Archief | juni, 2012

Vluchtigheidjes (2)

29 Jun

Warning

Don’t listen to a

small talk of a politician

soft talk of a Presbytarian

bussiness talk of a salesman

punish talk of a policeman

money talk of your wife, but

enjoy life

PS

Leedvermaak

Gezien op TV
Duitsland – Italië 1-2

Dialoog

Hij komt thuis.
Hij: =rT?
Zij: FFZZ

Hij is al langer thuis.
Zij: FFpijpe?
Hij: Nee,FFlulle

Toevalligheden

Hij heet Super
Zij heet de Boer
Samen heten ze Super de Boer

Hij heet Sode
Zij heet Mieters
Hun kinderen: sodemieters

Hij heet Mieterstjes (hij heeft bovendien een prima baan)
Zij heet Magertjes (zij heeft bovendien anorexia )

Maastrichtse anekdote

Jaren geleden vertelde een rasechte Maastrichtenaar z.g. een anekdote, wat een waar gebeurd verhaal zou zijn. Op de Boschstraat woonde een huisdokter. Op zekere dag vervoegt Sjengske zich bij hem en zegt: “Menier de dokter, hey is de zeik van meer” (de plas van moeder). De dokter vindt dit grof. Hij weet dat Sjengske een ouder broer heeft en zegt: “Kon Lewieke dat niet brengen”. Waarop Sjengske riposteert: “Nei menier de dokter, dae is te astrant in de moul” (te brutaal in de mond).
Het kon dus erger.

Pierre Swillens

Advertenties

Floriade 2012 (1)

28 Jun

De moeite waard voor een dagje uit

Meer natuur dan in je eigen tuin

Bereikbaarheid

Samen met onze vrienden, Mia en Joop, bezochten we de Floriade 2012 de wereldtuinbouwtentoonstelling in Venlo. Het terrein van de Floriade is gunstig gelegen , grenzend aan de snelwegen A67 en A73 (entree). Per auto en touringcar goed bereikbaar.
Wat ons opviel was de degelijke organisatie. Aan alles was gedacht. Zo liggen de parkeerplaatsen van auto’s op een groot terrein, te bereiken via een afslag van de A73 en op een afstand van 3,3 kilometer van de ingang. Pendelbussen zorgen  voor vervoer naar en van de entree. In ons geval verliep dat voortreffelijk. En dan te bedenken, dat men rekent op 10.000 tot 35.000 bezoekers op een dag.

De pendelbussen brengen je naar de entree, zeg maar aan de oostzijde van de A73-snelweg. Dichtbij de entree zijn de parkeerplaatsen van de touringcars en taxi”s en een fietsenstalling. Bij het entreegebouw kan men tickets kopen en rolstoelen en scootmobiels huren. Bezoekers met online-tickets, zoals in ons geval, kunnen direct doorlopen.

Via een moderne voetgangersbrug, waarvan men zich kan afvragen of deze permanent is, steekt men de A73 over en komt men in de entreehal van het Floriadeterrein.

Boots of the Hunter

floriade 2012

The Boots of the Hunter

Op weg naar de entreehal op het Floriade-terrein stonden een paar reusachtige laarzen opgesteld, aangeduid als The Boots of the Hunter. Oorspronkelijk is dit een ontwerp van de kunstenaar Pii Daenen. Laarzen met een aureool bekroond, als een hommage aan tuinders en boeren enerzijds en jager anderzijds. Pii Daenen noemt zijn ontwerp Agrarian, rubberlaarzen bekroond met een aureool in de vorm van TL-buizen. Dit kunstwerk is in het bezit van het Museum van Bommel van Dam.
Cultuurbedrijf maakte een 6 meter hoge uitvergroting van deze laarzen.

Innova Plaza

floriade 2012

Raywaver windturbine

Op het terrein voor de entreehal, met de weidse naam Innova Plaza, ontdekten wij iets, dat op een kunstwerk leek. Maar het was geen kunstwerk, maar een heuse windturbine voor energie-opwekking. Het geheel bestond uit een mast met Led-straatlampen, zonnepanelen en een verticale windturbine. De mast kan ook uitgebreid worden met een opslagmogelijkheid voor elektriciteit. Op het Floriadeterrein staan twee van deze exemplaren, vervaardigd door Raywaver met het oog op duurzame energie.

Innova-toren

floride 2012

Innova-toren

Duidelijk bedoeld als blikvanger voor de Floriade 2012 is de Innova-toren. Deze toren is van verre zichtbaar, 70 meter hoog en twaalf verdiepingen tellend. Het gebouw is ontworpen door de architect Jo Coenen en heeft 26 miljoen Euro gekost. Het is de bedoeling dat het gebouw na de Floriade huisvesting gaat bieden aan bedrijven en instellingen, die zich bezig houden met de verdere ontwikkelingen in land- en tuinbouw (en logistiek) in de regio Noord-Limburg.
Op de foto van de Innova-toren is nog een gedeelte van de voetgangsbrug te zien.

Floriade Plaza

Vanuit de entree van het park komt men op de Floriade Plaza, een onderdeel uitmakend van het themagedeelte Environment. Op dit middengedeelte van het park bevinden zich tuinen en een bos, het Vriendenbos, alsmede een aantal paviljoens, zoals Nederland bloeit, Rabo Eartwalk, the Dome, Duitsland en Azerbaijan.

floriade 2012

Ideeën van groen binnen de woning

Een opvallend paviljoen was van ‘7922 ondernemers maken wonen natuurlijk’. In dit paviljoen had men met ideeën tot uitdrukking gebracht, hoe groen binnen het dagelijks leven was te integreren. Of dit daadwerkelijk in de praktijk kan worden gebracht, waagt men te betwijfelen. Het lijkt meer op picknicken op een bostafel.

Onderstaand nog enkele indrukken van paviljoens.

floriade 2012

Paviljoen van 7922 groenondernemers

floriade 2012

Duits paviljoen

floriade 2012

Paviljoen van Azerbaijan

Bekijk mijn foto’s, gepubliceerd op Flickr als Floriade 2012 – set 1 (klik hier)

(wordt vervolgd)

Dialect (9)

27 Jun

De sjink is mich in ut water gevalle

De Maas is oet

Paaszaterdag

Wij verhuisden dus naar de Beekstraat in Obbeeg (Obbicht). Dit was een mooi huis, pas gebouwd met veel tuin (moestuin in dit geval). Tegen de zuidgevel groeide zelfs een abrikozenboompje. Daar kwam helaas één abikoos aan, maar niemand anders had een abrikozenboompje.
De omgeving van het huis was zo groot, dat je als kind er de hele dag kon spelen. Bovendien was er een schuurtje met veel oud materiaal. Als er andere kinderen waren, kon je er allerlei gefantaseerde spelletjes doen, zoals doktertje spelen.

De tuin werd op Paaszaterdag gebruikt op er paaseieren te verstoppen. Die mochten mijn zus en ik dan zoeken. Je kreeg wel eerst een raar verhaal te horen, dat de kerkklokken terug waren, omdat de tijd van de Vasten voorbij was. De kerkklokken hadden paaseieren meegebracht en deze gemakshalve in de tuin verstopt. We wisten dat er paaseieren te vinden waren, dus elk verhaal was voor ons goed.

Wij kregen allebei een grote mand. Dat was bedrieglijk, want er waren zoveel eieren te verwachten, dat deze onmogelijk voor ons beiden zouden zijn. Je raapte dus ook voor anderen. Bovendien moest ik mijn geraapte eieren, delen met mijn zusje. Die was jonger en trager in het zoeken. Daarbij zocht ze op plaatsen, waar geen eieren konden liggen. Ik zag in mijn ooghoeken, dat mijn ouders mijn zusje met enig geweld in de richting van een verborgen paasei duwden, anders had ze er nog geen. Later merkte ik, dat ze achter me aanliep om de eieren op te rapen, die ik in mijn haast liet vallen. Goedkoop rapen dus.
De eieren werden door iedereen opgegeten, ook door visite.

Water in de kelder 

Het huis had een makke. Als de Maas weer eens ‘oet’ was, dan steeg het grondwater. De kelder was niet waterdicht. Het gevolg was, dat er wel een meter grondwater in de kelder kwam.  In het begin hadden mijn ouders daar geen rekening mee gehouden. Het hoorde tot de verborgen gebreken, daar de huisbaas die dat wel moest weten, want hij had er gewoond, wijselijk zijn mond had gehouden. Anders had hij misschien iets van de huurprijs af moeten doen.

Alles wat los zat, ging drijven, zelfs de houten keldertrap kwam omhoog. Ik ging er wel eens op staan en dan zakte de trap. Meestal meed ik de kelder, want scheepjesvaren was er niet bij. Het water bleef een hele poos staan en zakte en steeg analoog aan het grondwaterpeil.

De sjink

Toch bleef de kelder mij bij. Op het droge trapportaaltje hing een rek en dat gebruikte mijn ouders als proviandrek. Zo lag er ook het brood. In die tijd at men vier keer per dag, waarvan drie broodmaaltijden. Ik moest dus vaak het brood uit de kelder halen en terugbrengen. Nu deed zich vaak het feit voor, dat het brood uit mijn handen glipte en in het water verdween. Als ik het brood moest halen, dan moest ik dat natuurlijk melden. Dan kreeg ik op mijn donder en werd subiet naar de bakker gestuurd. Die was gelukkig 24 uur geopend.
Als ik het brood moest wegbrengen en het viel in het water, dan meldde ik niets. Ik kon dan de volgende keer zeggen, dat er geen brood meer was. Soms trapte mijn moeder erin. Naar de bakker moest ik toch.

Naast het brood dat er lag, hing er ook een gedroogde halve varkenskop. Als er geen beleg was, hetgeen vaak voorkwam, werden er enkele repen wangspek van af gesneden. Veel zat er niet aan zo’n kop. Bovendien was het een halve, waar de andere helft gebleven was, weet ik niet.

Nu deed zich het feit voor, dat ik bij het halen of wegbrengen van die varkenskop, deze uit mijn handen liet glippen. De kop belandde naast het brood in het water.
Ik moest dit wel melden aan mijn moeder, dus ik zei beteuterd: “Mam, de sjink is mich in ut water gevalle”. Wel een wat weidse naam voor een varkenskop. Maar ja, wist ik toen hoe dat ding heette.

Gelukkig was er algehele hilariteit om het woord ‘sjink’. De gebruikelijk reprimande bleef dus uit. Bovendien had de varkenskop nauwelijks waarde. Als meevaller hoefde ik niet direct naar de slager voor een nieuwe.

Gerechtsprocedure

Ofschoon ik niet bij de besluitvorming werd betrokken, kreeg ik in de gaten dat mijn ouders met de huisbaas in conflict waren gekomen. Dit liep zo h0og op, dat het zelfs gerechtelijk werd uitgevochten.
De huisbaas kreeg wettelijk schadevergoeding voor de wateroverlast. Mogelijk was deze schadevergoeding bedoeld om in de droge periode de kelder waterdicht te maken. De huisbaas deed echter niets. Mijn ouders meenden er eerder recht op te hebben. Zij hadden immers de overlast van het water in de kelder, waardoor deze maanden niet gebruikt kon worden. Bovendien realiseer ik mij nu, dat ik er meer last van had gehad dan de huisbaas. Ik was dus belanghebbende.

Wat de rechter beslist heeft, weet ik niet. Ik vermoed dat mijn ouders aan het kortste eind hebben getrokken. Met de huisbaas kwam het niet meer goed.

Pierre Swillens

Finland

23 Jun

Een goede buur is beter dan een verre vriend

Markku

Markku was een Fin. Sterk als een beer, maar ruw en onbeholpen. Familie had hij wel, maar die zag hij nooit. Van sommigen wist hij zelfs niet, of ze nog in leven waren. Vrienden en kennissen had hij ook niet. Hij was, wat je zou noemen een echte Finse ´Einzelgänger´.
Op zekere dag had Markku genoeg van zijn buren. Hij kon er niet meer tegen, om omringd te zijn door andere mensen. Hij kocht een groot bijl en een groot mes, nam voor enkele dagen proviand mee en ging op pad. Hij zou zich een nieuwe bestemming zoeken. Ver van de bewoonde wereld en vooral zonder buren.

Blokhut

Na dagen wandelen door het bos vond Markku wat hij zocht. Een snelstromende rivier, vlak bij de bosrand. Voldoende hout voor het bouwen van een hut voorhanden. Water in overvloed.
Markku bouwde het eerst een blokhut. Niet groot, want hij zou toch de meeste tijd buiten wonen. Maar voldoende groot om te slapen en om ´s winters te verblijven.

Al snel had Markku geen idee meer van tijd. Hij ging slapen als het donker werd en hij stond op als het weer licht werd. Hij had ook geen notie meer van welke dag het was. Hij hoefde ook niet meer naar de Lutherse dienst, dus de zondag was voor hem een gewone werkdag. Markku vond het goed zo, als hij maar geen buren had.

Overleven

Markku moest wel in leven blijven. Dat had hij zich de eerste dag al gerealiseerd. Hij had snel gezien, dat de rivier vol vis zat, forel nog wel. En hij zag dat de forel stroomopwaarts trok. Daarbij moesten ze de trappen in het water al springend overwinnen.
Markku nam een lange stok en ging langs de rivier zitten bij zo´n trap. Na enige missers lukte het hem een springende forel uit de lucht op de kant te zwiepen. Hij veranderde daarbij wel de route die de forel in gedachten had, maar dat deerde Markku niet. Hij wist dat voortaan vis op zijn menu stond.
Hij had geleerd om van twijgen een mand te vlechten en daarin bewaarde hij de dode vis. De mand plaatste hij aan de kant in het water, zo bleef de vis in zijn element.

Maar er waren ook dagen, dat de forel niet ´trok´. Dan veranderde Markku van tactiek, van visser tot jager. Hij had een boog gefabriceerd, waarmee hij pijlen op nietsvermoedende dieren kon afschieten. Markku zat dan dagenlang onbeweeglijk in het bos.  Het wemelde er van de herten en reeën. Als er dan zo´n onschuldig reetje in zijn schootsveld kwam, dan sloeg (beter gezegd schoot) Markku toe.
Het reetje kwam voor de eerste keer met de beschaving in aanraking. Maar daar had Markku geen boodschap aan. Reetjesvlees was mals en goed te bewaren. Als het vroor stopte Markku het reetjesvlees in de door hem gebouwde deepfreezer. Zo kon hij er weer een tijdje tegen.

Buren

Zo leefde Markku ongestoord en ongedwongen. Het was goed zo. Maar op zekere dag kwam daar verandering in. Hij zag een bewerkt stuk hout in de rivier voorbij drijven.. Verhip, dacht Markku op zijn Fins: `Ik heb buren en dat mot ik niet`.

Hij nam zijn bijl en de mand met vis en ging op zoek stroomopwaarts naar zijn naaste buur. Hij liep dagen totdat hij plotseling bij een blokhut kwam, die op de zijne leek. De blokhut behoorde toe aan Erkki. Erkki had eigenlijk hetzelfde idee gehad als Markku. Qua instelling zouden het bloedbroeders kunnen zijn.  Erkki had echter de pech dat hij stroomopwaarts woonde en Markku geen buren duldde.

Markku zei nog wel Sorry op zijn Fins, maar beëindigde het verblijf van Erkki. Van het spreekwoord ´Een goede buur is beter dan een verre vriend´ had Markku nog nooit gehoord. Erkki trouwens ook niet, maar die had er niets meer aan.

Voldaan ging Markku terug naar zijn blokhut. De vis was op, maar dat deerde hem niet. Hij had tenminste stroomopwaarts binnen 100 km. geen buren. Of dat stroomafwaarts ook zou zijn, boeide hem niet. Daar zag hij geen bewerkt hout van.

Epiloog

Markku leefde nog lang en gelukkig aan de rivier. Tot hij op een dag weer bewerkt hout langs zag drijven. Maar dat deed Markku niets meer. Hij had geen fut meer om op zoek te gaan. Hij wist dat hij zich binnen niet al te lange tijd stroomafwaarts zou laten drijven. Dan wist zijn eerste buurman stroomafwaarts, dat hij stroomopwaarts geen naaste buur had. Markku had oog voor details.

Pierre Swillens

Dialect (8)

22 Jun

Obbeeg

Beekstraat

Verhuizing 

Daar ben ik weer. Eerder heb ik reeds verteld, dat we in Obbeeg (Obbicht) zijn verhuisd van de Maasstraat naar de Beekstraat. Ook hier huisnummer onbekend. Ik moet toen zes jaar geweest zijn.
Het was wel een mooi huis, pas gebouwd. Mijn ouders moeten de eigenaars hebben gekend. Toen dezen verhuisden naar een andere woning in Geleen-Lutterade, kregen mijn ouders het huis als huurhuis aangeboden.

Achter het huis was een riante moestuin, daarin teelde mijn vader allerlei groenten. De tuin grensde aan de Kingbeek, die ontsprong in de Hoge Berg, tussen Obbicht en Nattenhoven. Het water was dus nog betrekkelijk vers. Alleen kwam je van de tuin moeilijk in de beek, omdat de tuin begrensd werd door een berm. In die tuin beleefde ik in mijn fantasie hele veldslagen, gebruikmakend van de beek zelfs zeeslagen.

Blote voeten

’s Zomers exploiteerde ik de beek door er doorheen te waden op blote voeten. Jammer genoeg, kieperden bewoners gebroken glas in de beek. Kennelijk was dat de dichtstbijzijnde stortplaats. Ik kwam dan ook wel eens met een jaap in mijn voet thuis.
Steriliteit stond niet hoog in het vaandel en ik kan mij herinneren, dat dit steeds uitmondde in bloedvergiftiging. Sodabaden bleken dan het wondermiddel. Na enkele bloedvergiftigingen vermeed ik de beek op blote voeten.

Teer-oven

Op blote voeten lopen, bleef ik toch doen, maar dan buiten de beek. Ik kan mij herinneren, dat de ‘kantonneer van Obbeeg’, die verantwoordelijk was voor het onderhoud van alle gemeente-eigendommen, onderhoud gepleegd had aan de Dorpsstraat. Hij gebruikte hiervoor een teer-oven. Het teer moest immers worden gesmolten om vloeibaar uitgesmeerd te worden. De oven werd gestookt met steenkool.
Wanneer ze klaar waren, werd de gloeiende as naast de weg gekieperd om af te koelen. Zolang de hoop roodgloeiend was, bleef je uit de buurt. Naarmate de hoop afkoelde, verscheen er een donkere aslaag op.

Toen, naar mijn inschatting, de hoop voldoende afgekoeld was, probeerde ik dat uit met mijn blote voeten. Dat bleek tegen te vallen met het gevolg, dat ik met twee verbrande voeten naar huis moest. Waarschijnlijk weer in het sodabad.

Moraal 1: Ga niet altijd af op de schijn, maar test eerst de werkelijkheid.

Fietsje

Mijn fietsje ging mee. Ik kreeg nu een nieuw gebied om te exploiteren. De Kingbeek liep achter onze tuin langs, maar een eind verderop langs de straat. De gemeente had de straat van de beek afgeschermd door middel van een muurtje, dat van boven halfrond was afgedekt met cement.
Deze afdekking was op straathoogte, dus je kon er vanaf de weg makkelijk op fietsen en je weg vervolgen via het muurtje. Dat vereiste wel enige vaardigheid en vaak belandde ik in de beek. Dat leverde een nat pak op, al had je aan een blouse en een korte broek niet veel pak. Het fietsje kon er tegen, dat viste je uiteindelijk uit de beek.

Moraal 2: Fiets altijd over betrouwbare paden.

Boodschappen

De verhuizing had wel een vervelend neveneffect voor mij. In mijn eerdere ‘Posts’ heb ik verteld over de kruidenierswinkel ‘bie Betje’, die naast onze toenmalige woning in de Maasstraat lag. Mijn ouders wilden Betje niet ontrouw worden voor de boodschappen, waarschijnlijk hadden ze daar een gunstige betalingsregeling. Ik was dus de klos, met briefje en fietsje boodschappen doen ‘bie Betje’.
Hierbij moest ik gebruikmaken van een grote boodschappentas, van wasdoek. Tas was bijna zo groot als de fiets. Als ik de tas aan het stuur hing, dan kwam een punt tussen de spaken en de voorvork. Daar ik de tas altijd rechts aan het stuur hing, was de linkerpunt aan de voorzijde van de tas altijd de klos.

Na enige boodschappenrondes was er geen linkerpunt meer, daar was een gat. Betje onderkende dit en legde vaak papier over het gat, maar dat bleek niet altijd afdoende.

Toen ik met de boodschappen terugkwam en mijn moeder de inhoud inspecteerde, zei ze: “Waar zijn de eieren en de zeep?” Ik had die onmogelijk onderweg verdonkeremaand. Als het snoep was geweest, mogelijk wel.
Ik had er ook geen verklaring voor en reed maar terug naar Betje om daar de zaak te onderzoeken. Maar ik hoefde niet ver terug te rijden, want plotseling zag ik om de meter een geklutst ei op de weg en een stuk zeep. Dat laatste was het enige, dat er nog te redden viel.
Vreemd genoeg, moest ik met zelfde tas boodschappen doen, dus ik ben nog vaker iets kwijtgeraakt. Mogelijk dachten mijn ouders een nieuwe tas is toch weer zo kapot.

Moraal 3: Als je gebruikmaakt van hulpmiddelen, inspecteer eerst of ze voldoen.

Epiloog

Gelukkig werd mijn zusje rijp voor een fietsje. Zij kreeg mijn fietsje als afdankertje en ik kreeg een jongensfiets.
Het eerste wat mijn zusje deed, was met het fietsje rijden over het muurtje langs de beek. Dat had ze al lang willen proberen. Ze kwam met een natte jurk thuis.

Dat fietsje, wat had ik dat graag bewaard. Nu tachtig jaar later zou ik het een prominente plaats geven, desnoods aan het plafond. En met een groot bord met ‘Mijn eerste fietsje‘.

Pierre Swillens

De juiste strafschop nemen

18 Jun

Aan te leren of niet

Methode Swillens

Belang van een strafschop

Vooral in professioneel voetbal is het benutten van een strafschop belangrijk. In het niet-professioneel voetbal ook wel. Maar daar zijn vaak de financiële consequenties minder belangrijk.
Wat zou er gebeurd zijn, als Arjan Robben de strafschop niet mist in de finalewedstrijd van de Champions League tussen FC – Bayern München en Chelsea FC. Ja als, had Robben de strafschop maar genomen volgens de methode Swillens. Dan was hij (de strafschop) er geheid in gegaan.

Methode Swillens

Wat is dan de methode Swillens? Laat ik het u uitleggen. Eerder in mijn ‘Posts’ heb ik geschreven over de voetbalclub Armada uit Grevenbicht. Zelfs in mijn laatste ‘Post’ over Toon Hermans nog.
Jarenlang heb ik in die club gespeeld, meestal als eerste doelman. Ik kon een redelijke strafschop nemen, maar toen ik als doelman er een miste, en onder hoon het hele veld moest teruglopen, toen besloot de leiding dat ik er maar mee moest stoppen (niet met keepen, maar met strafschoppen nemen).

Nu wil het toeval dat de club gedurende een langere periode niet over een trainer beschikte. Waarom, weet ik niet meer. Wel weet ik, dat de leiding mij vroeg of ik de spelers van het eerste en tweede team een paar avonden in de week op het veld zoet wilde houden. Ik heb dat geaccepteerd, ofschoon ik niet goed wist hoe ik dat moest invullen. Vooralsnog deed ik maar wat. Vooral datgene wat ik mij herinnerde van mijn eigen trainingen. Beginnen met een aantal rondjes rond het veld en eindigen met een partijtje. Er tussen door wat oefeningen. Maar welke?
Een aantal weken heb ik dat volgehouden. Zo lang, dat ik zelfs een eervolle vermelding kreeg op de jaarvergadering. Over het nut werd niet gesproken. Maar het had mij wel iets opgeleverd.

De juiste strafschop volgens de methode Swillens

De theorie 

Tijdens eeen van die trainingsavondjes trainde ik met de aanwezige spelers het nemen va strafschoppen. Dit bleek een schot in de roos, voor mij althans.
Allereerst had ik een theorie ontwikkeld, waar ik nu nog niet van weet waar die vandaan kwam. Mogelijk had ik van een trainer wel iets gehoord over het nemen van strafschoppen, maar doorgaans wordt  op een training daaraan weinig aandacht besteed. Het gevolg is, dat Nederlanders slecht zijn in het nemen van strafschoppen.
Maar voor die theorie heb ik hulp gehad. Ik zal niet zeggen van Boven, want dat lijkt me een tikkeltje overdreven. Maar soms kan iets je gedachten besturen. Dat zeggen bankrovers ook, dus abnormaal is het niet.

De praktijk

Na de theoretische inleiding deed ik eerste strafschop voor, uiteraard volgens mijn eigen theorie. Hard in de rechterhoek, 45 cm vanaf de grond en 5 cm vanaf de rechterpaal (voor de kijker, doelman, links). Mooier kon niet en redelijk als onhoudbaar te kwalificeren.
Wat de spelers er terecht van brachten, weet ik niet meer. Ik weet zelfs niet, of ik erop gelet heb. Het was immers bezighouden.

Toen moest ik de strafschop aan de andere kant voordoen. U gelooft het niet. Hard in de linkerhoek, 45 cm vanaf de grond en 5 cm vanaf de linkerpaal (voor de kijker rechts). Met de hand op mijn hart, het is geen fabeltje en ook geen cm. gelogen.

Ik hoorde wat goedkeurend gemompel om me heen. Een van de spelers vroeg mij: “Heb je er wel eens een gemist”. Ik was te laf om hem bevestigend te beantwoorden. Ik was ook te laf om hem te vertellen, dat ik ze zo nog nooit getrapt had.

Later bleek dat ik ze zo nooit meer zou kunnen trappen. Door verhuizing van Grevenbicht naar Maastricht stopte ik op 30-jarige leeftijd met voetballen.

Het Licht

Iemand of iets moet mij geholpen hebben, zowel bij de theorie als de praktijk. Ik had het gevoel, dat ik het Licht had gezien. Niet het Licht van Boven, want voetbal is wel oorlog, maar geen religieuze bezigheid. Ik noem het maar het Licht van de juiste strafschop.

Gemiste strafschoppen

Als ik nu naar voetbal op TV kijk, dan veer ik op als er een strafschop moet worden genomen. Zal de speler hem missen, de keeper hem stoppen. Vaak voorspel ik of hij er wel of niet ingaat en dan heb ik altijd 50% kans.

Maar wat mij ook wel verbaast, is dat ook gerenommeerde spelers wel eens missen. Robben vooral, maar ook Ronaldo en Messi.

Zo zag ik laatst een belangrijke wedstrijd tussen Brazilië en Paraguay in het kader van een of ander Zuid-Amerikaans kampioenschap. Brazilië presteerde het om drie strafschoppen op rij te missen. Een hoog over, een ver naast en een gestopt. Je zou toch aannemen, dat zulke profs weten wat een juiste strafschop nemen is.

Ik denk dan altijd waarom bellen die lui mij niet. Het is toch simpel, alleen je moet wel het Licht van de juiste strafschop hebben gezien.

Epiloog

Ik ben daarom beschikbaar voor elke (bonds)coach van een professionele voetbalclub, en desgewenst van een niet-professionele voetbalclub, om het geheim van mijn theorie en praktijk van de juiste strafschop uit de doeken te doen. En dan ga ik voorlopig niet verder dan de vergoeding voor gemaakte onkosten.
Jullie zullen wel zeggen, nu weten we nog niet wat de methode Swillens inhoudt. Dat is waar, maar als ik dat hier uit de doeken doen, dan belt niemand. Laat Bert maar bellen.

Pierre Swillens

Toon Hermans

16 Jun

Toon als artiest

Toon op het podium

toon hermans

Toon  Hermans

Toon Hermans heb ik tweemaal van nabij meegemaakt, eenmaal als artiest, eenmaal als privé.

Laat ik beginnen met Toon als artiest.

Toon trad in 1941 op in de Patronaatszaal in Grevenbicht, waarschijnlijk uitgenodigd door de plaatselijke voetbalclub Armada. Ik kan mij tenminste alleen maar voetballers onder het publiek herinneren. Waarschijnlijk was Toon blij met elke gage. Verder kan ik mij geen andere artiesten herinneren, ook geen muzikanten. Wie zou dat immers moeten betalen. Zijn vriendin Gertie van Houdt heb ik ook niet gezien.

De berooide dichter

Toon speelde verschillende sketches o.a. het Buziau-achtige ‘de berooide dichter’. Teksten kan ik mij niet meer herinneren. Wel staat mij helder voor de geest, dat tijdens de conference een lid van de voetbalclub, later werd hij zelfs hoofd der school in een Limburgs dorp, een geldstuk in de richting van Toon wierp. In de oorlog had je zinken munten,  dus het zal wel hooguit een dubbeltje geweest zijn. Maar zijn actie werd door anderen gevolgd, ik vermoed meestal met centen. Ik deed er niet aan mee, want zelfs die had ik niet. De entree was meen ik gratis voor leden van de voetbalclub.
Toon deed alsof hij het leuk vond. Hij draaide zich om op het podium en maakte met zijn rechterhand gebaren om maar te blijven gooien. Misschien zag hij het als een aanvulling op zijn gage.

Toon als dienstbode

Bij een andere sketch trad Toon op als dienstbode. Hij had een konijnenvacht om zijn hals. Dat noemde hij “Echt Lapin”.

Sittard

Tijdens een sketch hekelde hij het dagelijks leven in zijn woonplaats Sittard. Hieruit kan ik mij nog een zin herinneren. In Sittard was een gemengde hockeyclub opgericht en nu had Toon de zin bedacht: “Na afloop gaat de hockeyer met de hockeyin het hokkie-in” . Hij was toen al goed in woordspelingen.
Zover deze bonte avond.

Intermezzo

Dikke Ties

Ties Vencken (Dikke Ties) was een bekend figuur in Grevenbicht. Als zoon van de oud-burgemeester van Obbicht en Papenhoven genoot hij aanzien en hij had zeker organisatorische talenten. Zo had hij uit een groep patronaatjongens een voetbalclub geformeerd, die in alle klassen van de Limburgse voetbalbond kampioen werd en uiteindelijk promoveerde naar de KNVB. De club heette Armada en dank zij Ties werd ik zelfs eerste doelman. Dat moest wel, want hij had niemand anders. De eerste doelman uit de patronaatjongens, inmiddels jonge mannen, had er genoeg van. Hij was ook muzikant bij de harmonie en werd later zelfs dirigent bij diverse muziekgezelschappen.

Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret

Ties Vencken had ook een relatie met Toon Hermans. Jacques Klöters refereert in zijn biografie van Toon Hermans aan het optreden van Toon Hermans  in Grevenbicht, zoals voorgaand door mij beschreven. De avond was inderdaad georganiseerd door de voetbalclub. Na afloop moet Ties Vencken Toon meegenomen hebben naar zijn villa. Daar heeft hij hem het voorstel gedaan om zijn impresario te worden. Toon had nooit een impresario gehad en vond het een goed idee. Zij kwamen overeen om een revuegezelschap in het leven te roepen met de naam Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret. Toon had de artistieke leiding, Ties de zakelijke. Op 20 november 1941 beleefde het gezelschap de première in de stadsschouwburg te Maastricht. Daarna volgden nog voorstellingen in Heerlen, Geleen en Sittard. Er waren ook voorstellingen in Noord-Brabant, maar daar kende niemand Toon Hermans. De belangstelling was daar niet overweldig. In januari 1942 was een voorstelling gepland in Nijmegen. Volgens Jacques Klöters was op de dag van de uitvoering nog geen kaart verkocht, dus deze voorstelling ging niet door. Ties Vencken draaide op voor de kosten en het Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret stierf een zachte dood.

Het Nederlandsche Cabaret

De relatie tussen Ties Vencken en Toon Hermans werd echter niet verbroken, want er zijn twee handgeschreven brieven van Toon Hermans bewaard, waarin hij gewag maakt van Het Nederlandsche Cabaret, weer met Toon als artistiek leider en Ties als zakelijk leider. Toon trad met zijn gezelschap vooral op bij personeelsavonden. De prijs voor zo´n bonte avond lag tussen de 125 en 200 gulden. Maar ook dit gezelschap hield niet lang stand.

Tournee-gezelschap Toon Hermans

Toon gaf het nog niet op. En er is een aankondiging van een revue-voorstelling op 9 april 1942 in Hotel de Zwaan te Sittard onder de naam Tournee-gezelschap Toon Hermans.

toon hermans

Eerste cabaretgezelschap Zuid-Nederlandsch Racket-Cabaret

Toon als privé

Feestavond voetbalclub

Ties Vencken had ook in 1942 een feestavond voor de voetbalclub georganiseerd, waarbij ditmaal lokale artiesten zouden optreden. De feestavond werd gehouden in een danszaal, waarbij de stoelen op de dansvloer waren geplaatst. Er was ook een podium, al of niet geïmproviseerd.
Ties had Toon, gezien hun relatie, uitgenodigd als privé-persoon. Toon zat op de eerste rij, naast mevrouw Vencken. Toevallig zat ik in de tweede rij direct achter Toon en mevrouw. Er waren trouwens niet veel rijen, want een dorpsvoetbalclub telt niet veel leden.

Ties was ook de ceremoniemeester, de aankondiger van de nummers. Als er iets te organiseren viel, dan deed Ties zoveel mogelijk zelf. Hij had er kennelijk zin in. Zo had hij ook gezorgd voor een accordeonist, een lokale huisschilder die verdienstelijk accordeon speelde. Volgens Ties zou hij spelen het toen bekende ´Fliegende Blätter´, of op zijn Hollands ´Vliegende ….´. Ties had geen directe vertaling voorhanden en stokte even. Na enige aarzeling zei hij: `Nou ja, Blätter` en liep weg.

Ik zag dat Toon er hartelijk om moest lachen. Volgens hem improvisatie uit de kunst.

Hoe verging het Toon Hermans verder

Toon Hermans ging in 1942 naar het westen en trad er op in het gezelschap Carl Tobi, het Leidschepleintheater en Frans Mikkenie’s theaterproducties.
Na de oorlog trad hij jaren op in Theater Plezier. In augustus 1953 startte hij met een eigen gezelschap Toon Hermans: Ballot, later Toon Hermans: Zaza.
In 1955 begon hij met try-outs voor een One Man Show, waar hij in 1956 mee startte. Hij zou 12 One Man Shows schrijven en spelen. Tussendoor speelde hij in 1958 een rol in de film ‘Moutarde van Sonaansee’.
Toon had wel succesvolle optredens in Duitsland en Oostenrijk, maar tot een tournee in de Verenigde Staten is het nooit gekomen.
De laatste One Man Show was in december 1998 in Maastricht.

Op 22 april 2000 overleed Toon Hermans in het ziekenhuis Nieuwegein.

Geïnteresseerden mag ik verwijzen naar de website http://www.toonhermans.nl, welke wordt bijgehouden door de Erven Hermans. Deze geven ook een periodiek uit met de titel ‘Weet ik feel’, dat viermaal per jaar verschijnt.

toon hermans

Kolderliedje uit One Man Show

toon hermans

Toon en Rietje

Verantwoording:
De foto’s in deze Post zijn overgenomen uit de periodiek ‘Weet ik feel’, nieuwsbrief voor vrienden en fans over leven en werk van Toon Hermans.

Pierre Swillens