Archief | juli, 2012

Vluchtigheidjes (4)

24 Jul

Necessary

Before skating, you need some kind of ice;
Before eating, you need some kind of rice;
Before mousetrapping, you need some kind of mice.

Warning

If you like swimming, fill the pool with water before diving.

Gedicht

Geerke
had een steerke,
dat wibde
op en neerke.

Logica

Oplichterij: twee  halen = één betalen.
Afzetterij: één halen = twee betalen.
Oplichterij = Afzetterij.

Raadseltje

Wie valt buiten de rangorde?

– aartsengel;
– aartsvader;
– aartsbisschop;
– Aarts Bbq.

TV

Gezien in Zomergasten:

Tom America met het gedicht De Mus van Jan Hanlo: Tjielp, tjielp, tjielp etc.

Dat inspireert mij tot een gedicht over een gangbare vergadering.

De Vergadering

Gezwam,
gezwam, gezwam, gezwam    gezwam, gezwam,
gezwam, gezwam    gezwam, gezwam, gezwam.
Gezwam.

P.S.

Advertenties

Snoep- en tabakswinkel

18 Jul

Observaties van een 8-jarige

Hangplek

Het winkeltje draaide, maar hoe? De kinderen kwamen met een cent om snoep te kopen. Dus had je honderd kinderen nodig om een gulden omzet te maken. Bovendien duurde het gemiddeld tien minuten voordat een kind zijn keuze had gemaakt. Het ergste was als ze dan bleven hangen. De winkel was ook ’s zondags geopend. Zondagsluiting kenden ze toen nog niet.  Als het dan slecht weer was, dan gingen de kinderen niet weg. Op de hele benedenverdieping kwam je dan vreemde kinderen tegen. Zij mochten niet naar boven, dat was verboden gebied, maar voor de rest was het vrijheid, blijheid. Ik voelde mij in mijn eigen huis niet meer thuis.

Vermoedelijk werd er toen ook al ‘proletarisch gewinkeld’.  Zij wisten dat mijn moeder geen ogen aan de achterzijde had. Als ze zich omdraaide om iets uit het rek te pakken, dan hadden ze alle kans. De snoep stond immers op de toonbank. Waarom zouden ze anders met één cent in de winkel blijven hangen.

De klant is koning

De winkel leverde mij wel iets op. Ik kon mijn observatievermogen ontwikkelen. Ik gaf mijn ogen goed de kost. Elke dag gebeurde er wel wat. Zo staat mij de volgende episode duidelijk voor de geest. Moeder had bezoek van twee vertegenwoordigers in suikerwaren. Waarom er twee waren, gezien de voorgaande uitleg over de omzet, is mij nog steeds niet duidelijk. Zoals in een eerder Post gezegd, deed mijn moeder de inkopen en bepaalde aldus het assortiment. Niet in alle gevallen, zou later blijken.

Nu zag ik dat drie geopende dozen met snoep op de toonbank stonden. Mijn moeder kon kennelijk geen keuze maken uit de drie dozen. Welke snoep zou de hoogste omloopsnelheid hebben.
Tijdens dat beslissingsproces kwam een meisje binnen met een cent voor een snoepje. De geopende dozen trokken al direct haar aandacht. Niemand zei iets en men wachtte af, wat het meisje zou beslissen. Ook mijn moeder greep niet in. Per slot van rekening behoorden de dozen niet eens tot het assortiment.
Het meisje treuzelde even, maar wees toen resoluut naar een doos. Moeder verkocht haar het gewenste snoepje. Ik zag de twee verkopers besmuikt lachen. Die doos hoefden ze tenminste niet meer terug te nemen, die was aangebroken. Het meisje had het keuze-dilemma van drie volwassenen opgelost.
Of de snoep een hoge omloopsnelheid heeft gehaald, is mij ontgaan. Volgens mij had alle snoep geen hoge omloopsnelheid.

Moraal: Voor het bereiken van een hoge omzet, laat de klant het assortiment bepalen.

Verkooppromotie

In mijn vorige Post heb ik reeds verteld, dat mijn vader ook af en toe hielp bij de verkoop. Vooral omdat hij zich bij elke transactie beloonde met een sigaar.
Zo observeerde ik hem, toen hij weer eens achter de toonbank stond. Op de toonbank stond een doos met blaaskauwgommen, die elk verpakt waren met een kaartje met de vlag van een land erop. Net zoals de plaatjes nu in de supermarkten. De kaartjes hadden meer waarde dan de blaaskauwgom, want ze hadden ook nog educatieve waarde. Verkooptechnisch waren het ondingen, want de kinderen treuzelden nu met de keuze welke vlag het interessants was.

Ik zag dat mijn vader een klant had voor een blaaskauwgom met een landenplaatje. Ook hier kon geen keuze worden gemaakt. Mijn vader had geduld, maar dat raakte duidelijk op. Hij begon aan verkooppromotie te doen. Hij graaide in de bak en begon van een handvol kaartjes de namen te noemen. Misschien versnelde dat de keuze.
Zo had hij een kaartje van Hongarije. Hongarije zal best wel een leuke vlag hebben, maar mij bleef bij hoe mijn vader Hongarije uitsprak.  Normaal leg je hierbij de klemtoon op rij. Maar niet mijn vader, hij legde de klemtoon op ga. Proberen jullie het eens, je krijgt een ander land. Of hij iets verkocht heeft, weet ik niet.

Pierre Swillens

Dialect (14)

12 Jul

Familie Swillens in zaken

Snoep- en tabakswinkel

Harie, de kapper, had er wegens gebrek aan klanten de brui aan gegeven. De ‘gooi kamer’ werd weer ingericht en het normale leven hervond zijn gangetje. Totdat.

Op een gegeven middag kom ik thuis uit school, en zie ik een boel mensen voor ons huis staan. Het huis had wederom een transformatie ondergaan. Er hing een reclameplaat aan de gevel en achter het venster van de ‘gooi kamer’ was een winkeletalage opgebouwd.

Ook nu waren we niet bij de besluitvorming betrokken geweest en dus volkomen verrast. Mijn ouders, lees moeder, waren begonnen met een snoep- en tabakswinkel. Zonder vergunning en ervaring natuurlijk. De vergunning was nog niet noodzakelijk, de ervaring echter wel. Maar die hoopte mijn moeder in de loop der tijd op te bouwen.

BZK

De reclameplaat vermeldde met grote letters BZK. Ik weet niet meer waarvoor reclame werd gemaakt, misschien wel voor tabak. Ik hoorde dat een omstander zei:  “Dat beteikent BeZeikde Kraom”. Klonk niet hoopgevend, wat betreft de te verwachten klandizie. Nu had ik wel om mij heen kunnen slaan, maar ik had zelf nog niet gezien, of het soms waar was.

Winkelinventaris

Binnengekomen zag ik een keurige, wat ouderwetse, winkelinventaris. Op de kop getikt bij een winkelier, die zijn winkelinventaris gemoderniseerd had. Er waren rekken met vakken, een toonbank en een etalage. Alles paste precies in de ‘gooi kamer’. De rekken waren geel met groene randen, echte snoepkleuren.

Ons dagelijks leven zou weer een nieuwe wending nemen.

Winkelgoederen

De toonbank stond vol met snoep, de rekken vol pakjes sigaretten en tabak. Op de toonbank stond ook een grote doos met sigaren. Die doos zou nog een grote rol gaan spelen bij de zakelijke activiteiten van mijn vader.
De winkel werd voornamelijk bestierd door mijn moeder. Zij deed ook de inkopen en zorgde voor het beheer van de liquiditeiten. Zij had een vrij eenvoudig systeem: Zorg dat je op tijd het geld binnenkrijgt, dat je al uitgegeven hebt. Een soort omgekeerde cashflow dus. Het hield wel stand.

Beste klant

Mijn vader, als hij thuis was en tijd had, sprong wel eens in bij de verkoop. Als een kind met 1 cent een snoepje kwam kopen, dan wachtte hij geduldig tot het kind na tien minuten een keuze had gemaakt en de winkel verliet.
Vervolgens dook mijn vader in de reeds genoemde sigarendoos en bediende zich van een sigaar van 2 cent. Wat tabaksartikelen betreft, was hij de beste klant. “Zo” zei hij dan” dat is weer verdiend”. Ook hier weer het omgekeerde patroon: Winst omzetten in kosten.

Concurrentiepositie 

Ik was met acht jaar te jong voor inschakeling bij de verkoop. Wel werd ik ingeschakeld in het marketing beleid. Ik moest een analyse maken van de concurrentie-positie. Naast snoep en tabak verkochten we knikkers, gebakken van aarde met een rood glazuurlaagje. De knikkers waren met de hand gevormd, dus niet altijd mooi rond en niet altijd even dik. Maar je kreeg een heleboel voor 1 cent.

Nu was in Obbeeg (Obbicht), in een ander deel van het dorp, eenzelfde winkel als die van mijn ouders. Zij verkochten ook aarden knikkers. Om de concurrentiepositie te bekijken, moest ik daar gaan spioneren om te beoordelen hoeveel knikkers ze voor 1 cent verkochten. Ik kweet mij van die taak en kon rapporteren, dat zij achttien knikkers voor 1 cent verkochten.
Nu was mijn vader misschien niet zakelijk, maar hij was wel resoluut. Hij nam een stuk witte karton en een potlood en schreef hierop met ferme, wat onbeholpen, letters: 19 knikers voor 1 cent. Het karton zette hij in de etalage. Dat cent goed was geschreven, was blijkbaar een meevaller.
Ik vond knikers wel een raar woord, maar wie was ik om mijn vader te corrigeren.

Moraal van het verhaal: Wie niet waagt, heeft niet gedurfd.

Pierre Swillens

Vluchtigheidjes (3)

11 Jul

Luxury

a horse
a horse
a horse
three horses in your stable

a dog
a dog
a dog
three dogs in your kennel

a wife
a wife
a wife
three wives in your bed

PS

Proposition

She´ll not make you a suitable wife. Do you like swapping?

Oost-Indische prietpraat

Peter pan die HBS staat poor die klas,
zijn tanden stijp op mekaar.
`Adoe toch`, zegt  meester

(en verder weet ik het niet meer)

Ook gehoord:
Waarom jij toch zo lopen pan “knor, knor”, ik toch geen parken ben.
Mijn haar rijs naar die berg.
Mijn tanden, zij pater.
Mijn hart, zij klopt pan “tar, tar” pan liepde poor jou.

Gedicht poor proege pogels.

Limburgs dialect

Gehoord in de wandelgangen:
Este hèm neudig höbst, zit hér te sjiete ….

Snelle mop

Twee bacteriën komen elkaar tegen in het darmstelsel van een hardloper. Een heeft duidelijk haast. Zegt de andere bacterie: “Waarom heb jij zo´n haast”?  Zegt de bacterie met haast: “Ik moet de poep van 4 uur zien te halen”.

Pierre Swillens

Dialect (13)

10 Jul

Registratie kerkbezoek

Misdienaarkoor

De Meister

In de derde klas van de Lagere School te Obbeeg (Obbicht) hadden we geen juffrouw, maar ‘eine Meister’ (onderwijzer, aangesproken als meester). Ik kan mij niet veel van hem herinneren, ook geen naam en toenaam en hoe hij eruit zag. Zo’n sterk figuur was het dus ook weer niet. Wel kan ik mij twee akkefietjes met hem herinneren.

Registratie kerkbezoek 

Onlangs zag ik tussen mijn papieren een rapport van de Lagere School, zowel van mijn schooljaren in Obbeeg  als die in Beeg (Grevenbicht). Ik vond het zo”n waardevol document, dat ik dacht, dat moet je ‘goed’ opbergen. Met het gevolg dat ik nu niet weet, waar dat ‘goed’ precies was. Had ik het maar laten liggen. Maar ja, het zal toch wel eens te voorschijn komen.

Opvallend in het rapport was, dat in de derde klas met de pen een aantekening was gemaakt, vermeldend “Kerkbezoek:  13 van de 57”. Wij waren dus geregistreerd voor kerkbezoek voor aanvang schooltijd, naar ik meen zonder voorkennis. De registratie was dus wettelijk illegaal. Gelukkig waren er geen sancties aan verbonden.
Trouwens, wie had men moeten sanctioneren, de scholieren, die de H.Mis ’s morgens spijbelden, of de ouders, die de kinderen niet wekten en niet aandrongen op kerkbezoek.  Gezien mijn geringe deelname zou je dit laatste moeten veronderstellen, ik had als achtjarige nog geen wekker.

Haringen halen ‘bie de Beut

Ik kan mij herinneren, dat de Meester mij op een morgen voor het begin van de les vroeg, waarom ik de H.Mis niet had bezocht. Vol vertrouwen vertelde ik hem de waarheid. Mijn moeder had mij gewekt en voor een boodschap gestuurd. Volgens haar korte termijn-planning wilde zij die dag haringen in het zuur zetten. Daarvoor had zij echter haringen nodig, dus ik moest die maar even halen. De haringen kregen bij haar een hogere prioriteit dan de H.Mis.

Waarheidsgetrouw meldde ik aan de meester: “Meester, ik moest een boodschap doen”. “Wat voor een boodschap, dan”, zei de meester, waarop ik kon antwoorden: “Ik moest haringen halen bie de Beut, meester”.
Je zag de ongeloof op zijn gezicht. Een boodschap vóór de H.Mis en nog wel haringen. En wie was de Beut? Dat laatste vroeg hij niet, want dan had ik hem kunnen antwoorden, dat de Beut gewoon Beuten heette, een genaturaliseerde Belg met een onbestemde winkel.

De meester liet het erbij. Hij kon niets met mijn vroege boodschap. Waarschijnlijk was hij het, die met genoegen de welsprekende aantekening Kerkbezoek: 13 van de 57 in mijn rapport had geschreven.

De aantekening in het rapport verdween overigens weer, ook hier zonder kennisgeving. Voortschrijdend inzicht had waarschijnlijk het onderwijspersoneel duidelijk gemaakt, dat de beoordeling niet op de schoolgaande kinderen betrekking had, maar op de al of niet matineuze ouders.

Misdienaarkoor

Het werd Kerstmis en de meester vertelde ons, dat hij een koor uit zijn klas ging vormen, die tijdens de Kerstdagen de H.Mis met gezang stichtelijk zou opvrolijken. Wij vonden dat een goed idee. Nadeel was wel, dat je tijdens alle missen aanwezig moest zijn. Voordeel was, dat het iets onbekends inhield.

De meester organiseerde een zang-tryout, naar ik meen in de kerk voor een juiste akoestiek. Wij hadden een kerstliedje ingestudeerd en dat dirigeerde hij. Plotseling stopte hij, wees naar de jongen naast mij en zei: “Ga jij maar naar huis”.
Je kunt van de meester zeggen, wat je wil, maar een goed gehoor had hij wel. Hij hoorde dat het gezang van de jongen naast mij net iets slechter was, dan dat van mij.
Ik was opgelucht, dat mij die schande van wegsturen was bespaard. Ik kreeg niet de indruk, dat de weggestuurde jongen er erg onder gebukt ging. Na de Kerstmis zou het ad-hoc-koor immers weer worden ontbonden.

Op de dag van optreden hesen we ons in echte misdienaargewaden.  Wij kregen een kijkje achter de schermen in de sacristie.
De gelovigen zullen het mooi hebben gevonden. De optredens werden niet herhaald en er zijn geen contracten uit voortgevloeid. Holland’s Got Talent bestond toen nog niet.

Pierre Swillens

Dialect (12)

6 Jul

Harie, de kapper

Winter- en zomerkapsel

Gooi kamer

Het Julianakanaal kwam gereed. De grondwerkers, alsmede de kostheren onder hen, waren verdwenen. Mijn ouders bezonnen zich op een nieuwe bron van inkomsten.
Nu hadden wij in ons huis aan de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht) een voorkamer aan de straatzijde. Deze kamer werd de ‘gooi kamer’ genoemd. Daarin stonden de betere meubels, voor een prikje op de kop getikt op een veiling. Zo herinner ik mij ongemakkelijk zittende pluche stoelen met fragiele ronde leuningen. Wij verbleven er nooit. Misschien op een feestdag als er bijzondere visite was. Het rendement van de kamer was dus vrij laag. De deuren bleven altijd dicht.

Dat moet mijn ouders aan het denken hebben gezet, want op zekere dag was de voorkamer een kapperszaak. Wij (mijn zus en ik) hadden er niets van gemerkt. De transformatie moet hebben plaatsgevonden, als wij naar school waren. En als we thuis waren, dan bleven de deuren toch dicht.

Wat was er gebeurd?

Ik heb reeds eerder in een Post verteld over Noonk Sjaak, de kapper. Noonk Sjaak had drie zonen en de oudste Harie was ook kapper. Waarschijnlijk loonde het niet om samen met zijn vader in Beeg (Grevenbicht) een kapperszaak te bestieren, dan wel zochten ze naar expansie. Maar dan wel in een ander dorp.
Tijdens een familieberaad moet het idee geopperd zijn om een kapperszaak in Obbeeg te beginnen, maar waar.  Vermoedelijk hebben mijn ouders daarop de voorkamer aangeboden. Wij werden in ieder geval niet bij de besluitvorming betrokken, in die tijd bestonden  er nog geen ondernemingsraden of andere overlegorganen.

Kapperszaak

De meubelen gingen uit de ‘gooi kamer’ en werden opgeborgen op de zolder. De kapperszaak werd ingeruimd, een scheerstoel, een scheerspiegel en enkele stoelen. Klaar was Kees, of liever gezegd Harie. Veel was er dus niet voor nodig.
Maar nu nog klanten. Die waren er helaas niet. Ik heb het nooit vol zien zitten. Harie moest bovendien per fiets van Beeg komen en aangezien er geen klanten waren, kwam hij onregelmatig. Met het gevolg dat, als er een klant was, Harie er niet was en omgekeerd als Harie er wel was, geen klanten. Kunt u het nog volgen?
Geen productieve zaak dus en de huuropbrengsten zullen navenant geweest zijn.

Jongenskapsels

Ik was toen in een leeftijd van zeven of acht jaar. Jongetjes droegen een winter- en een zomerkapsel. Bij een winterkapsel  mocht het haar groeien, lekker warm dus. Bij een zomerkapsel ging alles eraf, lekker koel dus. Om te laten zien, dat je haar op je hoofd had, bleef aan de voorzijde een pony staan, net zo iets als bij Mireille Mathieu bijvoorbeeld. Maar dan blond en met minder haar.  Het haar kreeg dan de tijd om weer bij te groeien en alleen de pony moest nu en dan worden getrimd.

Verandering van kapper

Ik weet bij God niet, wie in die dagen mijn haar knipte. Was trouwens maar tweemaal per jaar nodig. Ik denk Noonk Sjaak, want die bezochten we regelmatig.
Maar nu we de kapper in huis hadden, was de situatie duidelijk. Harie zou mij knippen. Er waren geen andere klanten en ik was traditiegetrouw toe aan het wijzigen van het winterkapsel in een zomerkapsel. Alles moest er toch af, dus veel te verprutsen viel er niet.

Fysieke marteling (start)

Klanten waren er niet, dus Harie had er alle tijd voor. En moeder wilde ook wel eens zien, hoe netjes ik werd geknipt.
Ik mocht plaatsnemen in de grote kappersstoel, en kreeg een royale kappersmantel om, die ergens in mijn nek werd ingestopt. In volle verwachting was ik benieuwd naar het resultaat. Dat kwam er snel, te snel naar mijn idee.

Harie nam een elektrische tondeuse, begon aan mijn achterhoofd en maakte een streep naar voren tot ter hoogte van het begin van de pony. Ik had dus een streep over mijn hoofd ter breedte van de tondeuse.

Zo, zei Harie, nu ben je klaar, deed mij de kappersmantel af en nodigde mij uit de kappersstoel te verlaten. Ik was even verpopzakt, maar aangezien mijn moeder niet protesteerde, nam ik aan dat het waar was.

Ik begon te bedenken, wat ze de andere dag op school zouden zeggen. Ik zou vast gepest worden met dat rare kapsel. Ik kon dan ook niets anders doen, dan in huilen uit te barsten. Ik had nog niet door, dat je het mikpunt van spot kunt zijn.

Als volwassene denk je, dat je meer had kunnen doen, dan huilen. Je had bijvoorbeeld Dank je wel kunnen zeggen en net doen, alsof je het een leuk kapsel vond. Tien tegen een dat moeder Harie gemaand zou hebben om te stoppen met die flauwekul. Maar zo slim was ik toen niet. Ik bleef huilen en dat is de meest passieve houding, die je kunt aannemen.

Fysieke marteling (vervolg)

Toen ik lang genoeg gehuild had, liet Harie mij weer in de stoel plaatsnemen, deed de kappersmantel om en nam de tondeuse. Hij maakte nu een baan, van rechts naar links, over het hoofd. De banen vormden nu een kruis.

Zo, zei Harie, dat is dan beter en herhaalde de handelingen, zoals eerder omschreven. Deze keer bleef ik in de stoel zitten,maar begon in mijn passiviteit weer te huilen. De gedachten aan de school waren nog schrikbarender met dat vreemde kruis op mijn kop.
Al die tijd bleef mijn moeder meegenieten. Zij beschouwde het als en deel van mijn opvoeding. Daar wordt hij hard van, zal zij gedacht hebben, als ze tenminste iets gedacht heeft.

Fysieke marteling (einde)

U begrijpt het, aan alles komt een einde, ook aan hangen. Toen de lol er een beetje af was en de tortuur te lang had geduurd, werd ik bijgeknipt met een ordentelijke pony. Als meevaller hoefde ik niet te betalen, althans ik zag geen afrekening. Misschien ging het wel met gesloten beurzen.

Epiloog

Je kunt als volwassene een kind behoorlijk onder druk zetten, vooral omdat ze zich niet kunnen verweren. Als ik de leeftijd gehad zou hebben om Harie een welgemikte peer te verkopen, dan waren de verhoudingen in evenwicht geweest. Nu kon ik maar wat huilen, hetgeen de hilariteit nog vergrootte.

Uiteindelijk heb ik het Harie en mijn moeder niet lang kwalijk genomen. Het leven ging verder en misschien was ik er wel sterker van geworden. Het werd een incident, waar om werd gelachen.

U begrijpt wel, dat wegens gebrek aan klanten de kapperszaak van Harie geen lang leven was beschoren. Hij heeft mij maar een keer geknipt, net genoeg.

Moraal: Van je familie, moet je het niet hebben (Harie z.g. was een volle neef).

Pierre Swillens

Dialect (11)

4 Jul

Broodje – klootje

Kadetbezorger

In zo’n dorp als Obbeeg (Obbicht) maakte je wel wat mee. Zo heb ik een herinnering aan een kadetbezorger. Een jongen van een jaar of veertien, vijftien, blond en een beetje gezet.
Hij kwam met verse kadetjes langs de deur. Nooit meer heb ik zo’n lekkere kadetjes gegeten. Niet die slappe, langwerpige van nu, maar een knapperig bolletje. Een kadetje kostte twee cent. Mijn moeder kocht er voor een dubbeltje vijf. Dan hadden we er ieder een en een was om te verdelen.

Bakker in Lindenheuvel

Zijn vader was een bakker in Lindenheuvel. Misschien was het niet eens een bakker, maar een broodbezorger, die zijn waar bij de bakker haalde en doorverkocht. Er waren ook bakkers, die de boer niet opzochten.

Bakfiets

Zijn zoon moest op vaste dagen kadetjes in de omliggende dorpen slijten. Hij bediende zich hierbij van een stevige fiets met een mand voorop, vol met kadetjes. Dat was geen sinecure, want hij moest heel wat dorpen affietsen. Als hij bij ons in Obbeeg kwam, dan had hij Urmond, Berg a/d Maas en Nattenhoven al gehad. Wat hij na Obbeeg deed, weet ik niet.

Hilariteit

Op zekere dag viel hij op. Hij droeg als jongeman een korte broek. Daarbij droeg hij steeds dezelfde broek. Door het vele fietsen was die in het kruis versleten en toonde ter plekke een scheur. Nu deed zich het voorval voor, dat zijn zaakje, voor zover de ballen, door de scheur een uitgang had gezocht. Hij had kennelijk geen onderbroek aan. Dat was niet zo verwonderlijk, want ik had er ook geen. Jongensonderbroeken bestonden er toen niet, of kwamen niet in onze kringen voor. Gelukkig had ik geen scheur in mijn broek.

Flipperkast

De jongen had het in de gaten en voelde zich er ongemakkelijk bij. Hij probeerde iedere keer het zaakje terug te frommelen, maar als hij op de stoel bewoog, dan kwam er weer een bal te voorschijn. Het was net als een moderne flipperkast, daar komt ook steeds een nieuwe bal te voorschijn.

Rustpauze

Maar toch bleef de kadetbezorger  zitten. Veel gespreksstof had hij niet, als hij maar mocht blijven. Mijn moeder had hem al getrakteerd op een glas water, dat hij gretig opdronk. Dorst had hij wel.
Bovendien was hij ontdaan door zijn hopeloos gevecht met de scheur. Ik had wel een beetje medelijden met hem. Zo jong en dan al moeten werken. In mijn optiek ging je met werken vroeg dood.

Toornige vader

De kadetbezorger zat er misschien al een uur. Een tweede glas water had hij niet afgeslagen. Ik vond dat zijn rustpauze wel wat lang duurde. Bovendien zat hij er ongemakkelijk bij, ‘al flipperkastend’.

Plotseling werd er aan de voordeur gebeld of hard geklopt. De bezoeker stelde zich niet  voor, maar vroeg of de kadetbezorger aanwezig was. Een overbodige vraag, want zijn bakfiets stond tegen de gevel.
Na een bevestigend antwoord van mijn moeder, stormde hij ons huis binnen en sleurde de kadetbezorger naar buiten. Hij kafferde de jongen onmenselijk uit en dwong hem onmiddellijk zijn fiets te bestijgen om de resterende kadetjes te verkopen. Hetgeen de jongen zonder morren deed, de scheur zei hem niets meer.

Wat was er gebeurd?

De kadetbezorger was met steeds meer onverkoopbare kadetjes thuis gekomen. De vader kreeg een vermoeden dat zijn zoon niet meer zijn best deed. Hij zat liever op een stoel, dan op die rotfiets.
Op zekere dag ging de vader op controle uit en fietste of reed de route na van zijn zoon. En ja hoor, daar stond de bakfiets in Obbeeg tegen een gevel. Dat het toevallig ons huis was, interesseerde hem niet. Dat de fiets er stond, was voldoende om werkweigering te veronderstellen. Zijn zoon hoorde op die fiets te zitten, ook als deze tegen de gevel stond. Hij had de oplossing van het raadsel van de onverkoopbare kadetjes, inactiviteit van zijn zoon.

Epiloog

Jammer genoeg kregen we geen verse kadetjes meer. de kadetbezorger kwam niet meer aan de deur. Waarschijnlijk had zijn vader hem verboden ons als klant te bedienen. Wij hadden immers meegewerkt aan zijn werkweigering.

Ik zag de jongen nog wel eens fietsen op zijn werkdag. Hij groette wel, maar meed ons huis. Ik zag ook, dat hij een nieuwe broek aanhad, waarschijnlijk tot de volgende scheur.

Wij dachten nog vaak aan de kadetbezorger, want wij misten zijn verse kadetjes en met instemming van ons moeder hadden wij hem de weidse naam ‘broodje-klootje’ toebedacht.

Moraal: Werkweigering loont alleen, als er geen controle is.

Pierre Swillens