Archief | maart, 2013

Bij de tandarts

27 Mrt

Doet u de mond maar eens open

Wilt U nu happen?

Tandarts in België

Vooral oudere lezers onder jullie zullen die commando’s van de tandarts vast wel eens hebben gehoord. Hebben  jullie ook zo’n angst voor de tandarts, zoals ik die vroeger had. Ik zeg met opzet ‘had’, want ik heb nu geen angst meer. Ik heb een Belgische tandarts en die doet geen pijn. Het helpt natuurlijk wel, dat ik niets meer van mezelf in mijn mond heb. Maar hij deed ook geen pijn, toen dat nog wel het geval was.

Voetbalwedstrijd

Het begon bij mij al vroeg. Ik heb in een eerdere weblog aangegeven, dat ik wel eens als keeper in een voetbalwedstrijd fungeerde. Tijdens een wedstrijd te E moest ik dat duur bekopen. Ik kwam met mijn hoofd in onzachte aanraking met de knie van een tegenstander, met als gevolg een lichte hersenschudding en het verlies van drie voortanden. De hersenschudding verdween na een tijdje, de voortanden waren al eerder verdwenen.
Ik was toen 25 of 26 jaar oud. Mijn vrouw, toen mijn verloofde, houdt het op 24. Wie ben ik om haar tegen te spreken, want zij is sterk in het onthouden van datums. Zo weet zij de geboortedatums van al onze vier kinderen, met dag, maand en jaar. Van de kleinkinderen en achterkleinkind trouwens ook. Met enige moeite kom ik van mijn eigen kinderen tot geboortejaar. Aan de geboortedatum van mijn kleinkinderen begin ik maar helemaal niet.

Lastige kies

Ik ga jullie besparen, wat er allemaal met mijn tanden is gebeurd. Ik heb wel wat tandartsen versleten. Een tandarts te M kan ik me nog sterk herinneren. Volgens mij had hij een beginnende praktijk. Mijn probleem was een rotte kies op een lastige plaats, die hij moest extraheren. Het lukte slechts ten dele, het trekken werd meer aanmodderen. Ik moet toegeven hij (de tandarts) gaf niet op. Het geheel heeft zo’n uur geduurd. Mijn vrouw zal zeggen 50 minuten, want je overdrijft toch altijd.
Uiteindelijk won de tandarts het gevecht.

Nu had ik mijn jas in de wachtkamer laten hangen. Toen ik kwam was de wachtkamer leeg, nu was hij bomvol. Iedereen keek mij verwijtend aan, alsof ik de oorzaak van de vertraging van hun behandeling was.
Met een beschaamd hoofd, veel praten was er voor mij toch niet bij, verliet ik zo snel mogelijk de wachtkamer. Achteraf heb ik mij altijd afgevraagd, hoeveel patiënten die tandarts in één uur dacht te behandelen.

Stifttand

In een eerdere weblog vertelde ik over mijn opleiding tot marinier op de vliegbasis Volkel. Van een van mijn medecursisten herinner ik mij de volgende anekdote. De betreffende was vaak het slachtoffer van ‘pesterijen’. Iedereen weet dat op scholen, verenigingen of gemeenschappen door de pesters feilloos de slachtoffers worden uitgezocht. Nu is er gelukkig een wet in voorbereiding, dat daar een einde aan kan worden gemaakt. De marinier, laten we hem X noemen, praatte een beetje bekakt, maar het was verder een normale jongen. Misschien woonde hij wel in een woonplaats, die sommigen niet aanstond. Weten jullie, waarom iemand zo vaak gepest wordt. Ik deed er niet actief aan mee, maar moest er wel vaak om lachen.

Een van de voorvallen herinner ik mij. Zaterdagsmiddags, na de middagmaaltijd, mochten we op verlof. Op die dag kregen we vaak een bokkem, waar niemand trek in had. De korporaal van onze sectie was getrouwd en die nam een heel zooitje bokkems mee naar huis. Na de middagmaaltijd werden wij met trucks naar het station in Uden gebracht. Zo fair was de Koninklijke Marine wel.  Veel tijd hadden wij niet hierbij. Wij mochten snel onze overjassen en bagage ophalen en dan hollen naar de trucks.

Zo hadden de pesters weer iets bedacht om X te pakken. Of ze de gevolgen wisten, weet ik niet. Als ze het wel geweten hebben, dan was hun timing fenomenaal. Zo ook die Zaterdag.
Wij holden naar onze nissenhut, grepen onze overjassen en bagage en holden vervolgens naar de trucks. In ons midden een foeterende X. De eerste honderd meter probeerde hij, al hollend, om met zijn linkerarm in de linkermouw van zijn jas te komen. Dat lukte hem niet. De volgende honderd meter probeerde hij met zijn rechterarm in zijn rechtermouw te komen. Dat lukte hem ook niet. Na driehonderd meter ontdekte hij, dat de mouwen van zijn jas onderaan waren dichtgenaaid. Toen waren we inmiddels al bij de trucks.

Nu zullen jullie wel denken, wat heeft dat met de tandarts te maken. Dezelfde X had een stifttand, die kennelijk los zat. Als we in een samenscholing stonden en lachten om een geslaagde mop of grap, dan lachte X hartelijk mee. Misschien iets te uitbundig, want steevast raakte hij in paniek en duwde hij iedereen een beetje aan de kant. ‘Mijn stifttand’ riep hij dan. Die was weer eens bij het lachen uit zijn mond gevlogen en nu was hij bang dat wij erop zouden trappen. Het pesten ging voor hem gelukkig niet zover, dat iemand dat werkelijk deed.
Waarschijnlijk stopte hij de teruggevonden tand in zijn mond. Hij had beter een tandarts kunnen opzoeken. Wellicht had hij ook angst voor de tandarts.

Implantaten

Toen in mijn mond weinig te restaureren viel, adviseerde de Belgische tandarts mij om een ondergebit te nemen, dat met een kliksysteem op implantaten was te bevestigen. Hij adviseerde mij om de implantaten te laten aanbrengen bij de dienst mond-, kaak- en aangezichtschirurgie van het Ziekenhuis Oostelijk-Limburg te Genk (B). Van deze dienst had dr. Constantinus Politis de leiding. Een arts met een duidelijk Griekse naam en afkomst. Maar hij zag er meer uit als een Napoleon. Hij was ook klein van stuk, maar duidelijk de bevelhebber van de dienst. Hij had vier behandelkamers, daarvan stonden de deuren open, zodat hij van iedere behandelaar precies zag, wat hij aan het doen was. Tussen zijn patiënten door, assisteerde hij de overige artsen. Niets kon hem ontgaan. Ik moet zeggen, wat hij deed was vakwerk en zijn manier van leidinggeven droeg bij aan de kwaliteit van de dienst.
Hij publiceerde in vaktijdschriften, dat en zijn manier van werken moest elders opvallen. Hij is nu werkzaam bij het Universitair Ziekenhuis in Leuven en professor aan de Katholieke Universiteit aldaar.

m_pierre-1

Een ding moet ik zeggen. Hij was niet zachtzinnig. Vóór het aanbrengen van de implantaten, moet er worden verdoofd. Daarbij ging hij royaal en snel met de spuit te werk. De verdoving hielp, maar na een paar dagen kreeg ik een blauwe baard. Zal wel een medische naam hebben (zie foto).
De baard trok weg, maar ik moest wel een paar weken binnenblijven, omdat ik niet toonbaar was. Als jullie het niet willen geloven de man op de foto ben ik. Toen ik de foto doorstuurde naar onze dochter Patricia, toen meende zij dat ik de foto ‘gephotoshopt’ had. Ik kan met photoshoppen wel iemand van een foto laten verdwijnen, of desnoods erbij plaatsen, maar zo’n geloofwaardige baard zal mij niet lukken.

Bezoek aan tandarts fobie nr 1

m_scannen0008a

Wat schetst mijn verbazing toen ik op 27 maart 2013 deze cartoon van Paul Kusters in de Limburger aantrof. Kennelijk is de angst voor de tandarts van alle tijden.

Als antwoord op een mogelijke vraag van jullie, of deze weblog door deze cartoon is geïnitieerd, dan is mijn antwoord : neen. Mijn verhaal was reeds af, alleen kon ik deze cartoon nog toevoegen als bewijs van mijn stelling, angst voor de tandarts.

Pierre Swillens

Advertenties

Misverstand

23 Mrt

Mosse friete háán?

Berend was een trouwe fan van de voetbalclub te G. Zelfs bij alle uitwedstrijden was hij present.  Zo ook, toen zijn club in K. moest spelen. Een lange busreis, maar hij had het er graag voor over.

Het werd een lastige wedstrijd, maar zijn club won. Voldaan bereidde Berend zich voor op de terugreis. Maar eerst nog even een frietje scoren.

Bij de frietenkraam aangekomen, ontspon zich de volgende dialoog:

Friturehouder: Mosse friete háán?

Berend: Nai

Friturehouder: Mosse friete háán?

Berend: Nai

Friturehouder: Was mots du da hant?

Berend: Friet

Friturehouder: Dat han ich doch jevroard: mosse friete háán?

Berend: Ik mot gain haone, ik mot friet.

Uiteindelijk kreeg Berend zijn friet.

Pierre Swillens

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (slot)

21 Mrt

Mariniersbrigade

Bondowoso-affaire

Wat was er gebeurd?

Op 23 november 1947 zou een aantal mariniers in Bondowoso in de trein stappen om naar Soerabaja te reizen om vandaar uit per boot naar Nederland te repatriëren. Hun tijd zat erop. Er wachtte hun echter nog een grote verrassing.

De commandant van het Tweede Infanterie-bataljon, de luitenant-kolonel der mariniers H.A.G. van der Hardt Aberson, had een vergadering voorgezeten, waarbij het besluit werd genomen om 100 gevangenen naar Soerabaja te vervoeren ter verdere detentie. Het vervoer zou geschieden per trein. De commandant liet de uitvoering hiervan over aan zijn ondercommandant. Er werd besloten dat voor het transport drie goederenwagons zouden worden gebruikt, die in Bondowoso gekoppeld zouden worden aan de trein naar Soerabaja.

De ondercommandant benoemde geen transportcommandant, noch bewakingspersoneel, maar rekruteerde dezen uit de aanwezige mariniers, die naar huis zouden gaan. Een sergeant-majoor schrijver was de hoogste in rang en deze werd benoemd tot transportcommandant. De man was nooit betrokken geweest bij enige operationele activiteit.
De ondercommandant had hem toegevoegd: “Voor je thuisvaart, heb ik nog een vies bakje voor je. Hier staan drie wagons met honderd gevangenen, die naar Soerabaja moeten. Hier heb je de lijsten. In Soerabaja staan mensen klaar om deze gevangenen over te nemen “.
Er werd nog bijgezegd, dat ze de deuren moesten dichthouden, want er mocht geen gevangene ontsnappen en de bevolking mocht er op de stations geen lucht van krijgen.

Wat ging er mis?

Het was niet het eerste transport met gevangenen. In Oost-Java waren reeds 53 transporten uitgevoerd, waarbij ca. 3.000 gevangenen zonder incidenten werden vervoerd. Vreemd genoeg had er een dag eerder een gevangenentransport plaatsgevonden, waarbij vier doden waren te betreuren. Toen dit werd bemerkt, had de transportbegeleiding direct ingegrepen. De deuren werden geopend en op eigen kosten werd er gezorgd voor drinken en voedsel. De transportleider van 23 november 1947 wist hier niets van. Hij was bevreesd, dat wanneer gevangenen zouden ontsnappen zijn terugreis naar Nederland wel eens in gevaar zou komen.

Het was die dag uitzonderlijk warm. Achteraf zou het de warmste dag van het jaar worden, zo’n vier graden meer dan normaal. De goederenwagons waren niet ingericht voor personenvervoer.  Achteraf zou de wagon met de meeste kieren nog het gunstigst zijn, omdat er tijdens het rijden nog enige lucht doorstroomde. Een niet al te grote wagon, waarin 38 gevangenen werden gepropt, had een stalen dak, had nauwelijks kieren en werd in de gloeiende hitte als het ware een bakoven.

De reis duurde 13 uur. Op meerdere stations werd gestopt, waarbij de trein wel een uur stilstond. Toen de trein vertrok hoorden de begeleiders de gevangenen praten em kwam er rook uit de kieren. Kennelijk waren er gevangenen bij, die over sigaretten (kreteks) beschikten. Maar naarmate de reis vorderde werd er op de deuren gebonsd, om water geschreeuwd en  misschien wilde men vertellen, wat er binnen gebeurde en dat sommigen er slecht aan toe waren. De begeleiders bleven echter de deuren gesloten houden.

Toen de trein op de eindbestemming, het station Wonokromo in het zuiden van Soerabaja, aankwam, ontdekten de transportbegeleiders dat in een wagon alle gevangenen de reis hadden overleefd, in de tweede wagon telden zij acht doden en van de derde wagon waren alle 38 inzittenden dood. Van het totale transport van 100 gevangenen hadden 46 het niet overleefd.

Als officiële doodsoorzaak werd warmtestuwing aangegeven.

Welke straffen werden er uitgedeeld?

Onze Militaire Politie werd direct ingeschakeld. De mariniers, die voor de transportbegeleiding hadden gezorgd, werden in verzekerde bewaring gesteld. Van hun thuisreis kwam dus niets.
Onze commandant verhoorde een tiental overlevenden van de gevangenen. Onder de overlevenden waren hoger opgeleiden, die behoorlijk Nederlands spraken. Een aantal gevangenen werd in het Maleis verhoord met behulp van een tolk.
Ook werden een zestal mariniers verhoord, waaronder de sergeant-majoor. Zowel de gevangenen als de bewakers hadden dezelfde verhalen. Van de wagon, waarvan de afgrijselijkste verhalen te vertellen waren, was geen getuige meer.

De Krijgsraad van de Zeemacht in Oost-Indië was in juli 1948 zeer mild in haar oordeel. Er was geen sprake van opzet en de omstandigheden hadden tot de ramp bijgedragen. De sergeant-majoor, die de verantwoordelijkheid had gedragen, werd veroordeeld tot een celstraf van een maand.

Mogelijk door de beroering onder de publieke opinie over de lage straffen werden in hoger beroep zwaardere straffen uitgesproken. De organisator van het gevangenentransport werd verantwoordelijk gesteld voor de slechte staat van de wagons en het ontbreken van een transportcommandant en een deugdelijke transportbegeleiding. Hij werd veroordeeld tot acht maanden celstraf, de sergeant-majoor kreeg 4,5 maand en een aantal transportbegeleiders kregen lagere straffen.

De commandant van het Tweede Infanterie-bataljon, de luitenant-kolonel H.A.G. van der Hardt Aberson bleef buiten schot. Hij had zich niet bemoeid met het transport en dit aan zijn ondergeschikten overgelaten.

Reacties in binnen- en buitenland

De Bondowoso-affaire bracht veel reacties teweeg, zowel in binnen- als buitenland. In Nederland werden in de Tweede Kamer vragen hierover gesteld, die werden beantwoord door de toenmalige minister van Overzeese Gebiedsdelen, Jonkman. Hij verzweeg voor de Kamer dat de dag ervoor ook al vier doden waren te betreuren. De vraag is nu, of hij hiervan op de hoogte was. Wel had alle commotie tot gevolg, dat er uitgebreide voorschriften werden uitgevaardigd ten aanzien van toekomstige gevangenentransporten.

In Nederlands Indië bagatelliseerde de commandant van de Mariniersbrigade, de kolonel Roelofsen, de affaire. Hij wees naar de terreurdaden, die door de tegenstander werden uitgevoerd. Het was dus van beide kanten een vieze oorlog.

In het buitenland was ook veel ophef en werd de zaak zelfs voorgelegd aan de Veiligheidsraad. Opvallend was dat Nederland in Nederlandse Indië een tweede politionele actie startte op het moment dat de Veiligheidsraad twee weken met vakantie ging.

In januari 1969 werd in het Vara-programma Achter het Nieuws een interview gehouden met de psycholoog dr. J. Hueting. Deze vertelde dat hij als dienstplichtig militair in Nederlands Indië aanwezig was geweest bij verhoren van gevangenen door Nederlandse militairen. Daarbij werden methoden gehanteerd die volgens hem niet door de beugel konden. De Nederlandse regering gelastte een archievenonderzoek naar handelingen van Nederlandse militairen gedurende de periode 1946-1950 in Nederlands Indië.
De bevindingen van dit onderzoek werden vastgelegd in de Excessennota 1969. Aan de Bondowoso-affaire werd een pagina gewijd met een relaas van de gebeurtenissen. Een motie tot het instellen van een parlementaire enquête werd in de Tweede Kamer verworpen.

In 1997 rakelde Ad van Liempt, journalist en eindredacteur van het Tv-programma Nova, de zaak weer op. Hij reisde naar Indonië waar hij sprak met overlevenden en bracht een bezoek aan het oorlogsmuseum in Malang, waar de wagon staat opgesteld, waarin de 38 inzittenden de dood vonden (zie foto).

In Nederland sprak hij met transportbegeleiders, alsmede met de toen nog in leven zijnde sergeant-majoor. Deze leefde als gepensioneerd onderwijzer in een klein dorp in  de kop van Noord-Holland. Hij vertelde aan Van Liempt, dat de affaire zijn leven had veranderd en hij had geprobeerd, door vrijwilligerswerk in het verenigingsleven,  boete te doen voor de gevolgen van het drama onder zijn verantwoordelijkheid.
Van Liempt legde zijn bevindingen vast in een boek “De Lijkentrein, waarom 46 gevangenen de reis naar Surabaya niet overleefden”.

m_soerabaja-15
Mijn aandeel in de afhandeling van de Bondowoso-affaire

Op 23 november 1947 (het was een zondag) kwam ik ’s avonds terug van ‘passagieren’ in Soerabaja. Door collega’s werd mij verteld, dat er iets ernstigs was gebeurd op het station te Soerabaja. Een deputatie van de MP was er al heen en een volgende zou vertrekken. Daar kon ik mij bijvoegen, dus ik zocht snel mijn MP-armband en dito helm op.
Het aanblik bij aankomst op het station was verbijsterend. Het was avond en het station was schaars verlicht. Op een spoor stond een aantal wagons. Op het perron zaten 54 gevangenen in rijen op de grond, volkomen apathisch. Iets verderop lagen 46 doden in dezelfde formatie. Aan hun houding was te zien, dat zij waren gestorven in doodkrampen. Nu waren inlanders doorgaans magere mensen en droegen ze weinig kleding. Het geheel deed denken aan beelden uit concentratiekampen in de Wereldoorlog II. Temeer toen er een legertruck arriveerde, waarop door enkele overlevenden de doden werden opgestapeld voor afvoer naar een bestemde plaats.
Onze aanwezigheid was verder niet nodig en wij vertrokken met de herinnering aan een aanblik, die nooit meer zou verdwijnen.

De afhandeling van de affaire had voor mij nog een nasleep. Daar bij het transport mariniers waren betrokken bij de organisatie ervan en de begeleiding moest onze MP een proces-verbaal opmaken, dat door mij zou worden getikt. Doordat veel personen werden verhoord, werd het een lijvig proces-verbaal. Ik had er mijn handen aan vol.

Tot mijn verbazing moest ik later, mogelijk op verzoek van de Krijgsraad, het rapport opnieuw typen. Dat moest snel gebeuren met als deadline een dag na Kerstmis 1947. De Kerstdagen moest ik dus aan het typen opofferen. Nu was er wel van Kerstmis in de tropen niet veel te merken.

Resumé

Geen prettige gebeurtenis om mee te eindigen. Het geeft wel een beeld van het einde van het tijdperk van de Nederlandse overheersing in Oost-Indië.
De politionele acties waren de laatste krampachtige pogingen om orde en veiligheid in Nederlands Indië te herstellen onder Nederlands bestuur. Dit ging gepaard met verliezen aan beide zijden.

Pierre Swillens

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 3)

18 Mrt

Mariniersbrigade

Soerabaja

Voetbalclub THOR

m_soerabaja-9Toen ik enigszins geacclimatiseerd was in Soerabaja, ging ik mijn vleugels uitslaan. Als fanatiek voetballer (opgeleid bij de legendarische voetbalclub Armada uit Grevenbicht) ging ik op zoek naar een voetbalclub.
Een van de weinige actieve clubs was THOR (Tot Heil Onzer Ribbenkast). THOR was een voetbalclub met een oude geschiedenis. Zo had er in de dertiger jaren de toen 24-jarige Bep Backhuys in gevoetbald. De club nam toen deel aan de landelijke voetbalcompetitie op Java. Nu was er niet veel meer over van die glorie. Men nam dus iedereen als lid aan, ook militairen. In de hoop dat er goede voetballers tussen zaten.
Een van de sponsors was een Chinees restauranthouder, waar wij wel eens een consumptie van kregen. Bep Backhuys kreeg waarschijnlijk iets meer. Later zou Bep Backhuys de eerste betaalde Nederlandse profvoetballer in Metz in Frankrijk worden.

Een incident tijdens het voetballen kan ik mij herinneren. Er speelden steeds nieuwe mensen mee. Zo was er ineens een Indische Kapitein van het Leger, die directeur was van de plaatselijke gevangenis. Hij speelde redelijk en fanatiek. Tijdens de rustpauze nam hij een teil, vulde die met water en ging er met zijn voeten met schoenen en al inzitten. Even lekker de voeten afkoelen.Wij, Europeanen, keken er met grote ogen naar.
Baboes

Door de dagelijkse hitte werd er veel gezweet. Er werd per dag meermalen gewisseld van kleding. De gedragen kleding m_soerabaja-11moest dan worden gewassen.  Voor het wassen van de kleding maakten wij gebruik van een zevental baboes (zie foto). Voor de duidelijkheid de marinier, links op de achterste rij, dat ben ik.  Zij wasten met de handen in een van de bijgebouwen rond de binnenhof. In de villa kwamen zij niet en de sergeant-majoor van de huishoudelijke dienst (rechts op de eerste rij) zorgde ervoor, dat zij niet door ons zouden worden lastig gevallen.
Het was wel hilarisch om de dames onderling te horen praten. Namen van ons onthielden zij niet, daarom verzonnen ze voor iedereen een toepasselijke naam. Zo keken ze naar de rang van de militairen. “Toean litnan” (mijnheer luitenant), dat was gemakkelijk. Daarvan was er maar een, de commandant. “Toean sersan” (mijnheer sergeant) werd moeilijker, daarvan waren er meer. De naam werd gebruikt voor de reeds genoemde sergeant-majoor, die in feite hun baas was en alles met hen regelde en hen waarschijnlijk ook uitbetaalde.
Verder keken ze ook naar de bezigheden van de mariniers. Zo was er een “toean sopir” (mijnheer chauffeur), ofschoon er hier meer van waren. Ook uiterlijke kenmerken werden gebruikt. Iemand met blond haar werd gedoopt tot “toean poetieh” (mijnheer wit).

m_soerabaja-10

Op een dag waarop ik mijn wasgoed ophaalde, zei de oudste baboe, die ook zo’n beetje de leiding had, triomfantelijk en lachend tegen me, dat zij voor mij een nieuwe naam hadden bedacht, namelijk “toean tèk-tèk” (mijnheer tik-tik). Ik was de enige achter een schrijfmachine en die ratelde. Hoe zij dat wisten was mij een raadsel. Kennelijk had een het wel eens gehoord en gezien.

Voortaan heette ik “toean tèk-tèk” en ik beschouwde het als een geuzennaam.

De gouden ring

Het was tijdens een van mijn uitstapjes naar Soerabaja.Het was tegen de avond aan (schemering)., dat ik op de Toendjoengan een wat oudere man tegen een gevel gehurkt zag zitten, die iets ten verkoop aanbood.
Bij nadere bestudering bleek het om een ring met een groene steen te gaan. Hij noemde een bedrag, zo idioot laag, dat het geen zin had om met hem te gaan pingelen, wat doorgaans wel gebeurde. Toen ik hem vroeg of het goud was, knikte hij bevestigend met zijn hoofd. Vermoedelijk zal hij mij niet begrepen hebben, want hij knikte op alles bevestigend met zijn hoofd.

Ik besloot de ring te kopen in de veronderstelling dat hij hem wel ergens gejat kon hebben, of misschien uit de erfenis van zijn vader kwam. Toen ik hem het geld gaf, stond de man voor het eerst op. Waarschijnlijk had hij er de hele dag al gezeten. Hij raakte uitgelaten, feliciteerde mij uitbundig met de koop en ging er snel vandoor. Waarschijnlijk dacht hij, dat ik me wel eens zou kunnen bedenken. Hij had in ieder geval voor een paar weken te eten.

De andere morgen wilde ik mijn aanwinst wel eens bij daglicht bewonderen. En ja  hoor, mijn ringvinger was groen uitgeslagen. Het was dus toch koper. Boos deed ik de ring af en gooide hem door het geopende raam op de binnenhof. Aan een koperen ring en groene vingers had ik niets. Als ik hem bewaard had, kon ik hem nu tonen als een bewijs van een grenzeloze naïviteit in die tijd.

m_soerabaja-12Nu was het zo, dat dagelijks met de baboes twee djongossen (zie foto) opdraafden. Zij verrichten klusjes rond het huis, hielpen de baboes en hielden de binnenhof schoon. Een van de jongens (op de foto, die op de boom van de watertank, niet die dikke) kwam triomfantelijk naar binnen en liet mij de ring zien, die hij op de binnenhof gevonden had.

Hij toonde zich uitgelaten, want zo’n bezit had hij nog niet gehad. Wist hij wat koper was. Wie weet, sleet hij de ring binnenkort weer aan een nieuwe koper.

Ik stelde met genoegen vast, dat ik voor een habbekrats eerst een oude en toen een jonge inlander blij had gemaakt en ging over tot de orde van de dag.

Res nullius

Toen ik op latere leeftijd aan de Universiteit van Maastricht Nederlands Recht studeerde, kwam ik het begrip Res nullius tegen. Sinds de Romeinse tijd sprak men van res nullius, als iemand als eigenaar van een roerende zaak duidelijk afstand deed van het recht van eigenaar. Dan ging het recht van eigendom op de betreffende zaak over op de eerste, die bezit over deze zaak verkreeg. Dat Romeins recht was ook al bij die djongos bekend, of misschien hadden de baboes het hem verteld.

Dat het er niet altijd serieus toeging, vertelt de volgende foto van een ongeloofwaardige foto metamorfose.

m_soerabaja-14

(wordt vervolgd)
Pierre Swillens

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 2)

16 Mrt

Soerabaja

Militaire Politie

Na een lange zeereis kwamen wij dus aan bij de haven van Soerabaja (Oost-Java). Hier werden we gelegerd in een kazerne. Van daaruit maakten wij een aantal marsen; zonder water om te wennen aan het klimaat en ontberingen. Op zekere dag werden we ingedeeld bij de diverse afdelingen van de Mariniersbrigade. Zo hoorde ik mijn naam afroepen bij een tiental mariniers, die ingedeeld werden bij de Militaire Politie. Nu was dit het laatste waar ik mij geschikt voor achtte.

Mariniersbrigade

De Mariniersbrigade werd opgericht op 13 september 1945 te Camp Davis (USA). De brigade werd gevormd door oorlogsvrijwilligers en langdienstverbanders van het Korps Mariniers. Na een opleiding in de USA werden zij in november/december 1945 verscheept naar Nederlands Indië.
Het eerste contingent slaagde erin om te landen in Batavia, maar de rest werd tegengehouden door de Engelsen, die de macht hadden overgenomen van de Jappen. Deze contingenten verbleven tijdelijk op Malakka, totdat zij in maart 1946 aan land mochten gaan in Soerabaja. De Mariniersbrigade zou op Oost-Java verantwoordelijk worden voor de handhaving van orde en veiligheid.

Opleiding bij de Militaire Politie (MP)

De MP was gehuisvest in een klein kampje, wat zij deelde met de Veiligheidsdienst. Deze dienst had een tiental krijgsgevangenen in afzondering. Jonge kerels waar wij vrijelijk contact mee mochten hebben. Door een van die jongens liet ik mijn haar knippen, hij had kennelijk bij een kapper gewerkt. Toen hij met een los Gilettemesje, tussen zijn vingers geklemd, mijn bakkebaarden bij schoor, kreeg ik het toch even benauwd.

Zoals eerder gezegd, voelde ik mij niet geschikt voor politiewerk. Ik hoorde dat de ‘schrijver’ naar Nederland zou repatriëren en dat men daardoor met een groot probleem kwam te zitten. Zijn werk bestond namelijk uit het tikken van de processen -verbaal, die door de MP werden opgemaakt van alle incidenten, waarbij mariniers waren betrokken. Deze processen-verbaal werden afgehandeld door de Krijgsraad van de Zeemacht in Soerabaja. Belangrijk werk dus, waarbij voor continuïteit moest worden gezorgd.

Ter oplossing van dit probleem stelde ik mij voor als ervaren typist (ik kon in ieder geval met een schrijfmachine omgaan). Dankbaar nam men dit voorstel aan en ik werd snel tot ‘schrijver’ bevorderd. Dit leverde meteen een aantal prettige voordelen op, ik was immers de enige schrijver. Ik hoefde geen wacht te lopen en was vrijgesteld van politiediensten. Het enige wat ik moest doen was het halen van de deadlines van de in te dienen processen-verbaal.
Deze werden wel getikt in zes- of zevenvoud. Dus als ik een tikfout maakte, kwam de techniek van de losse blaadjes achter de carbons van pas. Het was dus zaak om zo weinig mogelijk tikfouten te maken.

Huisvesting

soerabaja-8Na het kampje werd de MP ingekwartierd in villa’s, waarvan de laatste (zie foto) ik mij het beste herinner. Dit was een luxe villa, waarschijnlijk gebouwd door een rijke Chinees, die toen de Jappen kwamen de benen had genomen.
Centraal in het gebouw was een grote en hoge eetzaal, waarvan de vier wanden waren bekleed met donker hout. In dit hout waren door ervaren houtsnijders taferelen uitgesneden, waarbij elke wand een der vier jaargetijden voorstelde. Het tafereel winter was dus erg vreemd in de tropen.

Het gebouw omzoomde een grote binnenhof, waarlangs de dienstgebouwen waren gevestigd. In een van die vertrekken hing een elektrisch nummerbord. Kennelijk was het de ruimte, waar het personeel verbleef in afwachting of hun nummer naar beneden viel. In dat geval werden zij geacht om voor de heer of vrouw des huizes op te draven.  Dit bordje illustreerde de onderdanigheid van de inlanders en de macht van de rijken.

Marinierskantine

m_soerabaja-3

De vrije tijd mochten we doorbrengen in de stad Soerabaja. Meestal bezochten wij dan de Marinierskantine (zie foto). De Marinierskantine was gelegen aan de Toendjoengan, een brede winkelstraat.
Het gebouw was tijdens de Japanse bezetting een warenhuis geweest en nu ingericht om de mariniers vertier te bezorgen. Er werden films vertoond en er speelde een combo, gevormd uit muzikanten onder de mariniers. Ook herinner ik mij een optreden van Pia Beck met het Miller Sextet.
Tijdens Oranjefeesten was er een Oranje-diner voor fl. 4,-. Toch gingen we liever voor fl. 2,50 naar de Chinees.

De Lintworm

soerabaja-1

Wij maakten hierbij gebruik van de Lintworm. Dit vervoermiddel had een vaste lijn vanaf de Darmo-kazerne naar de stad met diverse op- en afstap plaatsen.  Het vervoermiddel was ontwikkeld door de Eerste Luitenant der Mariniers HC.Th.Lindner en bestond uit een truck met een verlengde oplegger. Het voertuig bood plaats aan 113 personen (77 zit- en 36 staanplaatsen).  Er kon gemakkelijk worden opgestapt, dan wel afgestapt. Aan het einde van de dag gingen we met de Lintworm naar huis.
Andere vervoermiddelen waren onze eigen trucks, dan wel de ‘bedjaks’ (driewielige fietsen met een bak voor twee personen) met de bestuurder achterop.
Motto: waar een lintworm al niet goed voor is.

Pierre  Swillens

(wordt vervolgd)

Mijn diensttijd in Nederlands Indië (deel 1)

8 Mrt

Korps Mariniers

Qua patet orbis ‘Zo wijd de wereld strekt’

Korps Mariniers
soerabaja-6

Het Korps Mariniers is een onderdeel van de Koninklijke Marine. Het korps heeft een oude traditie. Het werd in 1665 opgericht door Michiel de Ruyter en Johan de Witt. De manschappen van het korps dienden op schepen en kwamen in actie, wanneer ergens vanaf het schip een actie op het vasteland moest plaatsvinden.
Vanzelfsprekend heeft het korps heden ten dage een andere functie. Het Korps Mariniers is omgebouwd tot een eenheid, die snel kan worden ingezet voor vredestichtende en humanitaire acties over de hele wereld. Verder wordt het korps ingezet bij de verdediging van de NAVO-landen en voor Nederland voor bescherming van het Caraïbisch gebied.

In december 1946 werd ik als dienstplichtige opgeroepen bij het Korps Mariniers (hier aangeduid als zeemilicien).

Opleiding bij  het Korps Mariniers

soerabaja-7

Marinekazerne  Kattenburg, Amsterdam

De opkomst was in de Marinekazerne Kattenburg te Amsterdam. Hier bleven we maar drie weken voor het in ontvangstnemen van kleding.  De eigenlijke opleiding zou plaatsvinden op de vliegbasis Volkel in Noord-Brabant. Dit was een voormalig Duitse vliegveld, dat op 15 augustus 1944 door de Royal Air Force (RAF) zwaar was gebombardeerd. Bomkraters waren daar nog de getuigenis van. Toen de geallieerden in september 1944 de operatie Market Garden uitvoerden, werd het vliegveld opnieuw gebombardeerd. Hierna verlieten de Duitsers het vliegveld, na alles met de grond gelijk te hebben gemaakt.

Na de bevrijding van het gebied werd het vliegveld weer in gebruik genomen, nu door de RAF. Uiteindelijk werd in september 1945 het vliegveld oor de Engelsen overgedragen aan het Nederlands Militair Gezag. Deze stelde in november 1946 het vliegveld ter beschikking van de Koninklijke Marine  als tweede opleidingskamp van het Korps Mariniers.

Nissenhutten en strenge winter

Op het vliegveld hadden de Engelsen 120 nissenhutten achtergelaten. Eigenlijk waren dit noodonderkomens, bestaande uit een fundering, een houten vloer en een halfrond golfplaten dak. Twee ramen en een deur in de gemetselde voorkant, en twee ramen in de gemetselde achterkant. In elke hut konden ongeveer 20 manschappen worden ondergebracht.
Wij kwamen daar in december 1946, midden in een strenge winter, aan. Het ijs zat aan de binnenzijde van de golfplaten. In het midden van de nis stond een kachel en die werd door ons gloeiend heet gestookt. Per kruiwagen moesten we de steenkolen vanaf een centrale opslag aanvoeren. De centrale opslag raakte al snel op en wij hoopten, dat wanneer er geen kolen meer waren wij naar huis mochten. Er verdwenen dan ook heel was kruiwagens steenkool in de ruimte onder de verhoogde vloer. Of het ons uiteindelijk gelukt is om vrij te krijgen, weet ik niet. Wel weet ik, dat er nauwelijks buitenactiviteiten waren door de strenge kou.

Maleise les

Wel weet ik dat we Maleise les kregen door een alleraardigst oudere Indiëganger. Hij bracht ons de allereerste Maleise woordjes en zinnen bij, die we straks nodig zouden hebben. Erg serieus namen we hem niet. Toen hij vroeg waarover hij het met ons in het Maleis moest hebben, toen riepen we allemaal gelijktijdig ‘steenkool’. Hierover was hij snel uitgepraat.

Openbaar vervoer

Het opleidingskamp was per openbaar vervoer moeilijk te bereiken. Ik weet dat we in Uden moesten overstappen om een stoptrein te nemen, die bij het plaatsje Zeeland, dichtbij het opleidingskamp stopte. Aangezien dat treintje maar sporadisch liep, werd Uden elke zondagavond overspoeld door honderden mariniers, die vertier zochten en de laatste trein namen. Ik moet zeggen, dat de plaatselijke schoonheden zich hierbij niet onbetuigd lieten.

Opleiding van vier maanden

Het was de bedoeling, dat wij een opleiding van vier maanden zouden volgen, waarna we uitgezonden zouden worden naar Nederlands Indië. Daar zouden we de oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade aflossen.
Voor mij werd die inzet uitgesteld. Ik werd aangezocht om een korte opleiding tot ‘hulpkader’ te volgen, die bij de opleiding van de volgende lichting (1947) ingeschakeld zou worden.  Met die lichting vertrok ik vervolgens in september 1947 naar Nederlands  Indië.

Mariniersbrigade

De oorlogsvrijwilligers van de Mariniersbrigade werden op Oost-Java ingezet om de orde en het gezag te herstellen. Na het vertrek van de Japanners was in I\Nederlands Indië een beweging op gang gekomen, die streefde naar onafhankelijkheid. De Engelsen, die het gezag overnamen van de Japanners, kregen daar al mee te maken. Tijdens gevechten met vrijheidsstrijders en burgers verloren zij in Soerabaja 500 manschappen.
De Nederlandse regering wilde echter haar gezag in Nederlands Indië herstellen en ging het gevecht aan met de vrijheidsstrijders, zo ook op Oost-Java. Dat dit niet zonder gevaar was, blijkt uit het feit, dat van onze klas (20 personen) er twee het leven lieten. Ik heb ergens een foto, waarop naast mij nog vier andere lachende mariniers staan, waaronder deze twee. Een ervan had bij het begin van onze opleiding zo’n goede test afgelegd, dat hij een opleiding tot officier mocht volgen. Hij vertrok eerst in 1949 naar Nederlands Indië en toen ik alweer terug was in Nederland sneuvelde hij alsnog. Hij was met een patrouille van elf man in een hinderlaag gelokt, waarbij er zes sneuvelden en vijf gevangen werden genomen. Uitzending naar Nederlands Indië was dus niet zonder gevaar.
De vrijheidsstrijders zouden het land overigens Republik Indonesia noemen, terwijl ‘merdeka’ vrijheid of onafhankelijkheid betekende. Je kwam die opschriften hier en daar nog wel tegen.

ms Sloterdijk

soerabaja-4

ms Sloterdijk

Wij vertrokken in september 1947 vanuit de haven in Rotterdam.  De boot, ms Sloterdijk, was een omgebouwd vrachtschip, dat in de laatste wereldoorlog ook al als troepentransportschip dienst had gedaan. Om zoveel mogelijk manschappen weg te stoppen, sliep je vierhoog boven elkaar. De bovenste moest dus een eind klimmen.
Toen we voorbij Hoek van Holland in open zee kwamen, werd ik zeeziek en dat ben ik gedurende de gehele reis van 30 dagen gebleven. Met een voortdurend gevoel van overgeven, was dat geen pretje. Je werd verzocht om niet aan de windzijde over de railing over te geven, want door de wind kwam het braaksel een eindje verder weer terug.  Geen pretje voor diegenen, die daar aan de railing stonden. Maar al doende leerde men. Er waren er, die zo ziek aren, dat ze de kooi niet uitkwamen of voor pampus op het dek lagen.

Het ergste was als de wind zo stond, dat het schip steeds slagzij maakte.  Als je dan op de wc zat, dan hing je beurtelings erboven of er een eind vandaan. Het was dan zaak om op het juiste moment te mikken. Gelukkig waren er in het open hok aan beide zijden flinke handvatten, zodat je er in ieder geval terugkwam.
De slagzij was ook merkbaar bij het eten. In de eetzaal stonden lange tafels, afgewerkt met een opstaand randje. Het eten werd opgeschept op een tablet. Als je het tablet op tafel zette en wilde gaan zitten, dan moest je bij slagzij oppassen, dat het tablet niet tien meter verder van de tafel schoof. Veel maakte het niet uit, want je had toch geen trek.
Het douchen was ook een crime, want bij gebrek aan zoet water, werd er gedoucht met zout water. Daarvan was er genoeg voorhanden. Moeten jullie eens dertig dagen proberen. Er werd niet veel gedoucht.

30 Dagen op zee

Van de reis herinner ik mij uiteraard het passeren van de rots van Gibraltar, de stad Algiers bij nacht, en de doorsteek van het Suezkanaal. Daar lagen we een tijdje stil. Toen kwamen er jongens rond de boot zwemmen. Vanaf de boot werden er geldstukken in het water gegooid, die door de kereltjes werden opgedoken, voordat ze in het diepe verdwenen. De geldstukken werden vervolgens in de mond gestopt, waarna ze verder gingen.

Na het Suezkanaal was er dagenlang niet veel te zien. Alleen bij het passeren van de evenaar werd er een Neptunus feest georganiseerd.  De traditie wil, dat Neptunus de opvarenden, die voor het eerst de evenaar passeren, doopt.

Sabang

Uiteindelijk meerde de ms Sloterdijk aan in de haven  van het eiland Sabang. Hier mochten we voor het eerst aan de wal en maakten we kennis met de Indische archipel, hun bevolking, het klimaat en de flora en fauna. Vooral de overdaad aan vruchten, zoals bananen, ananassen en kokosnoten viel op. Ook leerden we nieuwe vruchten zoals mango’s en papaja’s. Een marinier bleek allergisch te zijn voor de melk van de kokosnoot en lag ’s avonds met een gezwollen gezicht in zijn kooi.

Soerabaja

Na een paar dagen varen bereikten wij uiteindelijk ons einddoel, de haven van Soerabaja. Aan de ellende van 30 dagen zeeziek op een omgebouwde vrachtboot, kwam een einde.

Pierre  Swillens