Archief | januari, 2016

Limburgse dialecten (deel 3)

9 Jan

Spelling 2003

Dialect van Boorse (Boorsem)

Spelling 2003

In 1997 werd het Limburgs door de Nederlandse regering officieel erkend als streektaal. Zij deed dit op grond van het ‘Europees Handvest voor streektalen en talen van minderheden’ van de Raad van Europa (Straatsburg, 1992). Het Limburgs kent echter geen uniforme vorm en in dat kader zijn de ‘dialecten’ plaatselijke varianten van de streektaal Limburg (zie ‘ Wat is Limburgs’, http://www.willydolsstichting.nl).

Om de variantie in dialectvormen te reguleren door het schrijven in een uniforme spelling is de Vereniging Veldeke al vanaf 1952 bezig met een uniforme spelling voor de Limburgse dialecten. De officiële erkenning als streektaal in 1997 zal de behoefte aan een uniforme spelling nog groter hebben gemaakt.

In 2003 werd de ‘Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten’ gerealiseerd door de Radboud Universiteit Nijmegen.
Deze spelling werd geschreven door:
dr. Pierre Bakkes, streekfunctionaris van de Raod veur ’t Limburgs;
dr. Herman Crompvoets;
Jan Notten;
Frank Walraven.
De drie laatsten hadden zich ook al beziggehouden met de Veldeke-spelling.
De spellinggids ‘Spelling 2003′ werd aangenomen door de Raod veur ’t Limburgs en bevestigd door het Hoofdbestuur van Veldeke Limburg (zie
http://www.limburgsespelling.nl).

Overzicht tekens

Op de website van LimburgseSpelling (zie hiervoor) is een overzicht te vinden van de tekens, die zij gebruiken bij de spelling van Limburgse dialecten. Deze tekens zijn gebaseerd op de Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten.
De tekens worden gebruikt om de variaties in de uitspraak van de Limburgse dialecten op een uniforme wijze weer te geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van enkelvoudige klinkers, samengestelde klinker en samengestelde medeklinkers, zoals gk en sj/zj. Door gebruikmaking van diakritische tekens wordt hier uitbreiding aan gegeven, zoals de ö in ‘pötje’ (potje) en in ‘höbbe’ (hebben).

Een voorbeeld van samengestelde klinkers is de combinatie ao in ‘paol’ (paal) en ‘taofel’ (tafel). Voor de uitspraak van het verkleinwoord van ‘paol’ , nl. ‘päölke’ (paaltje) wordt het tremateken gebruikt. Dit tremateken wordt ook gebruikt om het meervoud van ‘paol’, nl. ‘päöl (palen) aan te geven. Wij hebben dus ‘paol’, ‘päöl’, en ‘päölke’. Bij het meervoud van ‘päölke’ wordt er gewoon een s achter gezet, dus ‘päölkes’.

Eenvoudig is de spelling van Limburgse dialecten niet. En dan beperk ik mij nog alleen tot het Nederlands Limburgs. Bij het Belgisch Limburgs kennen ze er ook iets van, zie het volgende over het dialect van Boorse (Boorsem).

Dialect van Boorse (Boorsem)

Voor degene, die de rit tot nu toe heeft uitgezeten, hou vol, het leukste komt nog. ‘Surfend’ op internet kwam ik een verhaal tegen, getiteld ‘De Juddde van Boorse’ (De Joden van Boorsem). Dit verhaal is grotendeels geschreven in het dialect van Boorse door broer en zus Mathieu en Godelieve Opdenacker. De titel van het verhaal is ontleend aan de bijnam van de inwoners van Boorsem, nl. ‘De Judde’.

Mathieu Opdenacker schrijft dat hij het Boorsems dialect fonetisch weergeeft en gebruikt ook diakritische tekens, zij het in mindere mate dan de Nederlands Limburgse spelling. Zo schrijft hij ‘peoulke’ (paaltje) in plaats van het Nederlands Limburgs ‘päölke’. Zo schrijft hij ook ‘verheoulke’ (verhaaltje). Ik neem aan dat de uitspraak hetzelfde is als in Nederlands Limburg.

‘De Judde van Boorse’ bevat verhaaltjes, spreuken, gezegdes en liedjes in het dialect van Boorse. Mathieu Opdenacker noemt dit ‘Maaslands’ en opteert, dat dit verstaanbaar is aan beide zijden langs de Maas tot Tegelen en Venlo toe. Boorsem ligt in Belgisch Limburg, dicht bij de Maas, een tiental kilometers ten Noorden van Maastricht. Boorsem behoort tot de fusiegemeente Maasmechelen.

Wat mij vooral opviel, was dat het Boorse dialect veel overeenkomsten heeft met het dialect, dat in Obbicht en Grevenbicht wordt gesproken. Ik kwam gezegdes en liedjes tegen, die ik pakweg zo’n vijfentachtig jaar geleden reeds in Obbicht hoorde, zoals de vergelijkingen:
– ‘zoea zaat ès ’n schöp’ (zo zat als een schop);
– ‘zoea meug ès ’n maaj’ (zo moe als een made);
– ‘slaope wi~j ‘nen os’ (slapen als een os).

Verder ‘Juddekal’ (Jodenpraat), zoals
Jeezus zei tot zijn dissipele: Wèè geine fits hèèt dèè mot mèèr tippele (die geen fiets heeft, moet maar lopen).

Ook ‘sjèèle zeiver’ (schele prietpraat), zoals:
– ‘get op de plank höbbe’ (vrouw met flinke borsten);
– ‘stront wèè hèèt diech gesjete’ (van wie is die stront?).

Leuk is de vervanging van het gezegde: ‘Dat ès loead um awd iezer’ (dat is lood om oud ijzer) door ‘Dat ès met ei gaat ’n anger völle’ (dat is met een gat een ander gat vullen).

Ook opvallend zijn de overeenkomsten in de door Godelieve verzamelde herkenbare liedjes, zoals:

Jan Pierewit, Jan Pierewit
Jan Pierewit zien vrow
haw ’n humme aan
haw ’n humme aan
zoea zwart es de sjow

Een ander voorbeeld in de vorm van een versje:

Gank nao de Mert
kaup diech ’n koo
stök van de leever
stök van de pens
kielewielewiele wens

Dit laatste versje leerden onze ouders ons in onze kinderjaren. Je moest een hand ophouden met de handpalm naar boven. Dan klopten ze op de hand onder het uitspreken van het versje, waarbij bij de laatste regel in de handpalm werd gekieteld.
Niets nieuws onder de zon en ook geen oude koek. Ik zie mijn vrouw het versje nog af en toe doen met de achterkleinkinderen

Pierre Swillens

Naschrift: Natuurlijk heb ik maar een kleine greep kunnen doen uit ‘De Judde van Boorse’. Wie meer wil lezen, kan het verhaal dowloaden in PDF-formaat vanaf de website: http://mathieu.opdenacker.org/maaslands/judde/

 

Advertenties