon ik dat toen nog niet wist. Ik kan mij herinneren, dat ze een keer zei:”Ik moet even weg, maar jullie mogen niet kijken”. Onze klas lag aan de speelplaats en aan de overkant van de speelplaats waren wc’s. Voor mij lag het voor de hand, dat ze daar naar toe moest. Wij mochten immers niet kijken.
Ik wachtte even tot ze de speelplaats was overgestoken en toen keek ik over het geblindeerde gedeelte van het raam. Ik zat in een gunstige positie, ik had al een plaats aan het raam. Ik kwam er met mijn hoofd net boven uit. Ze moet me gezien hebben. Toen ze de wc-deur openmaakte, keek ze nog even om, of er niemand keek. Wellicht heeft ze wel de hele tijd omgekeken, terwijl ze de speelplaats overstak. Misschien mochten wij niet weten, dat juffrouwen ook gewone mensen waren, die ook wel eens naar de wc moesten.
Het liep met een sisser af, zowel op de wc als in de klas.

Buil  aan het hoofd

Ik kan mij herinneren, in de eerste jaren, dat we speeltijd hadden, een kwartier misschien. Dan deden we bokspringen tegen de muur en andere spelletjes. Een van die spelletjes was, hard de speelplaats oversteken zonder getikt te worden. Ik was hierbij een snelle jongen, die weinig getikt werd.
Een keer ging het mis. Ik was bijna bij de muur, zeg op drie meter, toen ik door de tikker op mijn hakken werd getrapt. In volle vaart werd ik gelanceerd. Ik had geen tijd meer om mijn handen vooruit te steken, dus ik kwam met mijn hoofd tegen de muur tot stilstand. Die gaf niet mee.. Je verbaast je, wat een kind kan hebben. Ik was even versuft en kreeg een buil als een ei aan mijn hoofd. Gelukkig was de onderkant van de muur gecementeerd, dus het bleef bij een buil. De speeltijd was afgelopen en ik moest weer in de klas. Niemand zei iets, of vroeg iets.

Mejuffrouw Vencken

Bij het tweede schooljaar was er een andere juffrouw. Juffrouw Vencken, ook al een boerendochter uit het dorp. Wij waren inmiddels verhuisd naar de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) en daar woonde zij ook. Intussen had ik ook een nieuwe fiets gekregen, ditmaal een echter kinderfiets. Het kinderfietsje ging naar mijn zus en die haalde er dezelfde Strapatsen mee uit, zoals ik had gedaan. Ze lag voortdurend met fiets en al in de Kingbeek, die langs de Beekstraat liep. Als dat fietsje had kunnen praten.

Fietsafspraak

Mejuffrouw Vencken had mij wel eens gezien met die nieuwe fiets. Zij sprak met mij af, dat ze Zaterdagmiddag met mij zou gaan fietsen. Ik heb de hele Zaterdagmiddag met mijn fiets zitten te wachten. Zij kwam echter niet opdagen. Misschien was zij het helemaal vergeten, of had ze zich bedacht. Ik heb er nooit een verklaring over gehad.

Ontmoeting 

Ik heb juffrouw Vencken nog eens ontmoet, toen was ze al bejaard. Wij waren op bezoek bij een zwager van mijn vrouw in het ziekenhuis te Sittard. Op dezelfde kamer lag de man van inmiddels mevrouw Spee. Zij herkende mij niet. Zij had zoveel kinderen in de klas gehad. Bovendien had ze emplooi gevonden in de nieuwe meisjesschool. Van de fietsafspraak kon ze zich niets herinneren.

Ik heb nog heel lang gefantaseerd, wat er tijdens dat fietsen allemaal had kunnen gebeuren.

Pierre Swillens