Tag Archives: Amsterdam

Wiel Kusters (deel 2)

19 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Proza

Inleiding

Wiel Kusters (1947) is een productief man. Hij schreef gedichten, mar ook  proza. Bovendien schreef hij in 2010 een biografie, getiteld Een leven over het leven en werk van de dichter Pierre Kemp. Vervolgens schreef hij in 2014 een biografie, getiteld Mijn versnipperd bestaan over het leven van de kunstcriticus Kees Fens.

Het is ondoenlijk om deze omvangrijke productie te bespreken. Daarom bespreek ik in dit deel een (beperkte) selectie van zijn prozastukken, en zal in deel 3 een aantal voorbeelden van zijn poëzie behandelen.
De selectie is volkomen willekeurig en afhankelijk van de beschikbaarheid van de tekst.

Ik graaf, jij graaft

Wiel Kusters geeft graag blijk, dat hij uit een regio komt waar het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect) wordt gesproken. Zo ook in zijn boek ‘Ik graaf, jij graaft’, dat hij schreef in 1995. Het boek bevat aantekeningen over poëzie.
Hij begint met een kinderversje in ‘Kirchröadsjer Plat’, dat hij in zijn kinderjaren vaak heeft opgezegd.
Het luidt als volgt:
mienne nònk va Pònk
deë hauw inne hònk
deë sjieset loeter kaffejrònk.

Hij doet er ook de vertaling bij:
mijn oom uit Pont
die had een hond
die poept alleen maar koffiedik.

Opvallend is, dat zijn vertaling minder plat is dan het origineel. Moeilijk te duiden is het woord ‘kaffejrònk’. Kaffe (koffie) is nog te volgen, maar ‘jrònk’. Volgens mij staat er ‘grond’. In het Kerkraads dialect wordt de ‘g’ niet uitgesproken, maar een ‘j’ hiervan gemaakt, terwijl de ‘d’ of ‘t’ aan het inde van een woord (na een medeklinker?) wordt gewijzigd in een ‘k’, zie ‘hònk’ (hond).

Wiel Kusters was verrast, toen hij de ‘Aachener Sprachschatz’ (Akens woordenboek) kocht  en hij het woord ‘kaffiejronk opzocht. Hij vond daarbij het volgende versje:
miene Nonk Fonk uus Ponk, déa fresst at luuter kaffiejronk.
Hij (of de Aachener Sprachschatz?) laat hierbij een regel of woord weg, want niet de oom maar de hond van de oom vreet koffiedik. Aan de ene kant van de grens poept de hond koffiedik, aan de andere kant vreet hij dat spul zo laat Wiel Kusters blijken.
Na enig speurwerk op internet vond ik een bevestiging. Mijn verrassing was misschien nog groter dan die van Wiel Kusters. Ik vond namelijk het originele kinderliedje. Dat ging als volgt: :
miene Nonk Fonk us Ponk singe Honk, döm sing Konk ess wonk van alle de kaffigronk döm minge Nonk Fonk us Ponk singe Honk dronk.
Vrij vertaald staat er:
mijn oom Font uit Pont zijn hond, die heeft pijn aan zijn kont van al de koffiedik, die mijn oom Font uit Pont zijn hond dronk. Het versje uit Kerkrade komt in een ander daglicht te staan, want de hond in Aken poept wel degelijk koffiedik.
Het kinderversje is te vinden In een door Matthias Schollen samengestelde verzameling ‘Aachener Volks- und Kinderliedeer, Spiellieder und Spiele’.
Hoe oud het kinderversje is, is moeilijk te achterhalen. Dit soort versjes werd gebruikt om door de alliteraties de tong van de kinderen soepel te maken. Het zou wel eens een oud versje kunnen zijn, want er staat ‘kaffigronk’ en niet ‘kaffijronk’, zoals in de andere versjes. Mogelijk dat in die tijd de ‘g’ nog niet veranderd werd in de ‘j’.

Opvallend is de overeenkomst tussen het ‘Kirchröadsjer Plat’ en het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect). Ook daar wordt de ‘g’ veranderd in een ‘j’ en de ‘d’ of ‘t’ aan het einde van een woord in een ‘k’. Dit dialectgebied wordt niet gescheiden door de grens tussen Nederland en Duitsland.

Slapeloos in Amsterdam

Vermakelijk is het verhaal ‘Slapeloos in Amsterdam’, dat Wiel Kusters schrijft naar aanleiding van een bezoek aan de dichter Gerrit Kouwenaar.
Dit verhaal is gepubliceerd in ‘Brieven uit Mosanje’ van 9  augustus 2016 ter gelegenheid van de 93e geboortedag van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014).

Reeds eerder werd het verhaal gepubliceerd in: Ton van Reen (red), Wilde Flora, Heerlen, uitgeverij Leon van Dorp, 2016.

Wiel is bij de ontmoeting 28 jaar oud en is van plan om een proefschrift te schrijven over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij maakt een afspraak met de dichter in Amsterdam om hem in te lichten over zijn voornemen en om hem om toestemming en medewerking te vragen.
Hij wordt allervriendelijkst  ontvangen door de dichter en zijn vrouw. Na enig gekeuvel besloot de dichter om hem als ‘introduce’ mee te nemen naar de sociëteit De Kring om hem voor te stellen aan zijn collega-dichters. Maar eerst wil de dichter nog met hem een hapje eten, rijkelijk besproeid met alcohol. Bij dit hapje blijft het niet, er wordt ook nog een bezoek gebracht aan een café.
Wiel ziet de bui al hangen en belt met Maastricht dat het te laat wordt om de laatste trein naar Maastricht te halen en dat hij in Amsterdam blijft slapen. De vrouw van de dichter had hem al beloofd, dat zij een kamer voor hem gereed zou maken.
Uiteindelijk bereikten ze rond middernacht het etablissement, alwaar De Kring zitting hield.  Gerrit Kouwenaar werd allerhartelijkst door de collega-dichters ontvangen, aan Wiel werd geen aandacht geschonken. Hij maakte zich wel zorgen over de alcoholconsumptie van de dichter en uiteindelijk besloot deze om naar huis te gaan. Hierbij steunde hij nadrukkelijk op Wiel tijdens het lopen. De dichter woonde in een bovenwoning, dus het was een hele hijs om hem boven te krijgen. Wiel plaatste hem in een leunstoel, waarin hij in slaap viel. Hij had nog kenbaar gemaakt, dat zijn vrouw niet wakker gemaakt mocht worden, dus Wiel besloot niet op zoek te gaan naar een slaapkamer en bracht de nacht eveneens door in een leunstoel.
Bij het krieken van de dag en het horen van de tram, besloot Wiel om maar met stille trom te vertrekken om de terugreis naar Maastricht aan te vangen.
Hij had stellig de indruk, dat de dichter ingenomen was met Wiels voornemen om een proefschrift over zijn werk te schrijven.

In 1986 promoveerde Wiel Kusters aan de Universiteit van Utrecht met het proefschrift De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar.

Dao tuut ‘t

Wiel Kusters schreef in 1998 ‘Dao tuut ‘t’ als monoloog voor stem en tuba. Het Huis van Bourgondië in Maastricht maakte er een theaterproductie van, hetgeen leidde tot verschillende uitvoeringen in Midden- en Zuid-Limburg.

In 2012 bewerkte Wiel Kusters ‘Dao tuut ‘t’ tot een boek Schachtsignalen. Dit boek werd uitgegeven in het kader van de serie ‘Literair Limburg’. In het boek is de integrale tekst van Wiel Kusters vertaald in het Kerkraads door Lei Heijenrath.

De tekst bevat tien fragmenten. De titel ‘Dao tuut ‘t’ verwijst naar de signalen die de naburige mijn Willem-Sophia regelmatig produceerde, bijvoorbeeld als teken dat een dienst was afgelopen en een nieuwe was begonnen.

In de boekbespreking van ‘In en onder het dorp’ met Wim Brands, tijdens een uitzending van VPRO Boeken, haalt Wiel Kusters de titel aan. Hij zegt: “Dit is nauwelijks te vertalen. Moet je zeggen: daar fluit het” (einde citaat). Het was geen fluiten, het was ook geen toeteren, het leek meer op een scheepshoorn.

Wiel Kusters zegt, dat hij zijn moeder dan vaak hoorde zeggen: “Dao tuut ’t op de koel” (op de mijn). Zelf hoorde hij het als kind nauwelijks tijdens het spelen. Het hoorde erbij. Voor de ouderen, die in de nabijheid van de mijn woonden, was het een vast signaal, zoiets als het beieren van nabije kerkklokken.

De tekst gaat voornamelijk over Wiels familie, zijn opa, zijn vader en zijn moeder. Soms aandoenlijk, zoals het fragment over zijn opa van moederzijde. Die was ook mijnwerker geweest, op de Willem-Sophia, en kreeg door silicose (longziekte) in zijn laatste levensdagen geen lucht meer. Op een gegeven moment moet hij hebben geroepen: “dui mich die moer um, ich krie jing lòf” (duw mij die muur om, ik krijg geen lucht).

Voor mijzelf vind ik het tweede fragment mooi. Dat gaat over zijn vader en het schuurtje, waarin de vader graag werkt.
Het fragment begint als volgt:
Mijn vadr had een schuurtje
‘d’r sjtall’
‘d’r pap is in d’r sjtal’.

Voor mij is dat voldoende, de rest zou ik zelf wel invullen. Maar Wiel legt uit wat zijn vader zoal in het schuurtje doet. Wiel had zijn moeder vaak horen vragen: “wo is d’r pap”. Een overbodige vraag overigens, want als zijn vader thuis was, dan was hij in het schuurtje bij zijn ‘düfkess’ (duifjes) bijvoorbeeld.

Epiloog

Ik heb maar een kleine schets kunnen geven van al het prozawerk van Wiel Kusters. Maar ik heb een indruk willen geven van zijn voorliefde voor het Kerkraads dialect, maar vooral van zijn betrokkenheid bij zijn familie en zijn afkomst. Als zoon van een mijnwerker heeft hij de aftakeling door ongezond werk van zijn opa en zijn vader zien gebeuren . Een lot dat hem bespaard is gebleven. Iets wat ik twintig jaar eerder al had mogen zeggen, toen ik in dezelfde situatie verkeerde.

Maastricht, 19 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Herlezend moet ik constateren, dat het boek ‘Ik graaf, jij graaft’ aantekeningen bij poëzie bevat. Wiel Kusters bespreekt poëzie van andere dichters.
En ‘Dao tuut ‘t’ is eigenlijk een lang (verhalend) gedicht.
Het zijn dus niet al te beste voorbeelden van Wiel Kusters proza. Maar het zij zo, mijn verhaal is af, proza of geen proza.

 

 

Advertenties

Sculptors from Zimbabwe (deel 1)

28 Jul

the first generation

Inleiding

Door een genereus gebaar kwam ik in het bezit van het boek ‘Sculptors from Zimbabwe’, geschreven door Ben Joosten. In dit boek beschrijft Joosten de ontwikkeling van het beeldhouwen in Zimbabwe vanaf het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw. De kunstenaars, die zich met dat beeldhouwen bezig hielden, werden betiteld als ‘members of the first generation’.
Ik was benieuwd of José in haar beeldentuin werken van kunstenaars uit de ‘first generation’ in de opstelling had. Ik hoefde niet lang te zoeken.

Foto in het café Bij de Paters

In het café hangt een foto op doek van een Afrikaanse kunstenaar met een door hem vervaardigd beeld. José vertelde, dat de kunstenaar Bernard Matemera heette en dat hij het beeld als zijn zelfportret beschouwde. Het beeld was vervaardigd in 1996 (zie foto A).

Foto A

m_IMG_8379-cs2

José vertelde mij, dat ze het beeld reeds lang in haar bezit had. En dat klopt, want in 2005 fotografeerde ik het beeld in de tuin van het Missiehuis te Cadier en Keer (zie foto B).

Foto B

m_foto-12

Nu staat volgens José het beeld in haar beeldentuin en dat zal voorlopig zo blijven. Het beeld wordt gebruikt als voorbeeld voor de deelnemers aan de workshop beeldhouwen. Het geeft hun de spirit om hun talenten te ontplooien (zie foto C).

Foto C

m_IMG_8392-cs2

Zelfportret Bernard Matemera

Volgens José is het zeker, dat het portret in 1996 is gemaakt. Zes jaar voor de dood van Bernard Matemera. Hij werd slechts 56 jaar oud. Rond zijn twintigste was hij met beeldhouwen begonnen. Hij had uitzonderlijk talent en hij ontwikkelde zich al gauw tot een toonaangevende kracht binnen de kunstenaarsgemeenschap, die als ‘the first generation’ wordt aangeduid.
De realisatie van het zelfportret zal een lange weg hebben doorgemaakt. Zo vond ik op internet een foto van Matemera met een beeld, dat zeker als zijn zelfportret is te beschouwen. Zijn neus en mond zijn herkenbaar. Ik weet niet wanneer Matemera dit beeld heeft gemaakt, maar hij zou het als basis kunnen hebben gebruikt voor zijn latere zelfportret (zie foto D).

Foto D

matemera-1a

Duidelijk is dat Bernard Matemera met zijn zelfportret heeft geëxperimenteerd. Er is een beeld van hem bekend, dat hij ‘Changing Head’ noemde  en dat weer kenmerken, neus en mond, van het zelfportret vertoonde. Bovendien had hij een voorstelling van haarddracht en ogen (zie Foto E).

Foto E

changing head-cs2

 

Zelfs in het beeld ‘Metamorfose’, dat Bernard Matemera maakte en dat opgesteld staat in Amsterdam nabij Artis, uitgang Plantage Middenlaan, zijn de kenmerken van het zelfportret terug te vinden. Matemera trachtte in het beeld de grenzen van het dierlijke en het menselijke leven weer te geven. De mens met dierlijke trekken en het dier met menselijke trekken. Toepasselijk bij een dierentuin. Misschien gebruikte Bernard Matemera daarvoor zijn zelfportret (zie foto F).

Foto F

matemera-4

Epiloog

Om het werk van Bernard Matemera te kunnen beoordelen, moet je weten in welk jaar hij een beeld gemaakt heeft. Welke vroegere kenmerken gebruikte hij en waar experimenteerde hij mee. Ik weet alleen, dat zijn zelfportret in 1996 is gemaakt en misschien klopt mijn hele theorie niet.

Wel begrijp ik, waarom José het beeld nog niet heeft weggedaan. Als het zelfportret een eindpunt is van een aantal experimenten en voortschrijdend inzicht, dan is het beeld uniek.

Bovendien refereert het beeld aan een man, die helaas op jonge leeftijd heenging, maar in die korte tijd erin slaagde om als de ‘godfather’ van de beeldhouwkunst in Zimbabwe te worden beschouwd en zijn stempel drukte op de ontwikkeling van deze beeldhouwkunst.
Niet voor niets wordt zijn naam verbonden aan de Bernard Matemera Stichting.

Pierre Swillens

p.s. Voor de niet-ingewijden José is José de Goede, eigenaresse van de beeldentuin Maastricht-Heerdeberg en bestuurslid van de  Bernard Matemera Stichting.

 

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 1)

8 Mrt

Korps Mariniers

Qua patet orbis ‘Zo wijd de wereld strekt’

Korps Mariniers
soerabaja-6

Het Korps Mariniers is een onderdeel van de Koninklijke Marine. Het korps heeft een oude traditie. Het werd in 1665 opgericht door Michiel de Ruyter en Johan de Witt. De manschappen van het korps dienden op schepen en kwamen in actie, wanneer ergens vanaf het schip een actie op het vasteland moest plaatsvinden.
Vanzelfsprekend heeft het korps heden ten dage een andere functie. Het Korps Mariniers is omgebouwd tot een eenheid, die snel kan worden ingezet voor vredestichtende en humanitaire acties over de hele wereld. Verder wordt het korps ingezet bij de verdediging van de NAVO-landen en voor Nederland voor bescherming van het Caraïbisch gebied.

In december 1946 werd ik als dienstplichtige opgeroepen bij het Korps Mariniers (hier aangeduid als zeemilicien).

Opleiding bij  het Korps Mariniers

soerabaja-7

Marinekazerne  Kattenburg, Amsterdam

De opkomst was in de Marinekazerne Kattenburg te Amsterdam. Hier bleven we maar drie weken voor het in ontvangstnemen van kleding.  De eigenlijke opleiding zou plaatsvinden op de vliegbasis Volkel in Noord-Brabant. Dit was een voormalig Duitse vliegveld, dat op 15 augustus 1944 door de Royal Air Force (RAF) zwaar was gebombardeerd. Bomkraters waren daar nog de getuigenis van. Toen de geallieerden in september 1944 de operatie Market Garden uitvoerden, werd het vliegveld opnieuw gebombardeerd. Hierna verlieten de Duitsers het vliegveld, na alles met de grond gelijk te hebben gemaakt.

Na de bevrijding van het gebied werd het vliegveld weer in gebruik genomen, nu door de RAF. Uiteindelijk werd in september 1945 het vliegveld oor de Engelsen overgedragen aan het Nederlands Militair Gezag. Deze stelde in november 1946 het vliegveld ter beschikking van de Koninklijke Marine  als tweede opleidingskamp van het Korps Mariniers.

Nissenhutten en strenge winter

Op het vliegveld hadden de Engelsen 120 nissenhutten achtergelaten. Eigenlijk waren dit noodonderkomens, bestaande uit een fundering, een houten vloer en een halfrond golfplaten dak. Twee ramen en een deur in de gemetselde voorkant, en twee ramen in de gemetselde achterkant. In elke hut konden ongeveer 20 manschappen worden ondergebracht.
Wij kwamen daar in december 1946, midden in een strenge winter, aan. Het ijs zat aan de binnenzijde van de golfplaten. In het midden van de nis stond een kachel en die werd door ons gloeiend heet gestookt. Per kruiwagen moesten we de steenkolen vanaf een centrale opslag aanvoeren. De centrale opslag raakte al snel op en wij hoopten, dat wanneer er geen kolen meer waren wij naar huis mochten. Er verdwenen dan ook heel was kruiwagens steenkool in de ruimte onder de verhoogde vloer. Of het ons uiteindelijk gelukt is om vrij te krijgen, weet ik niet. Wel weet ik, dat er nauwelijks buitenactiviteiten waren door de strenge kou.

Maleise les

Wel weet ik dat we Maleise les kregen door een alleraardigst oudere Indiëganger. Hij bracht ons de allereerste Maleise woordjes en zinnen bij, die we straks nodig zouden hebben. Erg serieus namen we hem niet. Toen hij vroeg waarover hij het met ons in het Maleis moest hebben, toen riepen we allemaal gelijktijdig ‘steenkool’. Hierover was hij snel uitgepraat.

Openbaar vervoer

Het opleidingskamp was per openbaar vervoer moeilijk te bereiken. Ik weet dat we in Uden moesten overstappen om een stoptrein te nemen, die bij het plaatsje Zeeland, dichtbij het opleidingskamp stopte. Aangezien dat treintje maar sporadisch liep, werd Uden elke zondagavond overspoeld door honderden mariniers, die vertier zochten en de laatste trein namen. Ik moet zeggen, dat de plaatselijke schoonheden zich hierbij niet onbetuigd lieten.

Opleiding van vier maanden

Het was de bedoeling, dat wij een opleiding van vier maanden zouden volgen, waarna we uitgezonden zouden worden naar Nederlands Indië. Daar zouden we de oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade aflossen.
Voor mij werd die inzet uitgesteld. Ik werd aangezocht om een korte opleiding tot ‘hulpkader’ te volgen, die bij de opleiding van de volgende lichting (1947) ingeschakeld zou worden.  Met die lichting vertrok ik vervolgens in september 1947 naar Nederlands  Indië.

Mariniersbrigade

De oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade werden op Oost-Java ingezet om de orde en het gezag te herstellen. Na het vertrek van de Japanners was in I\Nederlands Indië een beweging op gang gekomen, die streefde naar onafhankelijkheid. De Engelsen, die het gezag overnamen van de Japanners, kregen daar al mee te maken. Tijdens gevechten met vrijheidsstrijders en burgers verloren zij in Soerabaja 500 manschappen.
De Nederlandse regering wilde echter haar gezag in Nederlands Indië herstellen en ging het gevecht aan met de vrijheidsstrijders, zo ook op Oost-Java. Dat dit niet zonder gevaar was, blijkt uit het feit, dat van onze klas (20 personen) er twee het leven lieten. Ik heb ergens een foto, waarop naast mij nog vier andere lachende mariniers staan, waaronder deze twee. Een ervan had bij het begin van onze opleiding zo’n goede test afgelegd, dat hij een opleiding tot officier mocht volgen. Hij vertrok eerst in 1949 naar Nederlands Indië en toen ik alweer terug was in Nederland sneuvelde hij alsnog. Hij was met een patrouille van elf man in een hinderlaag gelokt, waarbij er zes sneuvelden en vijf gevangen werden genomen. Uitzending naar Nederlands Indië was dus niet zonder gevaar.
De vrijheidsstrijders zouden het land overigens Republik Indonesia noemen, terwijl ‘merdeka’ vrijheid of onafhankelijkheid betekende. Je kwam die opschriften hier en daar nog wel tegen.

ms Sloterdijk

soerabaja-4

ms Sloterdijk

Wij vertrokken in september 1947 vanuit de haven in Rotterdam.  De boot, ms Sloterdijk, was een omgebouwd vrachtschip, dat in de laatste wereldoorlog ook al als troepentransportschip dienst had gedaan. Om zoveel mogelijk manschappen weg te stoppen, sliep je vierhoog boven elkaar. De bovenste moest dus een eind klimmen.
Toen we voorbij Hoek van Holland in open zee kwamen, werd ik zeeziek en dat ben ik gedurende de gehele reis van 30 dagen gebleven. Met een voortdurend gevoel van overgeven, was dat geen pretje. Je werd verzocht om niet aan de windzijde over de railing over te geven, want door de wind kwam het braaksel een eindje verder weer terug.  Geen pretje voor diegenen, die daar aan de railing stonden. Maar al doende leerde men. Er waren er, die zo ziek aren, dat ze de kooi niet uitkwamen of voor pampus op het dek lagen.

Het ergste was als de wind zo stond, dat het schip steeds slagzij maakte.  Als je dan op de wc zat, dan hing je beurtelings erboven of er een eind vandaan. Het was dan zaak om op het juiste moment te mikken. Gelukkig waren er in het open hok aan beide zijden flinke handvatten, zodat je er in ieder geval terugkwam.
De slagzij was ook merkbaar bij het eten. In de eetzaal stonden lange tafels, afgewerkt met een opstaand randje. Het eten werd opgeschept op een tablet. Als je het tablet op tafel zette en wilde gaan zitten, dan moest je bij slagzij oppassen, dat het tablet niet tien meter verder van de tafel schoof. Veel maakte het niet uit, want je had toch geen trek.
Het douchen was ook een crime, want bij gebrek aan zoet water, werd er gedoucht met zout water. Daarvan was er genoeg voorhanden. Moeten jullie eens dertig dagen proberen. Er werd niet veel gedoucht.

30 Dagen op zee

Van de reis herinner ik mij uiteraard het passeren van de rots van Gibraltar, de stad Algiers bij nacht, en de doorsteek van het Suezkanaal. Daar lagen we een tijdje stil. Toen kwamen er jongens rond de boot zwemmen. Vanaf de boot werden er geldstukken in het water gegooid, die door de kereltjes werden opgedoken, voordat ze in het diepe verdwenen. De geldstukken werden vervolgens in de mond gestopt, waarna ze verder gingen.

Na het Suezkanaal was er dagenlang niet veel te zien. Alleen bij het passeren van de evenaar werd er een Neptunus feest georganiseerd.  De traditie wil, dat Neptunus de opvarenden, die voor het eerst de evenaar passeren, doopt.

Sabang

Uiteindelijk meerde de ms Sloterdijk aan in de haven  van het eiland Sabang. Hier mochten we voor het eerst aan de wal en maakten we kennis met de Indische archipel, hun bevolking, het klimaat en de flora en fauna. Vooral de overdaad aan vruchten, zoals bananen, ananassen en kokosnoten viel op. Ook leerden we nieuwe vruchten zoals mango’s en papaja’s. Een marinier bleek allergisch te zijn voor de melk van de kokosnoot en lag ’s avonds met een gezwollen gezicht in zijn kooi.

Soerabaja

Na een paar dagen varen bereikten wij uiteindelijk ons einddoel, de haven van Soerabaja. Aan de ellende van 30 dagen zeeziek op een omgebouwde vrachtboot, kwam een einde.

Pierre  Swillens