Archief | Uncategorized RSS feed for this section

Onthulling van Dr. Hub Frenkenpad in Obbicht

14 Apr

Eerbetoon aan een markante Obbichtenaar

Inleiding

Op 22 april jl. is in Obbicht (Limburg) het Dr. Hub Frenkenpad onthuld. Daarmee wordt de gedachtenis aan het leven van Hub Frenken voor altijd vastgelegd. Hub Frenken is op 21 april 1907 geboren in Obbicht en na een turbulent, maar zorgzaam leven gestorven op 15 februari 2001 in Rotterdam.

Wat maakt Hub Frenken tot een bijzonder persoon, die door de gemeenschap moet worden geëerd? Hub toonde zich op jonge leeftijd een pionier door het beoefenen van de ‘vliegerij’ toen die nog in haar prille schoenen stond. Hij was een van de eerste gezagvoerders van de KLM op de Indië-route.
Het vliegen was toentertijd nog bijzonder gevaarlijk. Velen van zijn collega’s kwamen om bij hun vluchten en Hub besloot derhalve om te stoppen met de ‘vliegerij’ en zich verder te bekwamen in de medicijnen. Hij studeerde af aan de Universiteit van Amsterdam. Hierbij werd duidelijk , dat Hub zich ten dienste wilde stellen van de gemeenschap.

Hij vertrok met zijn gezin naar Curaçao en was daar acht jaar huisarts. Vervolgens ging hij zich bekwamen in de dermatologie en werkte twee jaar in Mexico op vrijwillige basis in een leprakolonie. Om zijn studie dermatologie af te ronden, vertrok hij weer naar Nederland. Hier promoveerde hij bij de Universiteit van Utrecht op zijn proefschrift ‘De Diffuse Lepra van Lucio en Latapi’.
In 1963 vestigde hij zich als huidarts in Aruba en eerst in 1973 keerde hij terug naar Europa. Allereerst in Antwerpen, alwaar hij als scheepsarts aanmonsterde bij diverse scheepvaartlijnen. Vervolgens verhuisde hij naar Maastricht, waar hij zich bekwaamde in de acupunctuur. Uiteindelijk kwam een einde aan zijn veelzijdig leven in de medische wereld en vestigde hij zich in Andorra.

Wij kunnen dus zeggen, dat Hub Frenken zich ten dienste heeft gesteld van de mensheid. Zijn droom om een leprakolonie te vestigen in Afrika is nooit uitgekomen. Wel maakte hij zich verdienstelijk met het schrijven van artikelen in luchtvaartbladen en medische tijdschriften.

Ook na zijn pensionering kon Hub Frenken niet stilzitten. Hij ging schilderen, waarbij objecten en situaties uit zijn jeugd in Obbicht zijn voorkeur hadden. Hij maakte een niet-onverdienstelijk borstbeeld van zichzelf.
Hij ging schrijven, zoals  een boek over de luchtvaart: ‘PIET SOER en anderen van de oude Indië-route (1995)’. Maar ook ‘Sjetse van vreuger oet en dörp in Zuid-Limburg (1988)’, geschreven in dichtvorm in Obbichts dialect. En als apotheose ‘BEELDEN UIT MIJN KINDERJAREN trekken aan mijn oog voorbij (2000)’.

In 2001 sloot Hub Frenken, te midden van zijn familie, voorgoed zijn ogen. Aan een turbulent, maar zorgzaam leven, kwam een einde.

Hub Frenken verdiende het om in zijn geboorte- en woonplaats Obbicht te worden geëerd.  Al zwierf hij over de gehele wereld, hij bleef Obbicht trouw. Als piloot zocht hij, wanneer het kon, Obbicht op, maakte laagvliegend zijn rondjes en zwaaide naar de mensen. “Dat is Huubke” zeiden de omstanders dan. Hij liet hierbij altijd blijken, dat hij uit het dorp Obbicht kwam. Na zijn pensionering keerde hij terug naar zijn roots in zijn geschriften en schilderijen.

Hoe ontstond het Dr. Hub Frenkenpad?

Op 24 november 2015 bracht de Commissie Naamgeving van de Gemeente Sittard-Geleen, na overleg met het Ecrevissecomité Obbicht, een advies uit aan het College van Burgemeester&Wethouders van die gemeente om het onbenoemde pad tussen de Beelaertstraat en de straat Langs de Groene Weg in Obbicht te benoemen tot Dr. Hub Frenkenpad.
Op 25 april 2016 nam het College van Burgemeester&Wethouders dit advies over in een besluit tot officiële benoeming van dit pad (zie foto).
Daarmede wordt Dr. Hub Frenken geëerd voor zijn dienstbaarheid aan de gemeenschap, alsmede voor zijn verdiensten voor de Obbichtse dorpsgemeenschap. Hier zal zijn naam voor altijd in gedachtenis blijven.

Waar ligt het Dr. Hub Frenkenpad precies?

Zoals gezegd vormt het Dr. Hub Frenkenpad een verbindingspad tussen de Beelaertstraat en de straat Langs de Groene Weg (zie foto).

Dit is een luchtfoto van Google Streetview. Het pad ligt in een rustieke  omgeving zonder bebouwing. Het ovale gedeelte omvat een speeltuin.

In werkelijkheid ziet het pad er zo uit. Ook weer volgens Google Streetview, gezien vanuit de zijde van de Beelaertstraat. Op de achtergrond de speeltuin (zie foto).

Wat weten we van Obbicht?

Karakteristiek en geschiedenis van Obbicht in vogelvlucht.

Obbicht: de oudste vermelding van Obbicht dateert van 1366 (Opbyecht). Bicht verwijst waarschijnlijk naar de oorspronkelijke ligging van deze plaats bij een bocht in de Maas (heemkundeverenigingbicht.nl 2014). Ook wordt er melding van gemaakt dat de naam Obbicht is afgeleid van het dialect “Obbeeg” hetgeen in het Nederlands vertaald betekent boven Grevenbicht (genealogielimburgwiki.nl, 2014).
Nadat twee gelijknamige nederzettingen waren ontstaan, aangeduid als Bicht of Biecht, werden de plaatsen van elkaar onderscheiden met de voorvoegsels ‘op’ en ‘Greven’. Opbycht lag vergeleken met Grevenbiecht stroomopwaarts (heemkundeverenigingbicht.nl, 2014).
Obbicht – Papenhoven bleef tot 1982 een zelfstandige gemeente, per januari 1982 vormde Obbicht, samen met omliggende kernen, de nieuwe gemeente Born. Januari 2001 werden Born, Geleen en Sittard gefuseerd tot één gemeente Sittard-Geleen.
Obbicht heeft september 2014 1891 inwoners (935 vrouwen en 956 mannen en 788 huishoudens (gemeente sittard-geleen.nl, oktober 2014).
(Overgenomen van de website Dorpsplatform Obbicht).

Wat hier niet vermeld wordt, is dat Obbicht tweemaal werd getroffen door een ramp. In 1643 werd het dorp weggevaagd door een overstroming van de Maas, waardoor het gehele dorp, alsmede de middeleeuwse kerk werd verwoest. Het dorp verplaatste zich naar het gehucht Overbroek. Hier werd in 1688 een nieuwe kerk gebouwd, waaromheen zich het huidige dorp Obbicht vormde. De kerk zou trouwens bij een tweede ramp in 1825 opnieuw worden verwoest.

Over die tweede ramp schrijft Jean Knoors in 2008 een uitgebreid artikel. In 1825 bestond Obbicht uit een hardstenen kerk en pastorie met daaromheen houten huizen met strooien daken. Langs de beek lag de papiermolen van Frans Ecrevisse, de vader van Pieter Ecrevisse, eveneens met een strooien dak. Op 7 oktober stond een gure harde zuidwestenwind. Deze wind was de oorzaak, dat gloeiende asresten uit een ‘bakkes’ (bakoven in de tuin) werden verspreid, waardoor niet alleen het dak van de papiermolen. maar ook die van de omliggende huizen, vlam vatten. Het vuur verspreidde zich in razendsnel tempo, waardoor ook de pastorie en de kerk werden verwoest. In totaal gingen, naast de kerk en de pastorie, 35 huizen in vlammen op en raakten 43 gezinnen dakloos. Daar de ramp in de middaguren plaatsvond, had iedereen zich in veiligheid kunnen stellen.
De kerk, pastorie en het dorp werden op dezelfde plaats herbouwd. De kerk is inmiddels gedeeltelijk afgebroken, alleen de toren staat nog. De vrijgekomen ruimte is door de Commissie Naamgeving, ook al weer in overleg met het Ecrevissecomité Obbicht, benoemd tot Overbroekplein.

Wat is het Ecrevissecomité Obbicht precies?

Het Ecrevissecomité is genoemd naar de in Obbicht geboren schrijver Pieter Ecrevisse (1804-1879). Hij overleed als erevrederechter in het Oost-Vlaamse Eeklo na een werkzaam leven als advocaat en leraar (te Sittard), vrederechter, provinciaal en lokaal politicus, journalist en schrijver van streek- en historische romans, die voornamelijk in Limburg spelen.

Het Ecrevissecomité van Obbicht, opgericht in 1977, stelt zich als doel het culturele leven en het historisch besef in Obbicht en wijde omgeving te ondersteunen en bevorderen in de geest van zijn naamgever. In de dertig jaar van zijn bestaan verzorgde het comité talrijke boekuitgaven en publicaties. Het nam initiatieven voor de oprichting en instandhouding van monumenten en het bewaren van cultureel erfgoed.

Jaarlijks organiseert het Ecrevissecomité bij de oorlogsmonumenten in Obbicht op 4 mei de herdenking van de slachtoffers van oorlog en geweld. Momenteel is het comité o.a. actief met het verzorgen van de literaire nalatenschap van de Limburgse troubadour Herman Veugelers (1938-2000) door het uitgeven van zijn teksten en een biografie.

Het comité werkt zoveel mogelijk samen met verenigingen binnen de gemeente Sittard-Geleen, die verwante doelen nastreven.
(overgenomen van de website http://www.obbeeg.nl).

Jean Knoors de huidige voorzitter van het Ecrevissecomité Obbicht is tevens lid van de Commissie Naamgeving, zodat het wel eens aannemelijk kan zijn, dat hij de geestelijke vader is van de benoeming van het Dr. Hub Frenkenpad. Saillant detail is, dat Hub Frenken zeer goed bevriend was met de vader van Jean Knoors. Hij kan zich foto’s herinneren, dat Hub met zijn zoon Sjef bij zijn vader op bezoek was.

Het Ecrevissecomité Obbicht heeft de organisatie van de onthulling van het Dr. Hub Frenkenpad op 22 april jl. op zich genomen.

Programma onthulling Dr. Hub Frenkenpad te Obbicht

De kinderen Frenken

Het huwelijk van Hub Frenken en zijn vrouw Betta Pernot werd gezegend met vijf kinderen. Hierna volgt een foto uit 2015 toen de oudste zoon Sjef uit Canada was overgekomen naar  Europa. De foto werd gemaakt in Antwerpen, waar twee zussen Irene en Peggy in de buurt wonen (zie foto).

Van links naar rechts Hubert, Irene, Peggy, Sjef en Marian

Het spreekt vanzelf, dat de kinderen Frenken uitgenodigd waren voor de onthulling van het Dr. Hub Frenkenpad. Het pad genoemd naar hun vader. Zoon Sjef uit Canada kon helaas door familieomstandigheden niet aanwezig zijn, maar had zijn dochter Janine als plaatsvervangster gestuurd.

Op de volgende foto zijn de overige vier kinderen, alsmede de nodige kleinkinderen actief bij de onthulling (zie foto Pierre Swillens).

De onthulling moet nog gebeuren. Op de voorste rij de kinderen Frenken, van links naar rechts Hubert, Marian, Peggy en Irene. Achter Peggy wethouder Pieter Meekels van de gemeente Sittard-Geleen, achter Irene Janine, de dochter van Sjef.

De onthulling van het eerste naambord

Onthulling van het eerste naambord door de familie Frenken en de wethouder Pieter Meekels van de gemeente Sittard-Geleen. De laatste verdwijnt geheel achter het doek (foto Pierre Swillens).

Onthulling van het tweede naambord

Onthulling tweede naambord (zijde Beelaertstraat) door de kleinkinderen Frenken (foto van de website Sittard-Geleen. nieuws.nl).

Onthulling van het derde naambord

Het derde naambord werd onthuld door twee oudgedienden. Links van de paal Obbichtenaar Harrie Op den Kamp, rechts van de paal oud-Obbichtenaar Pierre Swillens (zie foto Margriet Swillens).

Organisatie van de onthulling van het Dr. Hub Frenkenpad

Allereerst dient genoemd te worden de wethouder van de gemeente Sittard-Geleen, drs. Pieter Meekels, die als vertegenwoordiger van die gemeente de onthulling zou verrichten (zie foto Pierre Swillens).

Hij zal wat de organisatie betreft alle krediet willen geven aan Jean Knoors, voorzitter van het Ecrevissecomité Obbicht (zie foto Pierre Swillens), alsmede aan de overige leden van dat comité, die de organisatie in goede banen hebben geleid. Alle voorbereidingen voor de onthulling waren getroffen en de ontvangst en nazit van de familie Frenken en genodigden waren keurig verzorgd.

Videopresentatie van Sjef Frenken

Sjef Frenken, de oudste zoon van Hub Frenken, woont al jaren in Canada. Zoals gezegd was hij door familieomstandigheden niet in de gelegenheid om de onthulling bij te wonen. Hij had wel zijn dochter Janine afgevaardigd. Bovendien had hij een videopresentatie, verlucht met foto’s en fragmenten van een interview met Hub Frenken, voorbereid. Om technische redenen lukte het niet om deze presentatie te projecteren. Omdat Sjef zoveel informatie verstrekte, en wel in uitstekend Obbichts dialect, probeer ik alsnog via een link de belangstellende lezer hiervan kennis te laten nemen. Sjefs presentatie is gelardeerd met fragmenten van een interview met Hub Frenken, alles in uitstekend Obbichts dialect.  We kunnen dus spreken van een historisch en authentiek document.
De link naar de videopresentatie wordt weergegeven aan het einde van de Epiloog.

Epiloog

Met de onthulling van het Dr. Hub Frenkenpad wordt een groot Obbichtenaar geëerd. Een man, die over de gehele wereld heeft gezworven, maar zijn Obbichtse roots nooit ontkende. Luister naar zijn stem in de videopresentatie, waar hij in perfect Obbichts dialect praat.

Een man met vele verdiensten voor Obbicht en ik hoop, dat de gemeente Sittard-Geleen het Dr. Hub Frenkenpad als een gemeentelijk belang zal erkennen. Het oorspronkelijke looppad heeft een nieuwe functie, een herdenkingsplaats ter nagedachtenis van Hub Frenken. Het pad als een middelpunt van een parkachtige aanleg zou in het belang zijn van de dorpsgemeenschap. Een ontmoetingsplaats voor jong en oud. De toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en gebruikers van een scootmobiel zou moeten worden onderzocht.

Allen, die hebben bijgedragen aan het tot stand komen van het Dr. Hub Frenkenpad verdienen hiervoor dank.

Hier is de link: http://cwc.canwebcast.net/frenken

Maastricht, 26 april 2017

Pierre Swillens

Naschrift:

Degene, die naast de videopresentatie van Sjef meer over Hub Frenken wil weten, verwijs ik naar de website http://www.jhfrenken.nl

 

Advertenties

Sculptors from Zimbabwe (part 1)

5 Mei

My first experience with the study of the Zimbabwean stone sculpture during the period 1950 – 1980

Beeldentuin Maastricht – Heerdeberg

In the neighbourhood of Maastricht in the Netherlands, the city where I live, there is  a sculpture garden, called Beeldentuin Maastricht – Heerdeberg. The owner of this sculpture garden is Mrs. José de Goede, a former auctioneer and assessor of art and antiques. She has a long time experience in exhibiting and selling Zimbabwean stones in galleries. Almost every year she travels to Zimbabwe in order to buy sculptures directly from the sculptors. She knows the sculptor and their families very well and she invites them, like the (late) Bernard Matemera and Edward Chiwawa, to give workshops in her sculpture garden.

The sculpture garden is in the vicinity of a marl quarry. The quarry forms the outline. The sculptures are partly arranged on banks near the border of the quarry and partly in a natural garden (Fig. 1a + 1b).

m_IMG_8244-irf-cs2

Fig. 1a Group of sculptures near the border of the quarry

m_IMG_8260-cs2

Fig. 1b Group of sculptures in a natural garden

 José de Goede is very committed with the sculptors in Zimbabwe. She founded the Bernard Matemera Foundation. With help of this foundation she is building schools for children in Zimbabwe and supports the families of sculptors, who run out of income by occasion.
As I mentioned before, she invites well-known sculptors from Zimbabwe in her sculpture garden to give workshops. Last year she welcomed Edward Chiwawa with his son McCloud and another junior sculptor to teach in her sculpture garden.

Book ‘Sculptors from Zimbabwe’ by the late Ben Joosten

This book is published in 2001 by Galerie de Strang, Dodewaard, the Netherlands, and holds a lexicon of all the sculptors of the first generation.

The lexicon is divided into five sections, with sculptors from the:

– Cyrene Mission, headed by Canon Edward Paterson;
– Serima Mission, headed by Father John Groeber;
– Workshop School in Harare, headed by Frank McEwen;
– Nyanga Group, headed by Joram Mariga;
– Tengenenge Sculptor Community, headed by Tom Blomefield.

 Ben Joosten was a very conscientious man, he got his information on the stands. As far as he managed to research, he mentioned from each sculptor his bibliography , his exhibitions and the collections, as well as where his of her sculptures are saved. So  if you have to look up some information about a sculptor from the first generation , you will find this in the book. Will someone ever write such a book about sculptors of the second generation?

Mrs. José de Goede donated me, as Ambassador of the Beeldentuin Maastricht-Heerdeberg the book of Ben Joosten and from that moment on I started my study of the development of the Zimbabwean stone sculpture in the period 1950 – 1980.
Studying the book of Ben Joosten I questioned myself: “Are there any sculptures of sculptors from the first generation in the Beeeldentuin Maastricht-Heerdebeerg?”

Bernard Matemera

m_Unnamed image (48)

 First of all a sculpture from the late Bernard Matemera. Mrs. José de Goede told me, that Bernard Matemera sculpted twice in her backyard in the Netherlands before his death in 2002. I could not believe that the famous Bernard Matemera, one of the best real Shona sculptors, would sculpt in a backyard in Holland. Mrs. José de Goede assured me that Bernard Matemera was a gentle man, who always kept his word.

Unfortunately he died at a young age (56 years). He was such a remarkable man, that  I will spent more honour to him at a later moment in my stories.
The sculpture from Bernard Matemera in the sculpture garden Beeldentuin Maastricht-Heerdeberg is a self-portrait and for a long time it has been the property of Mrs. José de Goede (Fig. 2)

Fig. 2 Self-portrait, sculpted by Bernard Matemera

If you look at the sculptures from the sculptors of the first generation, then you will see that most of them had a gimmick or a trademark. So didUnnamed image (62) Bernard Matemera. When he sculpted a person, he always sculpted three fingers on each hand and three toes on each foot. That story is not unlikely. I found on the internet that slightly north of Zimbabwe there is an isolated tribe, called the Doma People. Most of them have only two toes, the outer toes. The toes are developed in a V-shape and people called them ostrich-feet. The two toes are caused by a genetic defect.
Bernard Matemera must have been aware  of that and sculpted all his human figures with three fingers and three toes. That is his trademark (Fig. 3).

Fig.3 Family, sculpted by Bernard Matemera (1987)

Fanizani Akuda

Another sculptor from the first generation I  found in the sculpture garden Beeldentuin Maastricht-Heerdeberg was Fanizani Akuda. When Mrs. José de Goede went to Zimbabwe she met Fanizani Akuda and his wife (Fig. 4).

m_Unnamed image (49)Fig. 4 Mrs. José de Goede (right) meets Fanizani Akuda and his wife

Fanizani Akuda always kept his best stones for her, when she met him for buying stones. Unfortunately Fanizani Akuda died on February 5, in 2011.
Fanizane Akuda was born in 1932 in Zambia. In 1946 he went to Zimbabwe for a job. In 1967 he arrived in the Tengenenge Sculptor Community and asked Tom Blomefield for a job. Tom Blomefield gave him the job of digging stones for the sculptors. Some day he asked Fanizani Akuda to try sculpting, but the latter refused because he was afraid that by sculpting small stone splinters would get in his eyes.
After a short time Fanizani Akuda changed his mind and when Tom Blomefield repeated  his offer, he accepted the tools for sculpting. In a short ime he became a successful sculptor (Joosten, 2001:153).

Fanizani Akuda also had a trademark. He had a lot of humour and when he sculpted a person he always sculpted closed eyes. He wanted to illustrate prevention that the person might get  stone splinters in his eyes (fig. 5).

m_IMG_8271-cs2
Fig. 5 Small stones , sculpted by Fanizani Akuda and exhibited in the sculpture garden Beeldentuin Maastricht-Heerdeberg

When Fanizani Akuda grew older he sculpted only small sculptures,  like Whistlers. The mouths of this whistlers were made with a bit and he sculpted blown cheeks (see Fig. 5). I wrote that he had a lot of humour. I read a story he told someone. When you strike with your finger over the mouth of the whistler, then you hear a sound. I tried this with the small whistler in Fig. 5 , but I did not hear a sound. Perhaps I did not strike in the right way.

Edward Chiwawa

Another sculptor from whom you will find sculptures in the sculpture garden Beeldentuin Maastricht – Heerdeberg is Edward Chiwawa. He was  born in Guruve (Zimbabwe) in 1935 and he belongs to the Shona people. He started sculpting in Guruve. He brought his sculptures to  a stand in the Tengenenge Sculptor Community. There was also his four years older nephew Henry Munyaradzi sculpting.  In 1979 the situation in Guruve was dangerous due to the War of Liberation. Edward Chiwawa moved with his family to Harare. He now lives  in Chitungwiza (Joosten, 2001: 175).

I had the opportunity to meet Edward Chiwawa in the sculpture  garden Beeldentuin Maastricht – Heerdeberg, where he sculpted and gave  workshops with his son McCloud (Fig. 6).

m_IMG_8408-cs2

Fig. 6  Edward Chiwawa daily sculpting in the sculpture garden Beeldentuin Maastricht – Heerdeberg

Mrs. José de Goede told me, that every morning at 9.00 am she heard Edward Chiwawa being busy with sculpting and he did not end until 8.00 pm.

Edward Chiwawa had also a trademark. He mostly sculpted  Moon heads, with  the same face. When he made a frame around the sculpture he called it a Sun head, always the same faces. He  also made a complete  ball with that face, and he called it Moon ball.

I bought two small sculptures made by Edward Chiwawa and he was so nice to add his signature under a stone . He was also willing to pose for a photo with me and my wife (Fig. 7)

m_IMG_8412-cs2

Fig. 7 Edward Chiwawa posing with me and my wife.

When I asked Edward Chiwawa  the titles of the stones we just had bought, I thought  he said Moonjets. When I told this to Mrs. José de Goede, she said “Edward doesn’t speak English very well, he means Moon heads”.

Below illustrations of the Sun- and Moon heads from Edward Chiwawa (Fig. 8a + 8b)

Unnamed image (75)

Fig. 8a Edward Chiwawa showing a Moon head

Unnamed image (71)

Fig. 8b Rising Sun Head, sculpted by Edward Chiwawa

Epilogue

So I will end my first impression of the start of my study of the Zimbabwean Stone Sculpture in the period 1950 – 1980. My paperwork will not be scientific, because I am not a scientist. But it will be an expression of my true believe in the development of African Art, especially stone sculpting, in a short period in Zimbabwe.

I will try to find out the  circumstances when this development took place and who were the participants taking  part in this. At the end I hope to get an answer about the question: “Was the Shona stone sculpting in Zimbabwe authentic and what was their value for the Art World”.

As I am prejudiced in favor of a positive answer on this question I will sometimes be  contrary to the common opinions of the scientists about this matter. I hope they do not mind it.

As Ambassador of the sculpture gallery Beeldentuin Maastricht – Heerdenerg I shall not hesitate to stipulate their role in the  development of the Zimbabwean stone sculpture.

Maastricht, February 16, 2015

Pierre Swillens

REFERENCE
Joosten, Ben
2001 Sculptors from Zimbabwe, the first generation, Galerie de Strang,

Sculptors from Zimbabwe (deel 4)

24 Aug

the first generation

een gevoelig verlies

Inleiding

Op 5 februari 2011 plaatste José de Goede op haar weblog een bericht met als kop: ‘Onze lieve kunstenaar Fanizani Akuda is vanmorgen overleden’. Daarbij plaatste ze onderstaande foto. José heeft kennelijk vaak contact gehad met Fanizani Akuda. Met een respect dat wederzijds gold, want Fanizani Akuda bewaarde mooie beelden voor haar, als ze weer eens inkopen deed in Zimbabwe.

De mens Fanizani Akuda intrigeerde mij en het leek mij een uitstekend idee om met hem de serie ‘Sculptors from Zimbabwe’ af te sluiten. Temeer omdat Fanizani Akuda een van de representanten van ‘the first generation’ van de beeldhouwers in steen van Zimbabwe was.

Foto A
José bezoekt de familie Akuda in Zimbabwe.

akuda-3
Necrologie van Fanizani Akuda

akuda-1

 

Traditioneel gebruik ik als voornaamste bron: Sculptors from Zimbabwe, geschreven door Ben Joosten. Hier en daar aangevuld met wetenswaardigheden, die ik op internet tegenkwam.

Fanizani Akuda werd in 1932 geboren in Zambia. Hij behoorde tot de Chewa stam. In 1949 ging hij voor werk naar Guruve in Zimbabwe. Hij nam alle werk aan, dat zich voordeed,  en was achtereenvolgens katoenplukker, korvenvlechter en baksteenvormer.

In 1967 kwam hij terecht bij Tom Blomefield, die net met zijn Tengenenge Sculpture Community was begonnen. Fanizani Akuda moest er voor zorgen, dat de kunstenaars over stenen konden beschikken om deze te bewerken. De stenen waren in een nabije mijn voldoende voorhanden.
Tom Blomefield vroeg hem om ook te gaan beeldhouwen, maar daar trok Fanizani Akuda niet aan, want hij was bang, dat hij bij het kappen steensplinters in zijn ogen kon krijgen.

Kennelijk heeft hij zich later bedacht, want toen een van de kunstenaars uit de Community vertrok, vroeg Fanizani Akuda aan Tom Blomefield of hij de vrijgevallen plaats mocht innemen. Tom Blomefield had hier al rekening mee gehouden, want het gereedschap, dat de kunstenaar had achtergelaten, werd aan Fanizani Akuda overhandigd.

akuda-4Fanizani Akuda bleek inderdaad over talenten voor het beeldhouwen in steen te beschikken en ontwikkelde zich al snel tot een succesvol kunstenaar. Tot 1979 bleef hij in Tengenenge. Toen werd de situatie ter plaatse gevaarlijk door de uitgebroken bevrijdingsoorlog. Tengenenge werd zelfs gesloten.

Met Tom Blomefield en een aantal kunstenaars vertrok hij naar Harare. Na het einde van de bevrijdingsoorlog (1980) hervatte Tom Blomefield in Tengenenge de Sculpture Community. Hij vroeg Fanizani Akuda om naar Tengenenge terug te keren, maar deze weigerde. Zijn kinderen gingen in Harare naar school en hij was bezig om er een nieuwe vrienden- en relaties-kring op te bouwen.
Fanizani Akuda kon van het beeldhouwen leven. Hij ging in Chitungwiza wonen (tevens de woonplaats van Edward Chiwawa). Hij woonde royaal, maar verlangde wel eens eens naar Tengenenge, omdat hij daar meer ruimte had voor zijn beelden en onbewerkte stenen, terwijl de stenen daar rijkelijk voorhanden waren.

Fanizani Akuda was een echte familieman. Hij had met zijn vrouw Erina zeven kinderen. Hij stond erop, dat deze kinderen een goede schoolopleiding kregen. Hijzelf had er altijd spijt van gehad, dat hij maar een beperkte schoolopleiding had genoten.

Op 5 februari 2011 kwam een einde aan zijn werkzaam leven.

Foto B
Fanizani Akuda met zijn vrouw Erina en het beeld ‘Whistler’

akuda-2

Beelden van Fanizani Akuda

happy_family

 

Fanizani Akuda’s stijl onderscheidde zich doordat hij zijn beelden volledig afwerkte, nergens was de steen nog ruw of ongepolijst. Vaak zag je dat hij twee hoofden naast of boven elkaar beitelde. Daarin zag je de vorm van de steen, die hij bewerkt had.

Zoals gezegd, was Fanizani Akuda een familieman. Het beeld op foto A en op de foto, waarop hij met hetzelfde beeld staat, was volgens hem een zelfportret van hemzelf en van zijn vrouw. Hij noemde het beeld ‘Always Together’

Het beeld hierboven noemde hij ‘Happy Family’ en dit had zeer zeker met zijn familie te maken.

Wanneer hij gezichten in zijn beelden maakte, dan hadden deze ronde ogen met in het midden een smalle streep. De ogen waren volgens hem gesloten, omdat de beelden bang waren, dat er bij het kappen steensplinters in hun ogen kwamen. Kennelijk baseerde hij zich hierbij op zijn eigen ervaring.

In het begin hadden zijn beelden met gezichten nog een smalle mond, maar later vormde hij de mond via een boorgat. Hij noemde die beelden ‘Whistler’ of  ‘Whistling Head’.

Op foto B zie je een beeld ‘Whistler’, dat hem kennelijk dierbaar was, want hij hield het in zijn eigen collectie.

whistling_man

 

 

Naarmate hij ouder werd, namen zijn krachten af en maakte hij geen grote beelden meer. Hij beperkte zich voornamelijk tot ‘Whistlers’. Het woord ‘flierefluiter’ zal hij wel niet gekend hebben, maar die intentie voor zijn beelden had hij wel.  Hij was niet van humor gespeend en verwachtte, dat als je met je duim over het boorgat streek er een geluid uit kwam. Zo had ieder beeld zijn eigen geluid.
Het verhaal over het strijken met de duim over het boorgat vond ik op de website http://www.friendsforeverzimbabwe.com. Fanizani Akuda behoorde tot de Friends Forever, dus het waarheidsgehalte kan groot zijn. Om de gegevens van Fanizani Akuda te vinden, klik op de genoemde website op de button ‘Artists’ en zoek naar de naam Fanizani Akuda. Dat zal niet zo moeilijk zijn, want die staat als eerste.

Aan het beeld hierboven zie je, hoe de vorm van de onbewerkte steen er oorspronkelijk heeft uitgezien.

Epiloog

m_IMG_8373-cs2Ook nu nog is er een ‘Whistler’ van Fanizani Akuda in de beeldentuin Maastricht-Heerdeberg te bewonderen. Ik wil dan ook eindigen met een foto van dit beeld. De fluiter heeft bolle wangen van het fluiten.

Zodra ik er weer kom, dan zal ik zeker over het boorgat strijken om te horen wat voor geluid dit beeld maakt.

 

 

Jammer dat Fanizani Akuda er geen beelden meer aan kan toevoegen.

Bekijk ook onderstaande fotogalerij.

Pierre Swillens

 

Fotogalerij

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 1)

8 Mrt

Korps Mariniers

Qua patet orbis ‘Zo wijd de wereld strekt’

Korps Mariniers
soerabaja-6

Het Korps Mariniers is een onderdeel van de Koninklijke Marine. Het korps heeft een oude traditie. Het werd in 1665 opgericht door Michiel de Ruyter en Johan de Witt. De manschappen van het korps dienden op schepen en kwamen in actie, wanneer ergens vanaf het schip een actie op het vasteland moest plaatsvinden.
Vanzelfsprekend heeft het korps heden ten dage een andere functie. Het Korps Mariniers is omgebouwd tot een eenheid, die snel kan worden ingezet voor vredestichtende en humanitaire acties over de hele wereld. Verder wordt het korps ingezet bij de verdediging van de NAVO-landen en voor Nederland voor bescherming van het Caraïbisch gebied.

In december 1946 werd ik als dienstplichtige opgeroepen bij het Korps Mariniers (hier aangeduid als zeemilicien).

Opleiding bij  het Korps Mariniers

soerabaja-7

Marinekazerne  Kattenburg, Amsterdam

De opkomst was in de Marinekazerne Kattenburg te Amsterdam. Hier bleven we maar drie weken voor het in ontvangstnemen van kleding.  De eigenlijke opleiding zou plaatsvinden op de vliegbasis Volkel in Noord-Brabant. Dit was een voormalig Duitse vliegveld, dat op 15 augustus 1944 door de Royal Air Force (RAF) zwaar was gebombardeerd. Bomkraters waren daar nog de getuigenis van. Toen de geallieerden in september 1944 de operatie Market Garden uitvoerden, werd het vliegveld opnieuw gebombardeerd. Hierna verlieten de Duitsers het vliegveld, na alles met de grond gelijk te hebben gemaakt.

Na de bevrijding van het gebied werd het vliegveld weer in gebruik genomen, nu door de RAF. Uiteindelijk werd in september 1945 het vliegveld oor de Engelsen overgedragen aan het Nederlands Militair Gezag. Deze stelde in november 1946 het vliegveld ter beschikking van de Koninklijke Marine  als tweede opleidingskamp van het Korps Mariniers.

Nissenhutten en strenge winter

Op het vliegveld hadden de Engelsen 120 nissenhutten achtergelaten. Eigenlijk waren dit noodonderkomens, bestaande uit een fundering, een houten vloer en een halfrond golfplaten dak. Twee ramen en een deur in de gemetselde voorkant, en twee ramen in de gemetselde achterkant. In elke hut konden ongeveer 20 manschappen worden ondergebracht.
Wij kwamen daar in december 1946, midden in een strenge winter, aan. Het ijs zat aan de binnenzijde van de golfplaten. In het midden van de nis stond een kachel en die werd door ons gloeiend heet gestookt. Per kruiwagen moesten we de steenkolen vanaf een centrale opslag aanvoeren. De centrale opslag raakte al snel op en wij hoopten, dat wanneer er geen kolen meer waren wij naar huis mochten. Er verdwenen dan ook heel was kruiwagens steenkool in de ruimte onder de verhoogde vloer. Of het ons uiteindelijk gelukt is om vrij te krijgen, weet ik niet. Wel weet ik, dat er nauwelijks buitenactiviteiten waren door de strenge kou.

Maleise les

Wel weet ik dat we Maleise les kregen door een alleraardigst oudere Indiëganger. Hij bracht ons de allereerste Maleise woordjes en zinnen bij, die we straks nodig zouden hebben. Erg serieus namen we hem niet. Toen hij vroeg waarover hij het met ons in het Maleis moest hebben, toen riepen we allemaal gelijktijdig ‘steenkool’. Hierover was hij snel uitgepraat.

Openbaar vervoer

Het opleidingskamp was per openbaar vervoer moeilijk te bereiken. Ik weet dat we in Uden moesten overstappen om een stoptrein te nemen, die bij het plaatsje Zeeland, dichtbij het opleidingskamp stopte. Aangezien dat treintje maar sporadisch liep, werd Uden elke zondagavond overspoeld door honderden mariniers, die vertier zochten en de laatste trein namen. Ik moet zeggen, dat de plaatselijke schoonheden zich hierbij niet onbetuigd lieten.

Opleiding van vier maanden

Het was de bedoeling, dat wij een opleiding van vier maanden zouden volgen, waarna we uitgezonden zouden worden naar Nederlands Indië. Daar zouden we de oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade aflossen.
Voor mij werd die inzet uitgesteld. Ik werd aangezocht om een korte opleiding tot ‘hulpkader’ te volgen, die bij de opleiding van de volgende lichting (1947) ingeschakeld zou worden.  Met die lichting vertrok ik vervolgens in september 1947 naar Nederlands  Indië.

Mariniersbrigade

De oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade werden op Oost-Java ingezet om de orde en het gezag te herstellen. Na het vertrek van de Japanners was in I\Nederlands Indië een beweging op gang gekomen, die streefde naar onafhankelijkheid. De Engelsen, die het gezag overnamen van de Japanners, kregen daar al mee te maken. Tijdens gevechten met vrijheidsstrijders en burgers verloren zij in Soerabaja 500 manschappen.
De Nederlandse regering wilde echter haar gezag in Nederlands Indië herstellen en ging het gevecht aan met de vrijheidsstrijders, zo ook op Oost-Java. Dat dit niet zonder gevaar was, blijkt uit het feit, dat van onze klas (20 personen) er twee het leven lieten. Ik heb ergens een foto, waarop naast mij nog vier andere lachende mariniers staan, waaronder deze twee. Een ervan had bij het begin van onze opleiding zo’n goede test afgelegd, dat hij een opleiding tot officier mocht volgen. Hij vertrok eerst in 1949 naar Nederlands Indië en toen ik alweer terug was in Nederland sneuvelde hij alsnog. Hij was met een patrouille van elf man in een hinderlaag gelokt, waarbij er zes sneuvelden en vijf gevangen werden genomen. Uitzending naar Nederlands Indië was dus niet zonder gevaar.
De vrijheidsstrijders zouden het land overigens Republik Indonesia noemen, terwijl ‘merdeka’ vrijheid of onafhankelijkheid betekende. Je kwam die opschriften hier en daar nog wel tegen.

ms Sloterdijk

soerabaja-4

ms Sloterdijk

Wij vertrokken in september 1947 vanuit de haven in Rotterdam.  De boot, ms Sloterdijk, was een omgebouwd vrachtschip, dat in de laatste wereldoorlog ook al als troepentransportschip dienst had gedaan. Om zoveel mogelijk manschappen weg te stoppen, sliep je vierhoog boven elkaar. De bovenste moest dus een eind klimmen.
Toen we voorbij Hoek van Holland in open zee kwamen, werd ik zeeziek en dat ben ik gedurende de gehele reis van 30 dagen gebleven. Met een voortdurend gevoel van overgeven, was dat geen pretje. Je werd verzocht om niet aan de windzijde over de railing over te geven, want door de wind kwam het braaksel een eindje verder weer terug.  Geen pretje voor diegenen, die daar aan de railing stonden. Maar al doende leerde men. Er waren er, die zo ziek aren, dat ze de kooi niet uitkwamen of voor pampus op het dek lagen.

Het ergste was als de wind zo stond, dat het schip steeds slagzij maakte.  Als je dan op de wc zat, dan hing je beurtelings erboven of er een eind vandaan. Het was dan zaak om op het juiste moment te mikken. Gelukkig waren er in het open hok aan beide zijden flinke handvatten, zodat je er in ieder geval terugkwam.
De slagzij was ook merkbaar bij het eten. In de eetzaal stonden lange tafels, afgewerkt met een opstaand randje. Het eten werd opgeschept op een tablet. Als je het tablet op tafel zette en wilde gaan zitten, dan moest je bij slagzij oppassen, dat het tablet niet tien meter verder van de tafel schoof. Veel maakte het niet uit, want je had toch geen trek.
Het douchen was ook een crime, want bij gebrek aan zoet water, werd er gedoucht met zout water. Daarvan was er genoeg voorhanden. Moeten jullie eens dertig dagen proberen. Er werd niet veel gedoucht.

30 Dagen op zee

Van de reis herinner ik mij uiteraard het passeren van de rots van Gibraltar, de stad Algiers bij nacht, en de doorsteek van het Suezkanaal. Daar lagen we een tijdje stil. Toen kwamen er jongens rond de boot zwemmen. Vanaf de boot werden er geldstukken in het water gegooid, die door de kereltjes werden opgedoken, voordat ze in het diepe verdwenen. De geldstukken werden vervolgens in de mond gestopt, waarna ze verder gingen.

Na het Suezkanaal was er dagenlang niet veel te zien. Alleen bij het passeren van de evenaar werd er een Neptunus feest georganiseerd.  De traditie wil, dat Neptunus de opvarenden, die voor het eerst de evenaar passeren, doopt.

Sabang

Uiteindelijk meerde de ms Sloterdijk aan in de haven  van het eiland Sabang. Hier mochten we voor het eerst aan de wal en maakten we kennis met de Indische archipel, hun bevolking, het klimaat en de flora en fauna. Vooral de overdaad aan vruchten, zoals bananen, ananassen en kokosnoten viel op. Ook leerden we nieuwe vruchten zoals mango’s en papaja’s. Een marinier bleek allergisch te zijn voor de melk van de kokosnoot en lag ’s avonds met een gezwollen gezicht in zijn kooi.

Soerabaja

Na een paar dagen varen bereikten wij uiteindelijk ons einddoel, de haven van Soerabaja. Aan de ellende van 30 dagen zeeziek op een omgebouwde vrachtboot, kwam een einde.

Pierre  Swillens

Everard t’ Serclaes

31 Mei

Grote Markt, Brussel

de Sterre (l’Etoile)

serclaes

Huis ‘de Sterre’ (l”Etoile)

Wie ooit Brussel met een bezoek heeft vereerd, heeft minstens de Grote Markt bezocht met al z’n mooie gebouwen. Als je pal voor het Stadhuis staat, heb je links van het Stadhuis de Karel Bulsstraat. Aan de ingang van deze straat bevindt zich het huis ‘de Sterre’ (l’Etoile), het kleinste maar ook een van de oudste gebouwen op de Grote Markt (op de foto geheel rechts).
‘De Sterre’ wordt ook wel aangeduid als het ‘Huis van de Amman’, ten teken dat hier vroeger de Amman resideerde. De Amman was een opperrechter, die de Hertog van Brabant verving bij de uitvoering van de hoogste jurisdictie (waarnemen van de hertogelijke bevoegdheden). Hij werd dan ook benoemd door de Hertog van Brabant.

Karel Bulsstraat

‘De Sterre’ heeft een bewogen geschiedenis. Rond 1852 besloot het stadsbestuur van Brussel om de straat, die nu Karel Bulsstraat heet, te verbreden om ze o.a. toegankelijk te maken voor omnibussen op rails. Het huis ‘de Sterre’ moest daarvoor worden opgeofferd en werd dan ook afgebroken. Velen verzetten zich daartegen, ook al vanwege de historische betekenis van het gebouw. In 1897 werd het dan ook weer in de oorspronkelijke staat opgebouwd, zij het dat men als compromis de onderste verdieping als een onderdoorgang op pilaren optrok (zie bovenstaande foto).

Wie was Karel Buls?

serclaes

Gedenkplaat ter ere van Karel Buls

Karel Buls (1837-1914) was een politicus, die het meest bekend werd als burgemeester van de stad Brussel. Zijn vader was goudsmid in de regio Mechelen. Karel volgde opleidingen in Parijs en Italië. Hij werd eveneens goudsmid en bleef in de zaak van zijn vader werken tot 1878.
in 1862 trad hij toe tot de Franstalige Vrijmetselarij. Vreemd genoeg was hij ook als ‘flamingant’ lid van twee Vlaamse organisaties.
Hij werd gemeenteraadslid (1877-1899), schepen (1879-1881) en burgemeester van Brussel (1881-1899). Als schepen was hij verantwoordelijk voor onderwijszaken. Tevens was hij volksvertegenwoordiger (1882-1896) voor de Liberale Partij.

serclaes

Het Broodhuis,Grote Markt, Brussel

Karel Buls was de drijfveer achter het herstel van historische gebouwen. Hij zorgde voor de afbouw van de restauratie van het Broodhuis op de Grote Markt. Samen met de stadsarchivaris Alphons Wauters legde hij de basis voor de inrichting van een gemeentemuseum in het Broodhuis. In 1887 werd dit museum officieel ingehuldigd.
Hij was ook de initiator tot herbouw van het huis ‘de Sterre’ in 1897, zij het met de onderdoorgang als compromis. De straat werd naar hem vernoemd en in de onderdoorgang kwam een gedenkplaat ter zijner herinnering.

Op zijn advies moesten de politieagenten in Brussel, zowel Frans als Nederlands spreken en voerde hij de tweetalige bewegwijzering in.
Hij verzette zich tegen de grootse plannen van Koning Leopold II, die architectonische vernieuwingen in Brussel wilde aanbrengen, ten koste van oude delen van de stad.
Ostentatief nam Karel Buls in 1899 afscheid als burgemeester. Hij stierf op 13 juli 1914.

Everard t’ Serclaes

serclaes

Monument van Everard t’Serclaes in de Karel Bulsstraat

In 1898 had Karel Buls aan de gemeenteraad van Brussel voorgesteld om een monument op te richten voor Everard t’ Serclaes.
Everard t’ Serclaes werd bekend toen hij op 24 oktober 1356 Brussel bevrijdde van de Vlaamse bezetting onder Lodewijk de Male. Hertog Jan III van Brabant was op 3 december 1355 overleden en opgevolgd door zijn dochter Johanna, Hertogin van Brabant. Dit was niet naar de zin van de Graaf van Vlaanderen, Lodewijk de Male. Deze bezette Brabant en Brussel, maar werd door Everard t’ Serclaes en zijn volgelingen met behulp van ambachtslieden uit Brussel verdreven.
T’Serclaes werd meerdere malen aangesteld als schepen (alderman) van Brussel. Hij kwam in conflict met Johanna van Brabant, toen deze in 1388 een aantal dorpen, die onder toezicht stonden van de Brusselse Amman, in pand wilde geven aan Sweder van Abcoude, heer van Gaasbeek. Everard t’ Serclaes werd op 28 maart 1388 overvallen door Willem van Kleef, bastaardzoon van Sweder en de baljuw van Gaasbeek. Hij werd zwaar verminkt en overgebracht naar het huis ‘de Sterre’, de ambtswoning van de Amman van Brussel. Daar stierf hij op 31 maart 1388.
De Brusselaren namen wraak en belegerden het kasteel van Gaasbeek, staken het in brand en plunderden de kippenstallen. Het verhaal gaat dat de Brusselaren hun bijnaam ‘kiekenfretters’ hieraan te danken hebben.

Monument Everard t’ Serclaes 

serclaes

Monument van Everard t’ Serclaes, Karel Bulsstraat, Brussel

Dankzij Karel Buls kwam dit monument ter ere van Everard t’ Serclaes in de onderdoorgang van huis ‘de Sterre’. Het  monument werd ontworpen aan het einde van de negentiende eeuw door de kunstenaar Julien Dillens (1849-1904). Het representeert een liggende en stervende Everard t’ Serclaes, alsmede een aantal taferelen uit het leven van hem..

Strelende handen nopen tot renovatie

serclaes

, Replica van het beeld van Everard t’ Serclaes

Toen wij er waren in maart 2011 lag T’Serclaes er nog in volle glorie bij. Als bijzonderheid geldt dat de inwoners van Brussel en later de toeristen meenden, dat aanraking van het beeld door het strijken over de arm geluk zou brengen en wensen in vervulling zou doen gaan.
Wij merkten op dat inwoners volgens een ritueel over de arm van het beeld streken, de neus aanraakten, alsmede een hond, een schild en een kinderkopje van de taferelen. De toeristen streken overal.  Door corrosie zijn beeld en taferelen zwart. Alleen de aangeraakte delen laten het oorspronkelijk brons zien, hetgeen een mooi effect aan het beeld geeft.

De aanraking heeft echter als bijkomstigheid dat schade aan het beeld ontstaat. De arm werd reeds een tiental jaren geleden gerestaureerd. De toestand van het beeld is toch zorgwekkend en het stadsbestuur heeft besloten om het beeld te restaureren. In oktober 2011 werd het beeld weggehaald door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium voor een grondig onderzoek en een analyse van de beschadigingen. Alleen het onderzoek zal al € 46.300 kosten. Men verwacht dat de restauratie 2 à 3 jaar zal duren.
Intussen heeft het stadsbestuur om de toeristen te behagen een replica in kunsthars geplaatst. Of men de replica gaat strelen is niet bekend. Wel wil men zich erover bezinnen, hoe het beeld kan worden teruggeplaatst.