Bemanning Wellington geëerd

17 Okt

Neerstorten Brits vliegtuig boven Grevenbicht in Tweede Wereldoorlog

Herdenking gebeurtenis 75 jaar geleden

Inleiding

wellington-3
afb. 1 Vickers Wellington bommenwerper

In de krant De Limburger van 5 oktober jl. stond een artikel met als kop: Bemanning Wellington geëerd. Het artikel vermeldt, dat het op 15 december 2016 vijf en zeventig jaar geleden is, dat boven Grevenbicht een Brits vliegtuig neerstortte, gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Het ging om een Vickers Wellington bommenwerper (zie afb. 1), die beladen met bommen op weg was naar de stad Keulen in Duitsland.
In het artikel wordt Ger Wagemans opgevoerd als ooggetuige. Aangezien het toestel dicht bij zijn woonhuis neerstortte, was hij snel ter plaatse van de rampplek.

Ook ik, toen 15 jaar oud, was ooggetuige, zij het dat ik midden in het dorp Grevenbicht woonde en niet wist waar het toestel precies was terechtgekomen.

Wat was er gebeurd

In de avond van 15 oktober 1941 vertrokken 27 Vickers Wellington bommenwerpers, alsmede 7 Short Stirling bommenwerpers vanaf Engelse vliegvelden om de stad Keulen te bombarderen. Onder de Wellington vliegtuigen bevond zich de Vickers Wellington X9978. Dit vliegtuig had een 6-koppige bemanning, waaronder een Australische piloot en vijf Britse bemanningsleden.
De bemanning was zeer ervaren. Vier van hen hadden gezamenlijk meer dan twintig vluchten naar Duitsland gemaakt. Nieuw was de Australische piloot en een Brits bemanningslid.
Voor de piloot Keith John Miller was dit zijn vijfde vlucht (zie afb. 2).
Het vliegtuig was beladen met zes bommen, een zware van 500 kg en vijf lichtere van 250 kg.
knipsel-keith_john_miller

 

afb. 2 De Australische piloot Keith John Miller

Toen de vliegtuigen Duitsland naderden, begonnen de Duitsers met sterke zoeklichten het luchtruim af te zoeken. Zij slaagden erin om de Vickers Wellington X9978 in het vizier te krijgen. Onmiddellijk sloten twee andere zoeklichten aan. Soms slaagde een vliegtuig erin om zich aan de stralen te onttrekken, maar de Wellington X9978 lukte dat niet.
Inmiddels was er vanaf de Fliegerhorst Venlo een Duitse nachtjager opgestegen, met als piloot Feldwebel Heinz Maier. Waarschijnlijk ging het hier om de Messerschmitt Me-110, een beruchte nachtjager. De Messerschmitt Me-110 was oorspronkelijk een tweemotorige lichte jachtbommenwerper. Maar door zijne geringe wendbaarheid overdag niet opgewassen tegen de eenmotorige jachtvliegtuigen, zoals de Spitfires en de Hurricanes. Maar als nachtjager was het toestel door zijn grote actieradius, zijn ruimte voor radarapparatuur en zijn zwaardere bewapening, zeer gevreesd.

De Messerschmitt Me-110 slaagde erin om de Wellington X9978 tijdens een gevecht boven de Staatsmijn Maurits in Geleen-Lutterde in brand te schieten.  De Wellington X9978 boog af naar het noorden en verloor snel hoogte. Volgens ooggetuigen kwam het toestel boven de dorpen Obbicht en Grevenbicht terecht. De bemanning wist deze dorpen te ontwijken en loste een aantal bommen boven het vrije veld.

Het vliegtuig raakte onbestuurbaar en kwam met brullende motoren brandend terecht nabij het dorp Grevenbicht in een gebied, dat aangeduid werd als ‘de Deiler’.
Waarschijnlijk had het vliegtuig nog bommen aan boord, want de inslag vormde een krater van wel zes à zeven meter breed en diep. Ger Wagemans ws na de inslag snel ter plaatse en heeft de ontzielde lichamen van twee bemanningsleden gezien. Zij hadden geprobeerd zich met parachutes in veiligheid te stellen, maar de parachutes waren niet opengegaan, waarschijnlijk door de geringe hoogte.

De rest van de bemanning bevond zich nog in het vliegtuig. De zes bemanningsleden werden op last van de bezetter begraven op een oorlogskerkhof in Venlo. In 1945 werden ze herbegraven op de Engelse militaire begraafplaats Jonkerbos te Nijmegen.

De andere dag

knipsel-wellington_kraterkopie

afb. 3 Krater van de inslag van het neergestort toestel, na enkele dagen gevuld met grondwater.

De dag erna nam ik het initiatief om de plaats van de inslag te zoeken. Door de dijk langs de uiterwaarden van de Maas af te lopen, kwam ik automatisch bij de plaats van de inslag terecht. De krater, die het neerstortend vliegtuig had veroorzaakt, lag niet ver van de dijk (zie afb. 3). Ik trof er een aantal jongens van het dorp aan, alsmede een meisje van onze leeftijd. Bovendien waren er een aantal Duitse soldaten van de Luftwaffe, die de wacht hielden bij de krater. Er was verder niets te zien, de Duitsers hadden de lichamen en mogelijke resten van het vliegtuig reed afgevoerd.
Wij mochten de krater niet bezoeken. Wel nam een militair ons mee in de richting van de krater en wees ons op een afgescheurde hand van een bemanningslid, dat in de modder lag. Kennelijk was deze door de opruimploeg over het hoofd gezien.
Ook liet de militair ons een loods parachute zien. Een kleine parachute, die dienst doet om de grote parachute uit te vouwen.

Ik kon het gesprek van de Duitse militairen goed volgen. Het was nog al melig, per slot van rekening zaten ze op wacht bij een groot leeg gat. Onze aanwezigheid werd getolereerd en wij zaten op een rij op de dijk. De militair met de loods parachute aan de ene zijde, het meisje aan de andere zijde. Plotseling zag ik dat de militair de parachute in de richting van het meisje wierp, dat daar niet op bedacht was. Toen de parachute aan mij voorbij vloog, plukte ik ze uit de lucht.  De militair werd boos en barstte uit: “Lass doch fliegen, Mensch”.  Woorden, die ik niet meer ben vergeten. Ik weet niet wat de opzet van de militair was, het meisje onverhoeds raken, of haar de parachute geven.
Merkwaardigerwijs vroeg hij, noch een andere militair, de parachute terug, zodat ik ze mee naar huis kon nemen. Kennelijk wisten ze ook geen raad met het ding en was op die manier de zaak opgelost.

Zo had ik een stoffelijk aandenken aan de ramp. Helaas ben ik de parachute kwijt geraakt. Er zat weinig zijde aan de kleine parachute en er zal iemand ze hebben opgeruimd, toen ze in de weg lag.

Epiloog

Volgens de berichten, gebaseerd op ooggetuigen, heeft de bemanning er alle aan gedaan om niet op de dorpen Obbicht en Grevenbicht neer te storten. Ze deden er alles aan om het vliegtuig in de lucht te houden. Je kunt je afvragen, waarom sprongen ze niet eerder uit het vliegtuig en waarom losten ze niet alle bommen.

Reden om de bemanning te eren. Op 15 oktober j.l is om 21.17 uur in Grevenbicht een gedenkplaat met de namen van de bemanning onthuld. Het initiatief hiertoe is genomen door de heren Ger Wagemans en Bas Bruls en door de heemkundevereniging ‘Bicht’ overgenomen. Bas Bruls dient overigens genoemd te worden, want dankzij zijn jarenlang onderzoek naar de ware toedracht, is al die informatie boven water gekomen. Hij raadpleegde archieven en documenten, sprak met ooggetuigen en zocht contact met familieleden van de bemanning.
De realisatie van de gedenkplaat is een afsluiting van de naspeuringen en een eerbetoon aan de gesneuvelde bemanning, zij het 75 jaar later.

Maastricht,  17 oktober 2016

Pierre Swillens

Naschrift:

Begin december 2015 waren er grondwerkzaamheden in het kader van het Grensmaas-project op de plaats van de inslag. Daar men rekening hield met de mogelijke aanwezigheid van explosieven gebeurde dit door een gespecialiseerd bedrijf. Er werden delen van het verongelukt toestel naar bovengehaald, zoals een motor, propeller, benzinetank en fragmenten (zie afb. 4). Kennelijk waren deze delen door de explosie in de grond verdwenen.

knipsel-wellington-propeller

afb. 4 Opgegraven fragmenten o.a. propeller van het verongelukt toestel

Advertenties

Volks- en kinderliederen

2 Okt

Terug naar onze jeugd

Iets over het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect)

Inleiding

Tijdens mijn studie over de gedichten van Wiel Kusters (zie hiervoor mijn vorige blogs over het werk van Wiel Kusters, speciaal deel 2) stuitte ik op internet op ‘Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele’. Een verzameling liederteksten, geschreven door Matthias Schollen in ‘Öcher Platt’. Het ‘Öcher Platt’  hoort tot hetzelfde taalgebied als het ‘Kirchroädsjer Plat’ (Kerkraads dialect), zodat ik als dialect-geïnteresseerde hier wel belangstelling voor had.
Maar nog meer groeide mijn belangstelling toen ik ontdekte, dat er kinderliedjes bij waren, die wij in onze jeugd zongen.  De vraag is dus, stamden die liedjes uit de Akense regio, of waren ze oorspronkelijk Limburgs of Nederlands. Hier zullen we wel geen antwoord op vinden.

Bij de reconstructie van de Limburgse of Nederlandse versie heb  ik hulp gehad van mijn vrouw Mientje, die een aantal liedteksten ook herkende en mij soms kon aanvullen uit haar herinnering.

Wij hebben een aantal van die herkenbare liedjes uit de verzameling overgenomen, waarbij wij links de originele versie weergeven en rechts de versie uit onze herinnering. Het cijfer tussen haakjes verwijst naar de nummervolorde in de Akense verzameling, dit voor degene, die ze wil terugzoeken.

Volks- und Kinderlieder

Het eerste liedje is al raak. Er wordt bij gezegd, dat bij elke regel op de hand van het kind wordt geklopt, dus met de handpalm naar boven. Bij de laatste regel wordt in de kinderhand gekriebeld (‘gekitzelt’).

(1)
Hast ne Dâler,                             Höbste geldj
Gank nohgene Maǝt,                 gank nao de mert
Gäld en Kouh,                             koup tich ’n kooj
E Stöck Leäver derzou               stök van de leaver
Kränzche,
Pänschche,                                   stök van de pens
Kirrewirrewänschche                 kielewielewens

Volgens de Akense verzameling werd bij het volgende liedje een voorwerp aan een draad gebonden en door het heen en weer bewegen een klok nagebootst. Ik weet niet of dit ook in Limburg werd herhaald, maar ik ken wel het liedje.

(12)
Bambani Beierjan,                       Bim bam beiere,
De Köster hat gen Eier.              de köster lös gen eiere.
Wat hat heä dan?                         Wat lös ‘r dan?
Speck egen Pann!                         Sjpek in de pan,
O wat ene leckesche                   mit ’n rogge botram.
Köster ess et dan.

Soms klopt er maar een regel.

(14)
Ninana Kengche                         Douwe douwe kindje
Zöckerche en et Möngche         sokker in ’t mundje
Zöckerche en et Päppche          peaperkook en viege
För et leivste Bäbbche               deit ’t kindj zjwiege

Soms komt een kinderliedje in het Nederlands terug.

(17)
Schloff Kengche schloff!!                             Slaap, kindeje, slaap
Die Vadder höid de Schoef,                         daar buiten loopt een schaap
Die Modder hoid de bontee Kouh,            een schaap met witte voetjes,
Kengche doig de Oeggelchere zou             die drinkt zijn melk zo zoetjes,

In de Limburgse versie eindigt dit met   slaap, kindje, slaap.

Soms is er geen touw aan vast te knopen.

(27)
Holz schnigge                                             Hout sjnieje
Van alle die Wigge                                     van alle wieëje
Klompe mâche                                            klompe make
Dat se krâche                                               dat se krake
Brüdche wenne                                            sjeale knech maak
Geälche zelle                                                ’t kindje de klumpkes rech.
Pam, pam, pus

Mijn vrouw kent bij de Limburgse versie nog een heel couplet erbij. Dit laat ik maar achterwege, omdat het bij de Akense versie niet voor komt.

Soms schiet mijn herinnering tekort. Tijdens de jaar wisseling werd het volgende gedicht gezegd:
(133)
GJöcksellig Nöijohr,                                    Zelig Nuujjaor
der Kopp vol Hoǝr,                                      de kop vol haor
Der Monk vol Zäng,                                    (de rest is me ontschoten).
Et Nöijohr egen Häng.

Naast liedjes worden in de Akense verzameling ook raadseltjes opgegeven, zoals deze
“(270)
Kaiser Karl hatte einen Hund,
Dem gab er den Namen mit seinem Mund.
Also hiess Karl seinen Hund.
Wie hiess der Hund?

Voor degene, die nog twijfelt, de hond heette inderdaad Also.
Deze tekst is ditmaal niet in het ‘Öcher Platt’. Deze wel:

(274)
Ein hauf Kauf hauf.

Oplossing: de helft van een half kalf, een vierde kalf dus.

In de categorie ‘Volksglauben’ komen spreuken voor, zoals:

(288)
Der Düvel schiesst zeläve net op ene klenge Houf.

Wij zeggen:
De duivel schijt altijd op de grootste hoop.

In Duitslaand gaat men dus uit van de kleinte hoop, in Nederland van de grootste.

Daarmee wil ik eindigen met het citeeren uit de Akense verameling van Matthias Schollen.

Epiloog

Met genoegen heb ik de Aachener Volks- und Kinderlieder, Spiellieder und Spiele van Matthias Schollen gelezen. Enerzijds omdat ik kennis wilde nemen van het ‘Öcher Platt’, anderzijds omdat ik er herkenbare kinderliedjes in terugvond. Mijn vrouw, die mij daarbij hielp, vroeg mij waarom ik zo’n belangstelling voor kinderliedjes had. Je bent toch niet aan het ‘verkiendsje’. Dat niet, maar ik meen mij te herinneren, dat Pierre Kemp heeft gezegd, dat in ieder mens iets kinderlijks schuilt. In mij misschien wat veel, maar ik ben daar niet rouwig om.

Daarom vind ik het jammer, dat deze kinderliedjes verdwijnen. De kinderen horen ze niet meer. Vanaf twee jaar gaan ze naar een peuterklas en als ze vier of vijf zijn, dan spelen ze spelletjes op een tablet.

Vroeger waren er geen computers, telefoons, Tv’s en nauwelijks radio’s. De kinderen moesten door de ouders worden beziggehouden en dat gebeurde door de kinder- en speelliedjes. Ik was zes jaar toen ik voor het eerst naar school ging en daar kennis maakte met de schooldiscipline. Ik heb goede herinneringen aan mijn vroege jeugd met alleen de tucht van mijn ouders, soms met harde hand dat wel. Maar daarnaast genoot ik veel vrijheid.

Maastricht,  2 oktober 2016

Pierre Swillens

 

 

 

 

 

Wiel Kusters (deel 3)

26 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Poëzie

Inleiding

In dit deel publiceer ik een aantal gedichten van Wiel Kusters uit diverse bundels. Wiel Kusters schreef vaak gedichten over familieleden en het is daarom niet toevallig, dat mijn gedichten over zijn moeder, broer en vader gaan.
Het eerste gedicht ‘Langzame wals’ is mij trouwens aangereikt door mijn dochter Bianca. Bianca schrijft af en toe wel eens een gedicht en soms haalt een ervan een vrouwenblad.

Maar Bianca is ook geïnteresseerd in poëzie van anderen. Zij vertelde mij, dat zij een opschrijfboekje heeft, waarin ze mooie poëzie, die ze tegenkomt, noteert. Dat gebeurde lang geleden met het gedicht ‘Langzame wals’ van Wiel Kusters. Sinds die tijd behoort dit gedicht tot haar favorieten.
Omdat het over Wiels moeder gaat, neem ik het met plezier over.
Bianca bedankt voor je assistentie.

Langzame wals

Wiel Kusters beschrijft een moment uit zijn leven, dat kennelijk  een sterke indruk op hem heeft gemaakt. Als 4-jarige weet hij zich te herinneren, dat zijn moeder hem op haar arm heeft genomen om met hem te dansen in de keuken. Vooral het wandkleed dat aan de muur hangt, blijft hem bij.

Aan het sterfbed van zijn moeder komt die herinnering weer terug. En hij wil nu de rollen omdraaien en zijn moeder in de armen nemen om met haar te dansen. Tenminste wat van haar overbleef.

Hij doet dit in gedachten, daardoor komt zij los van de aarde en neemt misschien gemakkelijker afscheid. Hij danst met haar totdat zij in de grond is opgenomen.

LANGZAME WALS

Wij dansen, moeder, door de keuken
jij had mij lachend opgetild

vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio

geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan

een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden

opgenomen in de wals
tussen tafel stoelen pannen

dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing

geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet

dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor de ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest

zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag

jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons over was
op een stoel en in een bed

en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was

uit: Zielsverstand, 2007

Hohner

Het tweede gedicht gaat over zijn oudere broer. Deze werd op jongere leeftijd ziek en stierf jong. Ik weet niet of Wiel hem goed heeft gekend. Zijn broer was door zijn ziekte lang buitenshuis. Wanneer Wiel in een keukenla duikt, ontdekt hij daarin allerlei spullen, waaronder de mondharmonica van zijn broer. Het  is een Hohner The Echo Harp.

Wiel beschrijft uitgebreid het doosje, waarin de mondharmonica is opgeborgen. Op het deksel is een berglandschap geschilderd, waarin een man een pad bewandelt, dat in de richting van de kijker loopt. Wiel herkent hierin zijn overleden broer, die hem nadert uit het gebergte van zijn dood.
Eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen, dat de interpretatie van Wiels broer niet van mij is (ofschoon Wiel dat duidelijk in zijn gedicht aangeeft), maar door mij werd gelezen in een recensie over het gedicht Hohner van Jane Leusink op 7 juli 2015 in TZUM literair weblog.

Hohner

In een la van de keukenkast
lagen de sigaretten van mijn vader
een boekje over eerste hulp bij ongelukken
(een man is uit voorzorg op een plank gaan staan
en trekt met een wandelstok
de elektriciteitsdraad
van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander)
een alarmpistool ~~
veel dat mij is ontschoten
en een mondharmonica van het merk
Hohner ~~ The Echo Harp.

Op het doosje een berglandschap
een houten huis
rook uit de schoorsteen
en op de voorgrond een man
die een pas bewandelt
naar ons toe.

Mijn broer speelde The Echo Harp
La Paloma
of schoot met het pistool
wanneer hij niet tekende, schaakte, las
of al het andere waar hij
goed in was.

Nooit kwam ik tot muziek
op zijn Hohner
nooit tot iets anders dan een sireneachtig
in en uit van adem

wel proefde ik het hout
ruik daarvan de wat zoete geur
wanneer het vochtig wordt
van mijn speeksel
voel hoe mijn mond
dorstig wordt en droog.

Het is een muziek
waarmee mijn broer nu
uit het gebergte van zijn dood
nader treedt

het is een ademen
een adem en alleen
in in in
en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

uit: Hohner, 2015

Vaders horloge

Dit gedicht is opgenomen in ‘Dao tuut ‘t’, dat door Wiel Kusters werd geschreven als monoloog voor stem en tuba. In feite is ‘Dao tuut ‘t’ een lang (verhalend geschreven) gedicht.

Wiel trekt een parallel tussen het stofvrije doosje, waarin het horloge is opgeborgen, en het doosje van het beademingsapparaat, waaraan zijn vader in het ziekenhuis is verbonden.
In feite zegt hij het horloge was bestemd voor ondergronds gebruik en beschermd tegen stof met  een mica-klep. De longen van zijn vader zaten ook in een doosje, maar dat was niet afgeschermd tegen stof met een mica-klep. Zijn vader ademde tijdens zijn ondergronds werk ongehinderd het mijnstof in, dat hem later zo fataal zou worden.

Ook mijn vader, tevens mijnwerker, had zo’n horloge, niet in een doosje, maar wel met een klep. Het was dus niet bestemd voor ondergronds gebruik, maar meer voor de zondag, als hij een net vest droeg.
Wel zag ik hem, als hij het horloge raadpleegde door de klep te open, tegen het glas blazen. Waarschijnlijk zat er condens op. Het horloge was dus niet stofdicht, net als zijn longen overigens.

Vaders horloge

Mijn vaders horloge zat in een doosje
een ijzeren doosje
met rood vilt bekleed en
met een mica venstertje
zodat je de wijzerplaat kon zien
stofvrij min of meer
stofvrije tijd

een horloge voor onder de grond

later zat zijn adem in zo’n doosje
een luchtdicht doosje nee
een doosje dat een heel klein beetje kierde
dat wat adem doorliet
van buiten naar binnen en
van binnen naar buiten
zijn hart moest aan een ketting trekken
een zware ketting

wat mijn vader niet wist
toen hij zo hard aan de ketting moest trekken
was dat hij alleen nog zou vragen
‘hoe laat is het’
vlak voor hij stierf

(…)

uit: Dao tuut ’t (1998). Heruitgegeven als Schachtsignalen (2012).

Vader

Een gedicht uit zijn vroege werk. Als Wiel zijn vader ziet, dan denkt hij aan diens ondergronds werk in de steenkoolmijn. Hij beschrijft op plastische wijze  de ondergrondse toiletomstandigheden en de last die de mijnwerkers hebben van de muizen. Deze zijn waarschijnlijk via de schachtliften ondergronds geraakt. Daar ondergronds paarden worden gehouden, konden zij zich via paardenvoer, en wat de mijnwerkers aan eetbaars achterlieten, in leven houden.
Naast de paarden en muizen hielden de mijnwerkers ook kanaries ondergronds. Niet voor de zang, maar als een kanarie op zijn rug lag, dan wist de mijnwerker dat hij zich uit de voeten moest maken. De kanaries konden namelijk niet tegen mijngas.

VADER

voor mij was glück auf
een nachtgroet in het donker
gesproken door mannen

voor hun behoefte zittend
op de schop terwijl muizen
brood uit hun jaszak vraten

geen treffender beeld
voor de komende slaap
wanneer ik in bed
mijn vader groette
voor hij de deur sloot

Uit: Een oor aan de grond (1978)

knipsel-wiel-kusters-met-zijn-vader
Wiel Kusters met zijn vader
(foto uit In en onder het dorp)

Epiloog

Het is opvallend hoe vaak ‘adem’ en ‘ademen’ een rol spelen in Wiel Kusters gedichten. Het is niet toevallig, dat dit in twee voorgaande gedichten gebeurt.

Wiel Kusters had aan zijn opa en vader gezien hoe funest het ondergronds werken in de steenkolenmijnen was. Uiteindelijk verloren hun longen hun functie en kwamen ze in ademnood.

Wiel Kusters was zich bewust dat ‘ademen’ een levensbehoefte is, en dat in dat kader  zijn vader door ongezond werken in de mijn aan levensjaren had ingeboet. Een ervaring die ik reeds eerder had opgedaan.

Maastricht,26 september 2016

Pierre Swillens

 

Wiel Kusters (deel 2)

19 Sep

Nederlands, tevens Limburgs, dichter en essayist

Proza

Inleiding

Wiel Kusters (1947) is een productief man. Hij schreef gedichten, mar ook  proza. Bovendien schreef hij in 2010 een biografie, getiteld Een leven over het leven en werk van de dichter Pierre Kemp. Vervolgens schreef hij in 2014 een biografie, getiteld Mijn versnipperd bestaan over het leven van de kunstcriticus Kees Fens.

Het is ondoenlijk om deze omvangrijke productie te bespreken. Daarom bespreek ik in dit deel een (beperkte) selectie van zijn prozastukken, en zal in deel 3 een aantal voorbeelden van zijn poëzie behandelen.
De selectie is volkomen willekeurig en afhankelijk van de beschikbaarheid van de tekst.

Ik graaf, jij graaft

Wiel Kusters geeft graag blijk, dat hij uit een regio komt waar het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect) wordt gesproken. Zo ook in zijn boek ‘Ik graaf, jij graaft’, dat hij schreef in 1995. Het boek bevat aantekeningen over poëzie.
Hij begint met een kinderversje in ‘Kirchröadsjer Plat’, dat hij in zijn kinderjaren vaak heeft opgezegd.
Het luidt als volgt:
mienne nònk va Pònk
deë hauw inne hònk
deë sjieset loeter kaffejrònk.

Hij doet er ook de vertaling bij:
mijn oom uit Pont
die had een hond
die poept alleen maar koffiedik.

Opvallend is, dat zijn vertaling minder plat is dan het origineel. Moeilijk te duiden is het woord ‘kaffejrònk’. Kaffe (koffie) is nog te volgen, maar ‘jrònk’. Volgens mij staat er ‘grond’. In het Kerkraads dialect wordt de ‘g’ niet uitgesproken, maar een ‘j’ hiervan gemaakt, terwijl de ‘d’ of ‘t’ aan het inde van een woord (na een medeklinker?) wordt gewijzigd in een ‘k’, zie ‘hònk’ (hond).

Wiel Kusters was verrast, toen hij de ‘Aachener Sprachschatz’ (Akens woordenboek) kocht  en hij het woord ‘kaffiejronk opzocht. Hij vond daarbij het volgende versje:
miene Nonk Fonk uus Ponk, déa fresst at luuter kaffiejronk.
Hij (of de Aachener Sprachschatz?) laat hierbij een regel of woord weg, want niet de oom maar de hond van de oom vreet koffiedik. Aan de ene kant van de grens poept de hond koffiedik, aan de andere kant vreet hij dat spul zo laat Wiel Kusters blijken.
Na enig speurwerk op internet vond ik een bevestiging. Mijn verrassing was misschien nog groter dan die van Wiel Kusters. Ik vond namelijk het originele kinderliedje. Dat ging als volgt: :
miene Nonk Fonk us Ponk singe Honk, döm sing Konk ess wonk van alle de kaffigronk döm minge Nonk Fonk us Ponk singe Honk dronk.
Vrij vertaald staat er:
mijn oom Font uit Pont zijn hond, die heeft pijn aan zijn kont van al de koffiedik, die mijn oom Font uit Pont zijn hond dronk. Het versje uit Kerkrade komt in een ander daglicht te staan, want de hond in Aken poept wel degelijk koffiedik.
Het kinderversje is te vinden In een door Matthias Schollen samengestelde verzameling ‘Aachener Volks- und Kinderliedeer, Spiellieder und Spiele’.
Hoe oud het kinderversje is, is moeilijk te achterhalen. Dit soort versjes werd gebruikt om door de alliteraties de tong van de kinderen soepel te maken. Het zou wel eens een oud versje kunnen zijn, want er staat ‘kaffigronk’ en niet ‘kaffijronk’, zoals in de andere versjes. Mogelijk dat in die tijd de ‘g’ nog niet veranderd werd in de ‘j’.

Opvallend is de overeenkomst tussen het ‘Kirchröadsjer Plat’ en het ‘Öcher Platt’ (Akens dialect). Ook daar wordt de ‘g’ veranderd in een ‘j’ en de ‘d’ of ‘t’ aan het einde van een woord in een ‘k’. Dit dialectgebied wordt niet gescheiden door de grens tussen Nederland en Duitsland.

Slapeloos in Amsterdam

Vermakelijk is het verhaal ‘Slapeloos in Amsterdam’, dat Wiel Kusters schrijft naar aanleiding van een bezoek aan de dichter Gerrit Kouwenaar.
Dit verhaal is gepubliceerd in ‘Brieven uit Mosanje’ van 9  augustus 2016 ter gelegenheid van de 93e geboortedag van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014).

Reeds eerder werd het verhaal gepubliceerd in: Ton van Reen (red), Wilde Flora, Heerlen, uitgeverij Leon van Dorp, 2016.

Wiel is bij de ontmoeting 28 jaar oud en is van plan om een proefschrift te schrijven over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij maakt een afspraak met de dichter in Amsterdam om hem in te lichten over zijn voornemen en om hem om toestemming en medewerking te vragen.
Hij wordt allervriendelijkst  ontvangen door de dichter en zijn vrouw. Na enig gekeuvel besloot de dichter om hem als ‘introduce’ mee te nemen naar de sociëteit De Kring om hem voor te stellen aan zijn collega-dichters. Maar eerst wil de dichter nog met hem een hapje eten, rijkelijk besproeid met alcohol. Bij dit hapje blijft het niet, er wordt ook nog een bezoek gebracht aan een café.
Wiel ziet de bui al hangen en belt met Maastricht dat het te laat wordt om de laatste trein naar Maastricht te halen en dat hij in Amsterdam blijft slapen. De vrouw van de dichter had hem al beloofd, dat zij een kamer voor hem gereed zou maken.
Uiteindelijk bereikten ze rond middernacht het etablissement, alwaar De Kring zitting hield.  Gerrit Kouwenaar werd allerhartelijkst door de collega-dichters ontvangen, aan Wiel werd geen aandacht geschonken. Hij maakte zich wel zorgen over de alcoholconsumptie van de dichter en uiteindelijk besloot deze om naar huis te gaan. Hierbij steunde hij nadrukkelijk op Wiel tijdens het lopen. De dichter woonde in een bovenwoning, dus het was een hele hijs om hem boven te krijgen. Wiel plaatste hem in een leunstoel, waarin hij in slaap viel. Hij had nog kenbaar gemaakt, dat zijn vrouw niet wakker gemaakt mocht worden, dus Wiel besloot niet op zoek te gaan naar een slaapkamer en bracht de nacht eveneens door in een leunstoel.
Bij het krieken van de dag en het horen van de tram, besloot Wiel om maar met stille trom te vertrekken om de terugreis naar Maastricht aan te vangen.
Hij had stellig de indruk, dat de dichter ingenomen was met Wiels voornemen om een proefschrift over zijn werk te schrijven.

In 1986 promoveerde Wiel Kusters aan de Universiteit van Utrecht met het proefschrift De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar.

Dao tuut ‘t

Wiel Kusters schreef in 1998 ‘Dao tuut ‘t’ als monoloog voor stem en tuba. Het Huis van Bourgondië in Maastricht maakte er een theaterproductie van, hetgeen leidde tot verschillende uitvoeringen in Midden- en Zuid-Limburg.

In 2012 bewerkte Wiel Kusters ‘Dao tuut ‘t’ tot een boek Schachtsignalen. Dit boek werd uitgegeven in het kader van de serie ‘Literair Limburg’. In het boek is de integrale tekst van Wiel Kusters vertaald in het Kerkraads door Lei Heijenrath.

De tekst bevat tien fragmenten. De titel ‘Dao tuut ‘t’ verwijst naar de signalen die de naburige mijn Willem-Sophia regelmatig produceerde, bijvoorbeeld als teken dat een dienst was afgelopen en een nieuwe was begonnen.

In de boekbespreking van ‘In en onder het dorp’ met Wim Brands, tijdens een uitzending van VPRO Boeken, haalt Wiel Kusters de titel aan. Hij zegt: “Dit is nauwelijks te vertalen. Moet je zeggen: daar fluit het” (einde citaat). Het was geen fluiten, het was ook geen toeteren, het leek meer op een scheepshoorn.

Wiel Kusters zegt, dat hij zijn moeder dan vaak hoorde zeggen: “Dao tuut ’t op de koel” (op de mijn). Zelf hoorde hij het als kind nauwelijks tijdens het spelen. Het hoorde erbij. Voor de ouderen, die in de nabijheid van de mijn woonden, was het een vast signaal, zoiets als het beieren van nabije kerkklokken.

De tekst gaat voornamelijk over Wiels familie, zijn opa, zijn vader en zijn moeder. Soms aandoenlijk, zoals het fragment over zijn opa van moederzijde. Die was ook mijnwerker geweest, op de Willem-Sophia, en kreeg door silicose (longziekte) in zijn laatste levensdagen geen lucht meer. Op een gegeven moment moet hij hebben geroepen: “dui mich die moer um, ich krie jing lòf” (duw mij die muur om, ik krijg geen lucht).

Voor mijzelf vind ik het tweede fragment mooi. Dat gaat over zijn vader en het schuurtje, waarin de vader graag werkt.
Het fragment begint als volgt:
Mijn vadr had een schuurtje
‘d’r sjtall’
‘d’r pap is in d’r sjtal’.

Voor mij is dat voldoende, de rest zou ik zelf wel invullen. Maar Wiel legt uit wat zijn vader zoal in het schuurtje doet. Wiel had zijn moeder vaak horen vragen: “wo is d’r pap”. Een overbodige vraag overigens, want als zijn vader thuis was, dan was hij in het schuurtje bij zijn ‘düfkess’ (duifjes) bijvoorbeeld.

Epiloog

Ik heb maar een kleine schets kunnen geven van al het prozawerk van Wiel Kusters. Maar ik heb een indruk willen geven van zijn voorliefde voor het Kerkraads dialect, maar vooral van zijn betrokkenheid bij zijn familie en zijn afkomst. Als zoon van een mijnwerker heeft hij de aftakeling door ongezond werk van zijn opa en zijn vader zien gebeuren . Een lot dat hem bespaard is gebleven. Iets wat ik twintig jaar eerder al had mogen zeggen, toen ik in dezelfde situatie verkeerde.

Maastricht, 19 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift

Herlezend moet ik constateren, dat het boek ‘Ik graaf, jij graaft’ aantekeningen bij poëzie bevat. Wiel Kusters bespreekt poëzie van andere dichters.
En ‘Dao tuut ‘t’ is eigenlijk een lang (verhalend) gedicht.
Het zijn dus niet al te beste voorbeelden van Wiel Kusters proza. Maar het zij zo, mijn verhaal is af, proza of geen proza.

 

 

Wiel Kusters (deel 1)

1 Sep

Een Nederlandse, tevens Limburgse, dichter en essayist

Man van het ‘Kirchröadsjer Plat’ (Kerkraads dialect)

Inleiding

wiel_kustersOp zondag, 30 januari 2013, zat ik met mijn vrouw naar het wekelijkse programma VPRO Boeken op de tv te kijken. Een programma dat gepresenteerd werd door de helaas verscheiden Wim Brands. In deze uitzending sprak hij met Wiel Kusters over diens recent verschenen boek: In en onder het dorp. Een boek dat gaat over het mijnwerkersleven in een dorp in Limburg, in dit geval Spekholzerheide (gemeente Kerkrade).

Wiel Kusters is een aimabele man en een goed verteller. Hij vertelt dan ook over zijn eigen ervaring als zoon van een mijnwerker en hoe het er in een mijnwerkersfamilie aan toeging. Zelf zoon van een mijnwerker kon ik zijn verhaal goed onderkennen. Alles was voor mij herkenbaar.  Het boek zou ik beslist gaan kopen. Het kwam er echter niet van. Eerst nu lees ik het boek als e-book op mijn computer en verdiep ik mij in de mens Wiel Kusters. Mijn belangstelling voor hem was weer gewekt na het lezen van zijn werk ‘Dao tuut ‘t’, een monoloog voor stem en tuba (hierover later meer in deel 2).

Wie is Wiel Kusters?

Wiel Kusters is een bekende Nederlandse letterkundige, dichter en essayist. Hij werd geboren op 1 juni 1947 in Spekholzerheide. Na het afronden van de Mulo en het afleggen van het Staatsexamen vo begon Wiel Kusters met een universitaire studie. Waar? Daarover zijn  de meningen verdeeld. De ene bron zegt, dat hij Nederlandse taal en letterkunde studeerde in Nijmegen, terwijl de andere bron beweert dat hij in 1973 cum laude afstudeert aan de Universiteit van Utrecht  in de Nederlandse taal en letterkunde.
Vreemd dat de eerste bron aangeeft dat hij vanaf 1972 tot 1978 les gaf op een middelbare school. De universiteiten en de jaartallen kloppen dus niet.

Hij promoveert op het proefschrift: De killer, poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. De ene bron zegt in 1985, de andere bron maakt er 1986 van. Scheelt maar een jaar dus.

Niet genoemd door de eerste bron, vermeldt de tweede bron, dat hij in 1986 en 1987 bijzonder hoogleraar is aan de Freie Universität Berlin.

In 1989 wordt hij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en vanaf 1991 gewoon hoogleraar in algemene en Nederlandse letterkunde aan de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Op 1 juni 2012 gaat hij op eigen verzoek met emeritaat.

Naast zijn wetenschappelijk werk aan de universiteit bekleedde Wiel Kusters talrijke wetens- en maatschappelijk functies en dat doet hij nu misschien nog. Teveel om hier op te noemen. Wel wil ik nog kwijt dat Wiel Kusters op 5 juli 2013 door de toenmalige burgemeester Onno Hoes het Teken van Verdienste van de Stad Maastricht kreeg uitgereikt. De onderscheiding werd verleend voor het vele werk dat Wiel Kusters op cultureel en maatschappelijk gebied had verricht voor de Universiteit Maastricht. Dit werk was eveneens van belang geweest voor het cultureel functioneren van de stad Maastricht.

Wat hebben Wiel Kusters en Pierre Swillens gemeen?

Weinig zult u zeggen. Zeker niet op het gebied van het dichten en schrijven. Maar daarbuiten zie ik wel overeenkomsten.
Wij zijn beiden een zoon van een mijnwerker en hoorden in onze jeugd tot een mijnwerkersfamilie. Wanneer hij schrijft dat zijn moeder wekelijks de ‘pungel’ (bundel mijnwerkerskleding) van zijn vader moest wassen, dan zie ik de wekelijkse wasbeurt van mijn moeder voor me.

Ook bij ons thuis werd er niet over de mijnen gesproken. Door mijn vader niet en mijn moeder vroeg er niet naar. Als kind wist je dat je vader een gevaarlijk en ongezond beroep had, maar je stond er verder niet bij stil.

Op een vraag van Wim Brands waarom Wiel niet in de mijn was gaan werken, antwoordde deze.: “Ik mocht doorleren”. Wij schelen duidelijk in leeftijd, ik ben van 1926 en Wiel van 1947. Op deze vraag zou ik hetzelfde antwoord hebben gegeven. Wiel schijft in ‘In en onder het dorp’, dat in zijn tijd kinderen van mijnwerkers in het algemeen niet in de mijnen gingen werken. De verwachtingen van de mijnen, dat de vader-zoon relatie voor bestendiging  in het aanbod van mijnwerkers-in-spé zou zorgen, kwamen dus niet uit. Volgens mij was dit twintig jaar eerder ook al het geval. Ik piekerde er niet over om in de mijn te gaan werken en mijn ouders drongen niet aan. Ik mocht doorleren.

Beiden gingen we als mijnwerkerszoon naar de (m)ulo. Voor de hbs was er waarschijnlijk geen geld. Dat let niet, dat Wiel het schopte tot hoogleraar – om het maar eens populair te zeggen – terwijl ik, zij het op latere leeftijd, een studie Nederlands Recht aan dezelfde universiteit afrondde.

Met onze vaders liep het beiden slecht af. Bij de vader van Wiel werd silicose gediagnosticeerd, bij mijn vader chronisch bronchitis. Dat niet ver van silicose af zal zijn geweest, maar niet als zodanig werd benoemd.

Opvallend is, dat Wiel schrijft dat zijn vader op een gegeven moment schiethouwer werd. Hetzelfde was met mijn vader gebeurd. Het nadeel was daarbij, dat hij steeds nachtdienst had. Het werk van de schiethouwer vond ’s nachts plaats. Met dynamiet moesten de steenlagen worden opgeruimd om de kolenlagen toegankelijk te maken.

Wiel Kusters loochent zijn afkomst uit Limburg niet en waar mogelijk gebruikt hij woorden in ‘Kirchröadsjer Plat’. In deel 2 zal ik hiervan voorbeelden  geven.
Zelf ben ik gecharmeerd van het gebruik van Limburgse dialecten en probeer dat in mijn geschriften tot uitdrukking te brengen. Dat hebben we dus wel gemeen.

Bovendien wonen we beiden als ‘buitenstaanders’ al jaren in Maastricht.

Maastricht, 1 september 2016

Pierre Swillens

Naschrift
Lezend in Wiel Kusters boek ‘In en onder het dorp’ doet Wiel uitgebreid verslag van zijn opleiding. Hij rondde de ulo-b af, slaagde voor het staatsexamen hbs en vervolgens voor het staatsexamen gymnasium. Hij studeerde inderdaad aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen en behaalde de graad van doctorandus in de Nederlandse taal en letterkunde.
Wiel lost dus het raadsel van de universiteiten zelf op. De universiteit van Utrecht was een duidelijke omissie.

 

Letterbak. Taalkwesties & Limburgs dialect (2)

11 Aug

Mooie woorden in het Limburgs dialect

Letterbak van Wim Kuipers

Wat zegt de Limburger tegen ‘zakdoek’?

Laatst las ik in de bundel ‘Letterbak: Moeles van de sjalevaeger, aan de hand van Wim Kuipers, uitgegeven in 1999. Wim Kuipers schreef korte verhalen over taal en Limburgs dialect in het dagblad De Limburger. Deze verhalen werden gebundeld in een Letterbak, zoals in deze.
Hij schrijft in een van die verhalen over mooie woorden in het Limburgs dialect, zoals ‘sjottelsplak’ (vaatdoek) en ‘tesseplak’ (zakdoek). Hij schrijft erbij, dat voor dit laatste in het Limburgs dialect ook wel ‘maalplak’ wordt gezegd. en dat kwam mij bekender voor. Ik weet uit mijn vroege jeugd, dat mijn vader een ‘maalplak’ had. Die haalde hij uit zijn ‘maal’ (broekzak).

Toentertijd hadden alleen mannen een ‘maalplak’. Vrouwen hadden waarschijnlijk wel een zakdoek, maar geen ‘maalplak’. Zij hadden immers geen ‘maal'(broekzak). Kinderen hadden ook geen ‘maalplak’. Zij werden wel eens uitgenodigd de ‘maalplak’ van de vader te gebruiken.
Ik kan mij herinneren – ik was toen misschien 10 jaren oud – dat  ik elke week bij Tant Maria (zus van mijn vader) De Lach ging lezen. Tant Maria had een aangenomen zoon en die was tamelijk verwend. Hij werd door haar ‘de jóng’ genoemd, ook nog toen hij al een baan had bij de Staatsmijnen. Die ‘de jóng’ was geabonneerd op De Lach, toentertijd een pikant blad. ‘De jóng’ werkte op zaterdag en ik wist dat de postbode ’s zaterdags De Lach bracht. Daar mocht ik van Tant Maria in bladeren, als ik maar niet de indruk gaf, dat in het blad gebladerd was, anders werd ‘de jóng’ boos.

Ik bladerde, staand aan de keukentafel, terwijl Tant Maria in de woonkamer aan het rommelen was. Zij hoorde mij voortdurend snuiven en zij sprak toen de legendarische woorden: ‘höbste geine sjnoefplak’ (heb je geen zakdoek?).  Die had ik niet, dus ik ging maar gewoon door met snuiven.

Haarinkele

Een ander mooi woord, dat Wim Kuipers noemt, is ‘haarinkele’. Zonder dat ik zijn verdere uitleg gelezen had, wist ik wat hij daarmee bedoelde, omdat het mij ook al eens overkomen was.
Hij legt uit dat vroeger de kinderen vaak klompen droegen en dat het wel eens gebeurde, dat bij het rennen met de ene klomp de binnen enkel van de andere voet werd geraakt. met als gevolg dat deze werd ontveld.

Wim Kuipers legt ook uit waar volgens hem het woord ‘haarinkele’ vandaan komt. ‘Inkele’ is duidelijk, dat is het Limburgs woord voor ‘enkels’. ‘Haar’ komt volgens hem van ‘haare’ (slijpen). De enkel wordt door de klomp ‘gehaard’, je slijpt bij de enkel het vel eraf.

Dit bracht mij op een andere anekdote uit mijn jeugd. Ik heb het al eens eerder in een blog verteld, maar het is nu weer toepasselijk.
Ik denk dat ik een jaar of vijf oud was en ik was bij mijn grootvader (van vaderszijde) op vakantie. Hij was mijn peter en naamgever, dus hij kon mij wel hebben. Hij was wat je noemt een ‘keuterboer’, een koe, een varken, wat kippen en wat land. Op een dag nam hij mij mee, omdat hij op een stuk land gras wilde maaien. Dat gras werd verwerkt tot hooi voor de koe. Hij vertrok met een handzeis en een koehoren met water en een slijpsteen. De koehoren bevestigde hij aan zijn broekband.
Bij het weiland aangekomen, hing hij de koehoren aan een draad van de omheining en begon te maaien. Na een tijdje moest hij zijn zeis ‘haare’ (slijpen) met behulp van de slijpsteen en het water in de koehoren. Terwijl hij bezig was met maaien, wilde ik de koehoren eens beter bekijken. Ik was daarbij zo onhandig om de koehoren om te keren, waardoor het water eruit liep. Toen grootvader opnieuw wilde ‘haare’ was er geen water. Hij keek mij bestraffend aan, maar ik deed alsof mijn neus bloedde.

Gelukkig was mijn grootvader een aardige man en hij maakte er verder geen woorden meer aan vuil. Het was toch al een man van weinig woorden. Hij mocht mij wel, maar nu even niet. Maar hij moest water hebben en dat was in geen velden of wegen te bekennen. Grootvader wist er iets op te vinden, hij was niet voor niets ‘keuterboer’. Hij draaide zich resoluut om, plaste in de koehoren en ging doodleuk verder met ‘haare’. Of het maaien beter verliep, weet ik niet. Het leek mij verstandig om verder van de koehoren af te blijven.

Ik vraag mij nu nog steeds af, waarom grootvader die koehoren met water van huis meenam. Tijdens het lopen, mocht hij het water immers niet morsen. Ik denk, dat hij dit al jaren deed en dat zijn vader hem misschien dat geleerd had. Plassen deed je alleen in noodgeval.

Maastricht, 11 augustus 2016

Pierre Swillens

Naschrift: ‘jóng’ wordt in het Limburgs dialect niet uitgesproken met de ‘o’, zoals in het Nederlandse ‘jongen’ en ook niet met de ‘u’, zoals in het Duitse ‘Junge’, maar met een klinker ergens daar tussen in. De klankkleur benadert wel het meest de uitspraak in ‘Junge’. Het verkleinwoord ‘jungske’ (jongetje) wordt uitgesproken met de ‘u’, zoals in het Nederlandse ‘hun’.

 

Irene van Vlijmen

4 Aug

Begenadigd kunstenares

Beroemd in Spanje, vrijwel onbekend in Nederland

Inleiding

Irene van Vlijmen-7a
In het dagblad De Limburger van 16 juli 2016  stond een artikel met als kop: Een boek als eerbetoon aan Irene. In het artikel laat men José van Vlijmen aan het woord, die vertelt dat zij bezig is met het uitgeven van een boek , dat een eerbetoon moet worden aan haar overleden zuster Irene.
Aangezien Irene voor het grootste deel van haar leven in Spanje woonde en werkte, is in Nederland weinig over haar werk bekend. José hoopt met het boek een lacune op te vullen.
José bestiert op 74-jarige leeftijd een fotografiewinkel in de Hoogstraat in Weert. Deze winkel annex woonhuis heeft zij ingericht als een soort museum voor werken van haar zus Irene.
Irene heeft hier in haar leven zelf aan bijgedragen. Zo is het trappenhuis met een wenteltrap, die alle verdiepingen verbindt, door Irene voorzien van een frescoschilderij, ter hoogt van negen bij twee meter.
In de winkel heeft Irene een frescoschilderij aangebracht met een omvang van vijf bij vier  meter.

Wie was Irene van Vlijmen?

Irene van Vlijen werd op 23 november 1939 geboren te Weert en zij overleed op 1 september 2007 te Malaga (Spanje).
Na haar middelbare schoolopleiding studeerde zij aan de Stadsacademie te Maastricht. Zij vervolgde haar studie aan de Rijksacademie in Amsterdam en vervolgens aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen.

Hoewel zij een studiereis naar Rome had verkregen, verkoos zij in 1965 om naar Spanje af te reizen. Spanje had haar altijd aangetrokken door het klimaat, de mediterrane sfeer  en de klankrijke taal. Zij begint hier een studie aan de Real Academia de Bellas Artes San Fernando te Madrid. Hier bekwaamde zij zich in het op authentieke wijze verwerken van fresco’s en mozaïeken.

In 1967 huwde ze met de Spaanse projectontwikkelaar Alfonso Fernández Nieto en vestigde zij zich met hem te Malaga.

Irene van Vlijmen als kunstenares.

irene_van_vlijmen-21

Irene van Vlijmen aan het werk (foto te vinden op de website Erfgoed Weert)

Irene van Vlijmen groeide op in een harmonieus en kunstinnig gezin. Haar moeder was de bekende fotografe Nelly de Turek.
Door haar opleiding ontwikkelde Irene zich tot een veelzijdige kunstenares. Zij maakte grafieken, etsen en litho’s, schilderde aquarellen, olieverfschilderijen en fresco’s en maakte mozaïeken. Bovendien ontwierp zij juwelen en tapijten.  Zij exposeerde over de gehele wereld, voor de eerste keer in Madrid.  Deze expositie werd geopend door prinses Irene (sic).

Bekende werken (projecten) van Irene

BUITENLAND

Château de Chailly, Poilly-en-Auxois, France

In 1988 exposeerde Irene van Vlijmen in Santa Ana (Californië). Hier ontmoette zij de steenrijke Japanse zakenman Yasuhiko Sata. Deze vertelde haar, dat hij in Frankrijk een kasteel had gekocht aan de Côte d’Or, het Château de Chailly. Dit kasteel wilde hij inrichten als hotel. Hij was gecharmeerd van het werk van Irene en hij vroeg haar of zij het interieur van een van de torens wilde inrichten met haar werk. Hij gaf haar hierbij carte blanche. Het werd een geheel project, La Dôme du Cosmos genaamd. Irene werkte er twee jaren aan (zie foto 1).

 irene_van_vlijmen-24

Foto 1 Irene’s project La Dôme du Cosmos in Château de Chailly, France

Hotel Villa Guadalupe, Malaga, España

Een tweede project was het verfraaien van Hotel Villa Guadalupe in de buurt van Malaga, Spanje (zie foto 2). Op de website van Hotel Villa Guadalupe is een mooi artikel in het Engels te vinden, aan de hand van de Nederlandse dichter Pierre Bogaers, over het leven van Irene van Vlijmen. Ga hiervoor naar http://www.villaguadalupe.com Kies een taal met behulp van de vlaggetjes en klik in de bovenbalk op de tab The Artist.

irene_van_vlijmen-5

Foto 2 Irene van Vlijmen voor een van haar werken in Hotel Villa Guadalupe

BINNENLAND

Grand Hotel Karel V, Utrecht

Wat betreft werken van Irene van Vlijmen in Nederland heb ik reeds gewezen op de frescoschilderingen in het winkel-woonhuis aan de Hoogstraat in Weert.

Ondanks het feit dat Irene in Spanje woonde en werkte, zijn er een aantal werken van haar in Nederland te bewonderen, zoals het mozaïek in het Grand Hotel Karel V te Utrecht (zie foto 3). Dit mozaïek stelt een tweekoppige adelaar voor en bevindt zich nabij de ingang aan de Springweg. De symbolische betekenis van het mozaïek is mij niet bekend.

irene_van_vlijmen-15

Foto 3 Mozaïek in Grand Hotel Karel V, Utrecht

Het ei van Château St. Gerlach, Houthem

 Ook in de nabijheid van Maastricht zijn werken van Irene van Vlijmen te bewonderen. In 2007 fotografeerde ik in de tuin van Château St. Gerlach te Houthem-Valkenburg een prachtig  ei, door Irene van Vlijmen voorzien van een mozaïek (zie foto 4). Het ei draait 360 graden, zodat steeds een ander deel zichtbaar wordt.
Irene gebruikte ca. 140 kleuren, waaronder 20 nuances goud. Het glas voor de mozaïek werd gepigmenteerd en met de hand gesneden in het 110 jaren oude atelier van Angelo Orsoni te Venetië. Het 23-karaats bladgoud werd ingeklemd tussen twee glazen plaatjes. In totaal gebruikte zij ca. 40.000 mozaïek-stukjes. Het kunstwerk werd in 1997 voltooid.

irene_van_vlijmen-20

Foto 4 Mozaïek-ei, vervaardigd door Irene van Vlijmen

 Mozaïek/fresco in dagkapel Château St. Gerlach, Houthem

In 1997 had Irene van Vlijmen op dezelfde wijze een mozaïek aangebracht in de dagkapel van Château St. Gerlach (zie foto 5). Dit mozaïek, aangevuld met frescoschilderingen, besloeg de gehele achterwand van de kapel. De afmeting bedroeg 4,5 bij 6,85 meter.
Irene gebruikte hiervoor ca. 260 kleuren, waaronder 23 karaats goud in 20 nuances. Voor het mozaïek waren honderdduizenden stukjes glas nodig in dezelfde techniek en afkomst als bij het ei. De gehele mozaïek werd door haar aangevuld met frescoschilderingen, zoals de omlijstende regenboog.

Centraal in de mozaïek is de Heilige Drie-eenheid gesymboliseerd in de vorm van het alziend oog van God de Vader, de Madonna met Jezus Christus (de Zoon) en de H. Geest in de vorm van een duif, vlammen en vurige tongen.
Tevens centraal staat Sint Gerlach. Links in de mozaïek stelt de cirkel een visioen van de H. Hildegard van Bingen voor, die St. Gerlach meerdere malen bezocht. Zij had hem verteld, dat zij een visioen had gehad, waarbij zij  Gerlach in de hemel aantrof, zittend op een mooie stoel. Ook schonk zij hem haar kroon, die zij droeg bij haar professie.

 irene_van_vlijmen-10

Foto 5 Mozaïek/fresco in dagkapel Château St. Gerlach, Houthem

 Op de website van de Parochie Sint Gerlach trof ik een dubbelfoto aan, waarop wordt geïllustreerd dat Irene van Vlijmen een zelfportret in haar mozaïek had verwerkt. Zij gebruikte hiervoor een kinderfoto van haar. Zij verwerkte haar hoofd zodanig in de mozaïek, dat het alleen de insiders zal opvallen.  Als je ter hoogte van haar mond op de kinderfoto naar links in het mozaïek-detail gaat, dan zul je het hoofdje mogelijk vinden.

Irene van vlijmen-6

Foto 6 Dubbelfoto van Irene van Vlijmen, op kinderfoto en in mozaïek

Epiloog

Aan haar werkzaam en productief leven  als kunstenares kwam vroegtijdig een eind. Laat ik eindigen met een weergave van haar gedachtenisprentje (zie foto 7).

Irene van Vlijmen-7

Foto 7 Gedachtenisprentje van Irene van Vlijmen

Maastricht, 4 augustus 2016
Pierre Swillens