Archief | mei, 2012

Everard t’ Serclaes

31 mei

Grote Markt, Brussel

de Sterre (l’Etoile)

serclaes

Huis ‘de Sterre’ (l”Etoile)

Wie ooit Brussel met een bezoek heeft vereerd, heeft minstens de Grote Markt bezocht met al z’n mooie gebouwen. Als je pal voor het Stadhuis staat, heb je links van het Stadhuis de Karel Bulsstraat. Aan de ingang van deze straat bevindt zich het huis ‘de Sterre’ (l’Etoile), het kleinste maar ook een van de oudste gebouwen op de Grote Markt (op de foto geheel rechts).
‘De Sterre’ wordt ook wel aangeduid als het ‘Huis van de Amman’, ten teken dat hier vroeger de Amman resideerde. De Amman was een opperrechter, die de Hertog van Brabant verving bij de uitvoering van de hoogste jurisdictie (waarnemen van de hertogelijke bevoegdheden). Hij werd dan ook benoemd door de Hertog van Brabant.

Karel Bulsstraat

‘De Sterre’ heeft een bewogen geschiedenis. Rond 1852 besloot het stadsbestuur van Brussel om de straat, die nu Karel Bulsstraat heet, te verbreden om ze o.a. toegankelijk te maken voor omnibussen op rails. Het huis ‘de Sterre’ moest daarvoor worden opgeofferd en werd dan ook afgebroken. Velen verzetten zich daartegen, ook al vanwege de historische betekenis van het gebouw. In 1897 werd het dan ook weer in de oorspronkelijke staat opgebouwd, zij het dat men als compromis de onderste verdieping als een onderdoorgang op pilaren optrok (zie bovenstaande foto).

Wie was Karel Buls?

serclaes

Gedenkplaat ter ere van Karel Buls

Karel Buls (1837-1914) was een politicus, die het meest bekend werd als burgemeester van de stad Brussel. Zijn vader was goudsmid in de regio Mechelen. Karel volgde opleidingen in Parijs en Italië. Hij werd eveneens goudsmid en bleef in de zaak van zijn vader werken tot 1878.
in 1862 trad hij toe tot de Franstalige Vrijmetselarij. Vreemd genoeg was hij ook als ‘flamingant’ lid van twee Vlaamse organisaties.
Hij werd gemeenteraadslid (1877-1899), schepen (1879-1881) en burgemeester van Brussel (1881-1899). Als schepen was hij verantwoordelijk voor onderwijszaken. Tevens was hij volksvertegenwoordiger (1882-1896) voor de Liberale Partij.

serclaes

Het Broodhuis,Grote Markt, Brussel

Karel Buls was de drijfveer achter het herstel van historische gebouwen. Hij zorgde voor de afbouw van de restauratie van het Broodhuis op de Grote Markt. Samen met de stadsarchivaris Alphons Wauters legde hij de basis voor de inrichting van een gemeentemuseum in het Broodhuis. In 1887 werd dit museum officieel ingehuldigd.
Hij was ook de initiator tot herbouw van het huis ‘de Sterre’ in 1897, zij het met de onderdoorgang als compromis. De straat werd naar hem vernoemd en in de onderdoorgang kwam een gedenkplaat ter zijner herinnering.

Op zijn advies moesten de politieagenten in Brussel, zowel Frans als Nederlands spreken en voerde hij de tweetalige bewegwijzering in.
Hij verzette zich tegen de grootse plannen van Koning Leopold II, die architectonische vernieuwingen in Brussel wilde aanbrengen, ten koste van oude delen van de stad.
Ostentatief nam Karel Buls in 1899 afscheid als burgemeester. Hij stierf op 13 juli 1914.

Everard t’ Serclaes

serclaes

Monument van Everard t’Serclaes in de Karel Bulsstraat

In 1898 had Karel Buls aan de gemeenteraad van Brussel voorgesteld om een monument op te richten voor Everard t’ Serclaes.
Everard t’ Serclaes werd bekend toen hij op 24 oktober 1356 Brussel bevrijdde van de Vlaamse bezetting onder Lodewijk de Male. Hertog Jan III van Brabant was op 3 december 1355 overleden en opgevolgd door zijn dochter Johanna, Hertogin van Brabant. Dit was niet naar de zin van de Graaf van Vlaanderen, Lodewijk de Male. Deze bezette Brabant en Brussel, maar werd door Everard t’ Serclaes en zijn volgelingen met behulp van ambachtslieden uit Brussel verdreven.
T’Serclaes werd meerdere malen aangesteld als schepen (alderman) van Brussel. Hij kwam in conflict met Johanna van Brabant, toen deze in 1388 een aantal dorpen, die onder toezicht stonden van de Brusselse Amman, in pand wilde geven aan Sweder van Abcoude, heer van Gaasbeek. Everard t’ Serclaes werd op 28 maart 1388 overvallen door Willem van Kleef, bastaardzoon van Sweder en de baljuw van Gaasbeek. Hij werd zwaar verminkt en overgebracht naar het huis ‘de Sterre’, de ambtswoning van de Amman van Brussel. Daar stierf hij op 31 maart 1388.
De Brusselaren namen wraak en belegerden het kasteel van Gaasbeek, staken het in brand en plunderden de kippenstallen. Het verhaal gaat dat de Brusselaren hun bijnaam ‘kiekenfretters’ hieraan te danken hebben.

Monument Everard t’ Serclaes 

serclaes

Monument van Everard t’ Serclaes, Karel Bulsstraat, Brussel

Dankzij Karel Buls kwam dit monument ter ere van Everard t’ Serclaes in de onderdoorgang van huis ‘de Sterre’. Het  monument werd ontworpen aan het einde van de negentiende eeuw door de kunstenaar Julien Dillens (1849-1904). Het representeert een liggende en stervende Everard t’ Serclaes, alsmede een aantal taferelen uit het leven van hem..

Strelende handen nopen tot renovatie

serclaes

, Replica van het beeld van Everard t’ Serclaes

Toen wij er waren in maart 2011 lag T’Serclaes er nog in volle glorie bij. Als bijzonderheid geldt dat de inwoners van Brussel en later de toeristen meenden, dat aanraking van het beeld door het strijken over de arm geluk zou brengen en wensen in vervulling zou doen gaan.
Wij merkten op dat inwoners volgens een ritueel over de arm van het beeld streken, de neus aanraakten, alsmede een hond, een schild en een kinderkopje van de taferelen. De toeristen streken overal.  Door corrosie zijn beeld en taferelen zwart. Alleen de aangeraakte delen laten het oorspronkelijk brons zien, hetgeen een mooi effect aan het beeld geeft.

De aanraking heeft echter als bijkomstigheid dat schade aan het beeld ontstaat. De arm werd reeds een tiental jaren geleden gerestaureerd. De toestand van het beeld is toch zorgwekkend en het stadsbestuur heeft besloten om het beeld te restaureren. In oktober 2011 werd het beeld weggehaald door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium voor een grondig onderzoek en een analyse van de beschadigingen. Alleen het onderzoek zal al € 46.300 kosten. Men verwacht dat de restauratie 2 à 3 jaar zal duren.
Intussen heeft het stadsbestuur om de toeristen te behagen een replica in kunsthars geplaatst. Of men de replica gaat strelen is niet bekend. Wel wil men zich erover bezinnen, hoe het beeld kan worden teruggeplaatst.

Sinterklaas (1)

29 mei

Sinterklaas als boeman

Dreigementen

Sinterklaastijd was altijd een nare tijd. Enerzijds verwachtte je cadeautjes, anderzijds werd, als onderdeel van je opvoeding, al maanden van te voren  gedreigd met de zak van Sinterklaas. Moeilijk te rijmen.

Eerste Sinterklaasbelevenis

Ik was, denk ik, vier jaar oud. Ik kon namelijk het Weesgegroetje bidden, maar dan moest mijn vader wel de zinnen voorzeggen. Mijn zusje was toen 14 maanden jonger en zou dat ook blijven. Het zal een van de avonden voor Sinterklaas zijn geweest. Het was vroeg donker en we zaten aan tafel in de woonkamer annex keuken, zeg maar het dagverblijf. Er hing iets onheilspellend in de lucht. Er was iets gepland.

Plotseling werd er op de deur geklopt en er kwam een heuse Sinterklaas binnen, vergezeld door een Pietermanknecht. Ik geloofde in Sinterklaas, mijn zusje geloofde nog nergens in. De Sinterklaas zag er mooi uit, volle baard, mijter en mantel. Of hij een staf had, weet ik niet. Ik denk het niet, want hij was niet per paard, maar per fiets. En dan is een staf niet handig. De Pieterman was helemaal opgepoetst met schoensmeer. Hij speelde slechts een ondergeschikte rol. Voor hem hoefde je niet bang te zijn.

Bidde, bidde, bidde

De Sinterklaas speelde zijn rol perfect, als een echte acteur. Bovendien had hij nog geen neuten op, zoals de Sinterklaas van Toon Hermans. De vocabulaire van Sinterklaas was echter beperkt. Ik hoorde hem alleen maar zeggen: “Bidde, bidde, bidde”. En die opdracht was duidelijk aan mij gericht. Mijn zus hield zich buiten schot.Vol angst wilde ik daar best aan voldoen, door met behulp van mijn vader het Weesgegroetje op te zeggen. Zonder de autocue van mijn vader zou dat niet gaan. We hadden al samen ‘Wees gegroet’ gezegd, tot mijn vader geroepen werd om onze hond, een keffer, het zwijgen op te leggen. De hond vond het maar vreemd bezoek, zo laat in de avond, en liet dit duidelijk blijken.
Na samen ‘Maria’ te hebben gezegd, begon de hond weer opnieuw en werd mijn autocue even afgedekt. ‘Vol van genade’, lukte net. Intussen stond ik doodsangsten uit. Ik wist niet of mijn gehaspel de goedkeuring van Sinterklaas zou wegdragen, of dat ik toch in de zak terecht zou komen. Misschien zou ik wel met toestemming van mijn ouders naar Spanje worden ontvoerd. Mijn vader deed zijn best in zijn dubbelrol. Mijn moeder vond ik tamelijk passief. Zij had niet eens een enkele rol.
Ik zal het Weesgegroetje tot een einde hebben gekregen. De hond had zich inmiddels ook bij de situatie neergelegd. Waarschijnlijk waren mijn inspanningen voldoende geweest, want we kregen een zak vol snoep. Eigenlijk was dit niet eerlijk. Mijn zus had niets gedaan, had zich een beetje achter mij verscholen en deelde toch volop mee. Maar ja, ik was al blij, dat ik er vanaf was.

Wolf & Hertzdahl

De snoep moest worden opgeborgen. Toentertijd was er in Sittard een bekende winkel in herenkleding, genaamd Wolf & Hertzdahl. Als je een kostuum kocht, werd dat mooi opgevouwen in een grote kartonnen doos met het opschrift Wolf & Hertzdahl. De doos werd ter plaatse gevouwen door de hoeken in elkaar te steken. Mensen liepen graag met zo’n doos over straat, want een kostuum kocht je niet elke dag. Er gaan zelfs verhalen, dat er soms helemaal geen kostuums inzaten, maar dat de schijn werd opgehouden. Net zoals in de Engelse serie van Hyacinth Bucket.
Maar mijn ouders hadden kennelijk eens een kostuum gekocht en de doos werd waarschijnlijk bewaard voor de schijn. Maar nu kwam de doos goed uit om de snoep van Sinterklaas te bewaren. Allemaal suikerbeestjes, in alle kleuren. Maar we mochten er niet van snoepen, want we moesten direct naar bed.

Ontnuchtering

De andere morgen stormden we samen (mijn zus en ik deden altijd alles samen, vanwege een eerlijke verdeling) naar de doos. Maar  de doos was leeg. Helemaal leeg, of toch niet helemaal. Toen ik goed keek, ontdekte ik een suikerbeestje (ik zie het nog steeds voor me), dat in een hoek ingeklemd zat tussen de vouwpunten van de deksel. Men had kennelijk het beestje over het hoofd gezien. Ik vond, dat ik er het meeste recht op had. Ik had het als eerste gezien, had de vorige avond het meeste werk ervoor moeten verrichten en bovendien het meeste in angst gezeten. Niemand protesteerde.
Van onze ouders kregen we een verklaring, dat Sinterklaas weer alles had opgehaald, omdat hij het nodig had voor andere kindertjes. Waarom hij ons dan eerst de stuipen op het lijf had gejaagd, werd er niet bij gezegd.

Moraal 1:
Je hebt niet altijd de situatie in eigen hand.

Ontmaskering

Vele jaren later, toen we inmiddels van Sinterklaas waren afgestapt, hoorden we de werkelijkheid. Sinterklaas was de jongste broer van mijn moeder, achttien jaar schat ik, maar een volleerd acteur. Om op die leeftijd al een betrouwbare Sinterklaas te kunnen spelen. Zijn beste vriend speelde voor Pieterman, duidelijk ongeschikt in die bijrol.

Het raadsel waar de snoep was gebleven, werd ook opgelost. De beide acteurs hadden er zo’n schik in gekregen, dat ze alle gezinnen met kinderen in de straat hadden bezocht. Telkens waren ze uit de voorraad in de Wolf & Hertzdahl-doos komen putten, totdat er niets meer overbleef (behalve dat ene beestje  natuurlijk). Mijn ouders speelden hierin vrolijk mee, niet wetende wat voor  onheil ze in een kinderziel opriepen.

Moraal 2:
Span je niet in, als het je niets oplevert.

Pierre Swillens

p.s. De kinderen in de straat waren de lachende derde, dankzij onze snoep.

Skivakantie(1)

28 mei

Als meligheid troef is

Oneliners

In mijn vorige ‘Post’ vertelde ik iets over de skivakanties in Fieberbrunn. Ik kan jullie vertellen skiën is leuk vooral als je aan het einde van de dag de ski’s kunt opbergen in de Ski-Stall, je in de Ski-Keller kunt ontdoen van de skischoenen en je vervolgens in de après-ski kunt storten. Niets fijner dan dat.

Om de meligheid overdag te verdrijven, ging ik tijdens het skiën ‘oneliners’ bedenken. Tijdens het eten ‘avonds kon ik die dan aan het gezelschap poneren. Ik had beloofd één per avond, je kunt niet aan de gang blijven.
Ik had zelf de regels vastgesteld. Niet meer dan twee zinnen. Moest mogelijk leuk zijn (geen vereiste) en minstens dubbelzinnig (wel een vereiste). Ik heb ze niet allemaal onthouden, wel de eerste en een paar, die ik zelf wel leuk vond.

Resultaat

Hier komt de eerste:
Een adellijke dame raakte met haar chauffeur in een slip. Eenmaal uit de slip, nam hij haar‘.
De tweede:
De timmerman maakte een wip. Toen hij klaar was, had hij nog genoeg hout over voor een tweede wip‘.
De laatste:
Piet en Riet zaten in het riet. Na enige tijd was het riet platter en werd Riet dikker’

Nu waren er een Piet en Riet in het gezelschap, dus de laatste werd geen succes.

Mopjes

Toen de ‘oneliners’ uitgeput raakten, ging ik over op korte mopjes. Meestal flauw en weinig origineel. Maar ja, als meligheid troef is.

Enkele voorbeelden:
Elly komt bij de dokter en zegt: “Dokter ik ben ziek”. Zegt de dokter: “Mevrouw, dat heb ik ook wel eens”.

Elly komt bij de bakker en zegt: “Bakker wat kost dat brood”. Zegt de bakker: “25 Cent, mevrouw”. Elly: “Eet het dan maar lekker op, bakker”.

Er was een Elly bij het gezelschap, dus dat werd ook al geen succes.

Nog een (zonder Elly):
Komt een man bij een Chinese dokter. De man zegt: “Dokter mijn zaakje wordt blauw”. De dokter bekijkt het zaakje en zegt ter geruststelling: “Geeft niet, meneer. Wordt eerst nog zwart en valt daarna vanzelf af”.

We hebben wat afgelachen op die skivakanties.

Goldegg

Een verhaal wil ik nog wel kwijt. Deze keer niet uit Fieberbrunn, maar uit Goldegg (Oostenrijk). Wij wilden eens een andere piste proberen en een ander gezelschap. Onbekende pistes zijn niet altijd leuk. Je mist de vertrouwdheid.

Op de piste was me een jongeman opgevallen. Hij skiede niet geweldig, maar wel fanatiek. Hij had er best schik in.
Ik stond in de sleeplift, een soort anker, waarvan je een arm onder je gat moest wurmen. De lift blijft constant doorlopen, dus veel tijd heb je er niet voor. De plaats voor de andere arm bleef vrij en daar stapte de eerder genoemde jongeman in.

Toen we in de lift stonden en voortgetrokken werden, probeerde ik in mijn beste Duits een praatje met hem aan te knopen. Je staat per slot van rekening een tijdje naast een vreemde. Net zoiets als in de bus naast een vreemde medepassagier. Of nog langer in een vliegtuig.
De jongeman gaf echter geen sjoege en bleek doofstom te zijn. Niet dat hij dat aangaf, want hij zag toch duidelijk dat mijn mond bewoog.  Hij was echter niet meer afgestemd op verbale communicatie.

Aan het einde van de rit uitstappen uit een sleeplift is een hachelijke situatie. Vooral als je met zijn tweeën bent. Enige verbale communicatie is dan gewenst, maar dat was ditmaal niet voorhanden. Bovendien stond de jongeman aan de vrije uitstapkant. Dus ik moest het sleepanker ‘sicher stellen’. Je kunt me daarin een ‘Hampelman’ noemen, dus ik was dubbel gehandicapt. Gelukkig niet blijvend, zoals hij.
De jongeman stapte zonder signaal op een bruuske wijze uit de lift, zodat ik wel op mijn snufferd moest vallen.

Ik weet zeker dat de jongeman niet omkeek. Ik had nog willen roepen ‘beroepsdeformist’ of ‘skiterrorist’, maar dat zou hij toch niet horen. Bovendien had hij al handicap 2, dus hem er nog een toewijzen, was ook al niet jofel. Misschien was hij al gestigmatiseerd genoeg. Ik was het voorval vergeten, tot nu.

De jongeman maakte het voorval niets uit. Hij ging zo op in zijn ‘non-verbaal’-wereldje, dat hij zijn handicaps vergat en plezier vond in datgene, waar hij goed in was. Misschien maakt hij de piste nog onveilig, zij het niet meer als jongeman.

.

Dialect(4)

27 mei

Eenregelige poëzie of proza?

Stage

Voor deze ‘Post’ ga ik iets terug in de tijd. Onze dochter Patricia studeerde aan de Pedagogische Academie (Pedac) in Maastricht. Hier legde zij de basis voor een serieuze carrière in het onderwijs. Maar om zover te komen, moest ze stage lopen en wel in het basisonderwijs. Ik weet niet of het toen nog klassen waren. Wel begrijp ik, dat zij les moest geven in een der hogere klassen of groepen, zeg bij de elfjarigen.
Het was tegen de tijd van Carnaval en Patricia had een vrije opdracht. Zij moest de kinderen minstens één uur bezighouden. Patricia had bedacht, ik laat ze iets over Carnaval vertellen, hoe ze tegen Carnaval aankijken.
Zij verdeelde de klas in drie groepen en gaf elke groep een speciale opdracht. Een groep moest een gedicht maken over Carnaval, een groep een verhaaltje over een Carnavalsoptocht en een groep de tekst van een liedje over Carnaval.

Inventiviteit

Zij dacht daar heb ik de kinderen minstens een half uur zoet mee. Maar dat viel tegen. Na vijf minuten was een jongetje klaar met zijn gedicht en ging demonstratief met zijn armen over elkaar zitten. Patricia constateerde, dat hij het volgende gedicht had geproduceerd: ‘Aan de bar staat de nar, de nar staat aan de bar’.
Korter kon niet. Je zou nu zo’n trend ‘poëzie van het minimalisme’ kunnen noemen.
Heeft de zin betekenis?  Als je het eerste gedeelte van de zin bekijkt, dan is dat een beschouwing of vaststelling van een situatie, het tweede gedeelte een bevestiging van deze situatie. In de zin van logica, als het eerste gedeelte waar is, dan is het tweede gedeelte ook waar. Maar met logica zal het jongetje zich niet bezig hebben gehouden.

Eigen vondst of geleend

Ik weet niet, of Patricia heeft doorgevraagd. Bijvoorbeeld of de zin een eigen bedenksel van het jongetje was, of dat hij het ergens had opgevangen. Ik weet ook niet, of Patricia hem nog een andere opdracht heeft gegeven, of dat hij echt een time-out had gekregen.

Ander voorbeeld

De zin intrigeerde mij wel. Ik ging erover nadenken om de zin nog sterker te maken, bijvoorbeeld door te schrijven: ‘Aan de bar staat een nar, die nar staat aan de bar’. Veel had het niet uitgemaakt. Maar wel ging ik erop letten, of dergelijke zinnen nog meer voorkomen.
En jawel hoor, ik kwam ze tegen. Helaas heb ik ze niet genoteerd en het is al een tijdje geleden. Cruijff zou bijvoorbeeld gezegd kunnen hebben: ‘Elk nadeel heb zijn voordeel, elk voordeel heb zijn nadeel’. Naar ik aanneem, heeft hij alleen het eerste gedeelte gezegd.
Een voorbeeld heb ik echter onthouden, omdat ik het zo mooi vond.

Skivakantie in Fieberbrunn

Jarenlang gingen wij met een vast gezelschap op skivakantie in Fieberbrunn (Oostenrijk). Wij boekten steevast bij Pension Geisler, bekend als ‘Pension mit gutbürgerlicher Küche’. Maar Pension Geisler had nog een ander voordeel, het lag vlak aan de piste . Als je een kamer op de begane grond had, kon je met de ski’s aan naar de kamer. Maar dat mocht niet van de Inhaberin Frau Geisler. Ski’s moesten in de Ski-Stall, und die Schuhe im Ski-Keller. Je kon blij zijn, dat je je ballen mee mocht nemen naar de kamer.

Schützt das Land, das Land schützt uns

Naast de Ski-Keller was een fitnessruimte. Maar die was duidelijk voor de zomer bedoeld. In de winter kreeg je genoeg fitness door het ‘sjravele’ op de piste. In deze ruimte hing een grote poster van de Landesregierung Oberösterreich  of van de Kreis Tirol, weet ik veel. In een grote opmaak stond er de zin op: ‘Schützt das Land, das Land schützt uns.’ Het eerste gedeelte was als een aansporing te zien, het tweede gedeelte als een geruststelling.

Het was even moeilijk om te begrijpen wat ze met Land bedoelden. Kon een natie zijn, maar ook natuur, milieu, omgeving etc. De Engelsen zeggen zo mooi ‘Environment’. Maar ik hield het erop, dat de omgeving werd bedoeld, ’s winters de skipistes en de bergen en ’s zomers de weilanden en akkers en de bergen.

Lawines

Als je de zin bekijkt, is de aansporing goed te volgen. Je ‘schützt’ niet, of juist wel. Maar de geruststelling ‘das Land schützt uns’ is niet altijd te volgen, vooral ’s winters. En de koninklijke familie kan daarover meepraten. De ‘schützung’ sluit natuurgeweld helaas niet uit.

Wat men ook met de zin bedoelde, ik vond het een mooi voorbeeld dat de zin van het jongetje ook in de praktijk werd getoetst.

Dialect 

Jullie zullen wel denken, Wat heeft dit allemaal met dialect te maken. Ik was intussen de ‘bar’ en ‘das Land’ vergeten. Onlangs zat ik met een gezelschap, onder het genot van een alcoholische versnapering, te discussiëren. Geen hoogstaande onderwerpen, maar toch. Plotseling hoorde ik iemand zeggen: ‘Es ’t neet mie geit, geit ’t neet mie.’ (Als het niet meer gaat, gaat het niet meer). Ik dacht meteen aan het jongetje en nam me voor dit te onthouden. Ik was weer terug bij af, bij de éénregelige poëzie of proza.

Nu denk ik, wat zou er van het jongetje zijn geworden. Bankdirecteur misschien. Efficiënt was hij wel en hij gaf ook aan niet lang ergens mee bezig te willen zijn.

Pierre Swillens

Milaan (1)

25 mei

Galleria Vittorio Emanuele II

gallaria

dak met koepel gallaria vittorio emanuele ii

In 1860 schreef het stadsbestuur van Milaan een wedstrijd uit hoe de ruimte moest worden opgevuld tussen de Dom op de Piazza del Duomo en de Scala Opera op de Piazza  della Scala De Bolognese architect Guiseppe Mengoni won met zijn ontwerp de competitie. Mengoni was geïnspireerd door overdekte winkelstraten in Parijs en hij stelde een overdekte winkelgalerij voor, een verbinding vormend tussen beide pleinen. Door een dwarsgalerij te projecteren, kreeg hij op het snijpunt van de galerijen een plein, dat hij overkoepelde met een immense koepel.

gallaria

fresco op gevel centraal plein gallaria vittorio emanuele ii

De eerste steen werd gelegd op 7 maart 1865 door koning Victor Emanuel II. De galerij werd ook naar hem vernoemd. De bouw verliep voorspoedig en de galerij werd op 15 september 1865 geopend.  Dat de bouw van de galerij zo snel vorderde, kwam door het feit dat het stalen geraamte voor het dak en koepel in Frankrijk in de fabriek werd voor gefabriceerd. In Milaan hoefde alleen de montage plaats te vinden. Wel heeft nog meer dan 10 jaar gewerkt aan de triomfboog, welke vanaf het Piazza del Duomo toegang gaf tot de galerij. Dit gebouw werd voltooid in december 1877, zodat een feestelijke opening van de galerij werd gepland. De opening van de galerij werd echter overschaduwd door een tragisch ongeval. Een dag voor de opening viel de architect Menzoni van een steiger bij de bouw en kwam om. Dat weerhield de Milanezen niet om de opening te laten doorgaan, waarschijnlijk uitgevoerd door Victor Emmanuel II.

galleria

Triomfboog aan de ingang van de galleria vittorio emanuele ii

Eerst waren de Milanezen tegen de bouw gekeerd, omdat er een stuk van de historische binnenstad tegen de vlakte ging, maar raakten snel enthousiast over de functie van de galerij. De galerij werd een ontmoetingspunt van de Milanezen.

galleria

schets van de architect Mengoni van de gallaria vittorio emanuele ii

De plattegrond van de galerij heeft de vorm van een Latijns kruis. De langste galerij is 196 m., de dwarsgalerij 105,5 m. Op  het snijpunt van de galerijen ontstaat een achthoekig plein, overdekt met een glaskoepel met een diameter van 36 m.  en een hoogste punt van 47 m.

gallaria

Triomfboog op de Piazza del Duomo als ingang van de gallaria

De ingang van de gallaria op de Piazza del Duomo is uitgevoerd als een soort triomfboog en nodigt de mensen op het plein uit om een kijkje te nemen in de galerij. Toeristen die na het bezichtigen van de Dom de Scala Opera willen bezichtigen nemen uiteraard de  Gallaria Vittorio Emanuele II.

gallaria

Embleem in mozaïek met het wapen van Turijn

De architect zocht symbolen om de eenheid van Italië te benadrukken. De vloer is helemaal gedecoreerd met mozaïek, zoals het wapen van het Huis van Savoye, alsmede emblemen, die de vier belangrijkst steden van Italië voorstellen.  Zo is er een embleem van een wolvin met Remus en Romulus voor Rome, een met de lelie voor Florence, een met een witte vlag met rood kruis voor Milaan en een met een stier voor Turijn. Dit embleem trekt sterk de aandacht van de toeristen. Er heeft eens iemand ontdekt, dat de genitaliën van de stier geluk brengen, vooral als je er driemaal met je hak over draait. Vooral vrouwen trekt dat aan en dat is te merken aan het gat in de vloer.

gallaria

Embleem in mozaïek met het wapen van het Huis van Savoye

Beelden op de gevels, vlak onder het dak, brengen hulde aan Italiaanse kunstenaars en wetenschappers. Op de gevels op het plein onder de koepel zijn mozaïeken aangebracht, voorstellend Europa, Amerika, Afrika en Azië. Deze mozaïeken zijn in 1911 aangebracht ter vervanging van de fresco’s, die reeds begonnen te vervagen.

gallaria

Restaurant Savini in gallaria vittorio emanuele ii

De galerij omvat restaurants, cafés, een hotel, alsmede talrijke winkels van bekende merken, zoals Prada, Gucci, Luis Vuitton, Swarovski etc. Zelfs McDonald’s heeft er een tent opgeslagen. De prijzen van McDonald’s zijn mij niet bekend, maar toen wij er waren, merkten wij dat de prijzen van de andere zaken aan de hoge kant waren. Als bijzonderheid geldt, dat de winkels, restaurants enz geen uitbundige reclame aan de buitenkant mochten maken. Meestal kwam het erop neer, dat men in goud op zwart marmer (zie Savini) aangaf, welke zaak er achter de gevel huisde.
Op de volgende foto van Prada is de naam Prada in het glas verborgen, ter hoogte van de handen. Ter hoogte van het gezicht is het wapen van Milaan verborgen.

gallaria

Winkel van Prada in de gallaria vittorio emanule ii

De galerij wordt nu druk bezocht door de Milanezen en toeristen. De galerij wordt in de volksmond genoemd: il salotto di Milano (de huiskamer van Milaan).
De met mozaïek ingelegde vloer werd in 1966 helemaal gerestaureerd met een zeldzame marmersoort. In Italië is daar wel aan te komen.

gallaria

Wolvin met Romus en Remulus als embleem van de stad Rome

In het embleem van de stad Rome zijn duidelijk de initialen S – P – Q – R zichtbaar. Dit is de afkorting van Senatus Populusque Romanus (De Senaat en het Volk van Rome), waarmee de macht van het Roomse Rijk werd aangegeven.

Om af te sluiten, de gallaria begint op de Piazza del Duomo, vlakbij de Dom, een schitterende kerk, waarover later misschien meer. Hier alvast een foto.

galleria

Duomo Santa Maria Nascente

Dialect (3)

23 mei

Schutterij Het Heilig Kruis Grevenbicht

Sjötterie sjtank sjtief … Es ich zègk paaf, trek der aaf

het heilig kruis

Schutterij Het Heilig Kruis Grevenbicht

Schutterij Het Heilig Kruis in Beeg (Grevenbicht) is een oude vereniging.  Hun oudste zilver dateert van 1673. De vereniging heeft veel ups en downs gekend, veel of weinig leden, wel of geen uniform.
Aan de hand van een oude foto heb ik ontdekt hoe het er in 1926 aan toe ging. Nota bene in het jaar dat ik geboren ben. Als je de foto goed bekijkt, dan zie je, dat elke ‘sjöt’ is geüniformeerd met een pet en een sjerp.Er zijn wel linksdragende en rechtsdragende sjerpen. Dat was mogelijk afhankelijk van in welke rij dat ze liepen. Velen dragen een snor, hoewel dat niet tot het uniform is te rekenen.

De man met de martiaalste snor, helemaal links, is mijn opa van moederszijde. Hij was de trommelslager en had een belangrijke functie. Hij liep mee voorop, achter het vaandel en de tambour-maître. Hij gaf het tempo aan, waardoor de ‘sjötten’ in de pas liepen. Zonder trommel was het kennelijk een zooitje. Ook was er een commandant met getrokken sabel.

Sjötterie sjtank sjtief … Es ich zègk paaf, trek der aaf

Iemand die iets van militaire exercitie af weet, herkent hier de commando’s. Sjtank sjtief is een equivalent van Geef acht. Paaf is een ander woord voor Vuur en trek der aaf is het vuren zelf. Met ´aaftrekken´ kan men zich ook een andere bezigheid voorstellen, maar dat hoorde niet tot de exercitie van de ´sjòtten´.

In de schutterswereld hoorde men het Sjòtterie sjtank sjtief niet zo graag. Men dreef er een beetje de spot mee. Het dagblad De Limburger wijdde er aandacht aan in een extra editie bij gelegenheid van het Oud Limburg Schuttersfeest op 1 juli 1984 te Maasmechelen. ´Sjtank sjtief´ moest vervangen worden door ´Gaef ach´.
Dat niet alle schutters er zo over denken, blijkt wel uit het feit, dat er een schuttersvereniging bestaat met ´stank stief´ in de officiële naam.

Mijn opa Harie

Terug naar mijn opa. In de tekst van de foto wordt hij apart genoemd als Harrie in het Panhuis, bijgenaamd Harie van Lachliebeke. Dat Lachliebeke is nieuw voor mij. Ik heb mijn moeder wel eens horen praten over haar grootmoeder Liebeke, maar nooit over Lachliebeke. En dan te bedenken, dat zij mijn overgrootmoeder was. Kennelijk was het van nature een opgeruimd mens.

Mijn opa Harie heb ik nauwelijks gekend. Ik herinner mij vaag, dat het een zachtaardige man was met een vervaarlijke snor. Ik denk dat ik een jaar of vier was, toen wij (mijn zus en ik) bij Opa en Oma Sinterklaascadeautjes mochten halen. Opa hield hierbij toezicht voor de eerlijke verdeling. Hij was niet voor niets ‘sjöt’.
Het meeste staat mij voor de geest, dat zij geen elektrisch licht hadden. Er was wel elektrisch licht in het dorp, maar de maatschappij die het net had aangelegd, vertikte het om een aftakking te maken naar het huis van mijn Opa en Oma. Hun huis lag tegen de dijk, waar ik het al eerder over heb gehad. Het lag dus uit de ‘sjlaag’. Aanleggen kon wel, maar dan moesten ze het zelf betalen. Maar daar voelden Opa en Oma niets voor. Dus bleef het bij de petroleumlamp. Het  gevolg was natuurlijk dat het huis de hele dag naar petroleum rook.

het heilig kruis

Schutterij Het Heilig Kruis anno nu

Uniformen anno nu

Wie de foto van de uniformen van nu vergelijkt met die van 1926, ziet wel een groot verschil. Het uniform van nu is gebaseerd op het uitgaanstenue van de Veldartillerie van het hertogdom Parma in het jaar 1859. Vlak voordat het hertogdom opging in het koninkrijk Italië. Het is maar, dat u het weet. Het lijkt meer op uniformen uit een operette.
Dan is het uniform uit 1926 (pet en sjerp) authentieker. En authentiek is nu in. Zie de column van Gerard Kessels in De Limburger van 22 mei 2012.

Opa Harie was dus een authentieke ‘sjöt’. Ik hoor hem zo zeggen: “Sjöt noch ins in”.

Dialect (2)

21 mei

Aan een groot gevaar ontsnapt!

Ieder mens heeft een engelbewaarder

beeg

Bij Beeg (Grevenbicht) heeft de Maas grote uiterwaarden, zowel aan de Nederlandse als aan de Belgische kant. De uiterwaarden zijn begrensd met dijken. Logisch dat de bebouwing buiten deze dijken ligt, weliswaar vaak er tegen aan.

’s Winters waren die dijken hard nodig, want het water van de Maas kwam tegen de dijk te staan. De Maas was ‘oet’, zei men dan. Een grote watervlakte, uitstrekkend tot in België. Misschien wel een kilometer breed. Tijdens de watersnoodramp in december 1925 brak ter hoogte van Beeg de dijk door en Beeg kwam onder water te staan. Ik was nog net niet geboren, dus ik kan er weinig over vertellen.

De Maas is ‘oet’

’s Zomers konden we in die uiterwaarden heerlijk spelen, vooral als er meisjes bij waren. Meisjes hadden nog iets onbekends, van jongetjes wist je het zowel. ‘Achter den diek’ werd die plaats genoemd. Ik kan me een jaarlijkse gebeurtenis nog levendig voor de geest halen. Had overigens niets met meisjes te maken, maar met vissen. In het laagste gedeelte van de uiterwaarden, ter hoogte van Beeg, was een langgerekte sloot. ’s Winters, wanneer het water nog niet buiten haar oevers was, dan kon men hier schaatsen. Maar ’s zomers gebeurde er iets anders. De sloot bevatte het restant water, dat overbleef als de Maas, nadat ze ‘oet’ was geweest, weer binnen de oevers was teruggekeerd. Niet alleen het restant water bleef over, maar ook de vissen, die de bus hadden gemist. En daar waren kanjers bij.

Sjtölpen

Sjaak woonde vlak bij de dijk. Hij was dus opgegroeid met die sloot en met het wassende en terugtrekkende water. Hij hield het peil van de sloot elke dag in de gaten. Stilstaand water verdampt. Als het water een mandhoogte had, dan kwam hij in aktie. Een mandhoogte wil zeggen: als je een mand omgekeerd in de sloot zet, dan moet de bodem er net boven uitsteken. En nu komt de mop, er zat geen bodem in de mand. Op die manier kon je de overgebleven vis uit de sloot halen.
Alleen lukte je dat niet, dus Sjaak trommelde iedereen op, die ook zo’n mand had. Het voordeel van meerdere mensen was bovendien, dat zoveel modder uit de sloot werd opgeworpen  dat de vissen geen lucht meer kregen. Je zag ze gewoon aan de bovenkant zwemmen om naar lucht te happen.
Sjaak was een kanjer in dat soort vissen, met de handen wroeten in de mand dus. Zat er een vis in, dan was hij het haasje. Wel een beetje moeilijk voor te stellen bij vissen. Hij was dus het visje.
Volgens mij heette die jaarlijkse activiteit ‘sjtölpen’. Of ik het goed schrijf in dialect, weet ik niet. Misschien moet het wel ‘sjtulpen’ zijn. Waar het woord vandaan komt, weet ik ook niet. Misschien zit het woord stolp erin, maar dan zonder kaas.

Ik was niet zo’n ‘sjtölper’. Ik had geen mand en woonde te ver van ‘den Diek’ en de sloot om er affiniteit mee te hebben. Ik herinner me, dat ik het wel eens probeerde, als een visser even uitrustte en zijn mand beschikbaar was. Ik was altijd bang iets anders dan een vis in die mand te vinden. Een drol misschien, of een dier dat in je vingers beet. Ik meen dat ik eens een vis in de mand had, maar dat een ander deze uit de mand moest halen. Wel heb ik eens gezien, dat iemand een aal uit zijn mand haalde, misschien wel 50 cm. lang. Kan ook 60 cm. geweest zijn, want hij had veel kronkels De aal verzette zich hevig, maar hij legde uiteindelijk toch het loodje.

Welk gevaar was er dan?

Jullie zullen zeggen, waar zat dan dat groot gevaar in. Komt nog. Eerder heb ik gezegd, dat ‘Achter den diek’ een heerlijk speelterrein was, zowel ’s zomers als ’s winters. Het was nu eens winter en ik denk dat ik de leeftijd van 11 jaar had. Vanaf mijn tiende woonde ik weer in Beeg. Er was sneeuw gevallen en de dijk werd benut om er vanaf te sleeën. Ver kwam je er niet mee.
Nu was de geologische situatie als volgt. Je had het talud van de dijk, een kort plateau, een nieuw talud en een groter plateau. Mogelijk had men er vroeger iets afgegraven, leem bijvoorbeeld.  Het laatste plateau eindigde in een bergje, waarop een prikkeldraadomheining. Misschien dat vroeger het vee erachter graasde. De laagste prikkeldraad, voor het verhaal het belangrijkste, was gespannen op een hoogte van pakweg 35 cm. De afstand van de dijk tot de prikkeldraadomheining  was 30 m.

Sjang en de golfplaat

Sjang woonde ook in de buurt van de dijk. Het was een inventieve jongen. Sleetjes was maar niks, na 10 m. stond je al stil. Sjang had een ander idee. Hij kwam met een golfplaat van 2½ m. De beide zijden van een kant had hij omhoog gebogen, een gat aan beide kanten gemaakt en daarin een groot touw aangebracht. Door de kanten op te tillen, was er minder weerstand en Sjang verwachtte er ver mee te komen.
Alleen op zo’n golfplaat was maar niks, dus we namen er met vier jongens plaats op. Sjang achteraan met het touw in zijn handen als een koetsier.

Het gelijk aan zijn kant

Sjang kreeg gelijk.  De golfplaat was een uitstekende slee. Door de helling van de dijk kregen we vaart en Sjang hielp toen misschien nog mee met het touw.We kregen echter in de gaten, dat het te hard ging. Het ding stopte gewoon niet en we gingen in grote vaart op het prikkeldraad af.
Ik had de mazzel, dat ik voorop zat, dus ik zou de eerste klap opvangen. Instinctief dacht ik, het enige wat je kunt doen, is achteroverliggen, want zittend zo’n prikkeldraad in, leek mij maar niets. Of de anderen er ook zo over dachten, weet ik niet. Ik kreeg het gevoel, dat iedereen mijn voorbeeld volgde. Het gevolg was, dat we met onze hoofden in ieders kruis lagen. Behalve Sjang natuurlijk, want die had geen kruis achter zich.
Dat werd onze redding. Door het gewicht van de jongens nam de golfplaat soepel het bergje en ik zag de prikkeldraad op enkele centimeters van mijn hoofd verwijderd voorbij scheren. Ik neem aan dat die andere jongens het prikkeldraad ook gezien hebben, tenzij ze hun ogen gesloten hielden.
De golfplaat kwam in de nog droge sloot tot stilstand en opgelucht stapten we op. Sjang heeft de golfplaat niet meer gebruikt.

Hoe zo, engelbewaarders

Een ding is zeker. Wij waren niet de enige op de golfplaat. Er zaten ook nog vier engelbewaarders  op, weliswaar zonder gewicht, maar wel aanwezig. Sjang was protestant, maar die had een protestantse engelbewaarder. Waarom drie wel en hij niet.
Overigens kunnen we blij zijn, dat die engelbewaarders er ook op zaten. Die hadden ook geen trek om in die prikkeldraad te vliegen. Vandaar dat advies om in ieders kruis te gaan liggen. Een belangrijk kruis dus. Tot op heden weet ik niet wiens kruis het was, maar ik ben hem er wel dankbaar voor, dat hij een kruis had.

Gaudi(4)

20 mei

Sagrada Familia

gaudi

Sagrada Familia

De officiële benaming is Basilica i Temple Expiatori de la Sagrada Familia, kortweg Basiliek van de Heilige Familie. Ofschoon de bouw nog niet is voltooid, werd de kerk tot basiliek gewijd op 7 november 2010 door Paus Benediktus XVI. Dat er zolang aan de kerk wordt gewerkt, is een gevolg van het feit dat de kerk als Verzoeningskerk alleen met giften kan worden gebouwd.
La Fundació de la Junta Constructora del Temple Expiatori de la Sagrada Familia is een semi-kerkelijke organisatie, die het budget van de bouw beheert, alsmede de voortgang van de bouw regelt.
Tegenwoordig worden de entreegelden van de bezoekers (2½ miljoen per jaar) gebruikt voor de bouw. Het bouwbudget bedroeg in 2009 bijv. € 18 miljoen.
Er werken nu constant 100 mensen aan de bouw, waaronder 15 architecten. De bouw is omringd door kranen en vaak afgedekt met veiligheidsnetten. Men verwacht, dat de bouw voltooid zal zijn in 2026 (100 jaar na de dood van Gaudí), maar zeker is dat niet.

gaudi

Sagrada Familia

Historie van de bouw

In 1866 stichtte Josep Maria Bocabella i Verdaguer, een Catalaans boekhandelaar, de l’Associació Spiritual de Devots de Sant Josep. Na een bezoek in 1872 aan het Vaticaan nam Bocabella zich voor een kerk te bouwen ter ere van de Heilige Familie. Er kwamen donaties binnen en in 1881 verwierf de l’Associació een perceel in de wijk Gracia, ter grootte van 12.800 m2.
Op 19 maart 1882, een feestdag van de H. Jozef, werd met de bouw van de crypte begonnen. Als architect was aangesteld Francesc de Paula del Villar y Lozano. Hij plande de bouw van een neogotische kerk in de vorm van een Latijns kruis.
Na onenigheid met de opdrachtgever trok hij zich op 18 maart 1883 terug. Men had intussen Antoni Gaudí i Cornets aangezocht. Deze bouwde de crypte af volgens het plan van Paula del Villar, maar veranderde het concept van de bouw volledig.

gaudi

Sagrada Famila

In 1892 begon Gaudí met de oostgevel gewijd aan de Geboorte van Christus. Tussendoor werkte Gaudí ook aan andere projecten. De bouw van de Sagrada Familia kon immers alleen voortgang vinden, wanneer er giften waren binnengekomen. Na de  bouw van de La Pedrera in 1914 wijdde Gaudí zich volledig aan de bouw van de Sagrada Familia.
Op 30 november 1925 kwam de eerste klokkentoren, gewijd aan de apostel Sint Barnabé, gereed. Dit is de enige klokkentoren, die Gaudí tijdens zijn leven heeft gebouwd. Er waren er twaalf gepland, overeenkomstig het  getal van de twaalf apostelen. Gaudí toonde zich lyrisch over het resultaat van de toren. Hij vergeleek de toren met een lans, die de hemel met de aarde verbond.
In 1926 stierf Gaudí door een tragische ongeluk, waarover later meer.

In 1930 werden de vier klokkentorens van de gevel van de Geboorte afgebouwd. Een van de opvolgers van Gaudí was de architect Domènec Sugrañes i Gras. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog werd de crypte door brand verwoest alsmede de tijdelijke school, die Gaudí nog had gebouwd voor kinderen van de werklieden. Ook gingen door brand in bouwketen veel tekeningen, alsmede maquettes verloren.

Van 1939 tot 190 reconstrueerde de architect Francesc de Paula Quintana i Vidal de crypte, alsmede sommige maquettes van Gaudí. Hiermee zou men het werk van Gaudí kunnen voortzetten.

In 1954 werd begonnen met de  van de westgevel, het Lijden van Christus. Gaudí had hiertoe door middel van schetsen een indruk gegeven, hoe hij deze gevel dacht te realiseren. Het voornaamste werk werd opgedragen aan de beeldhouwer Josep Maria Subirachs. Deze week in belangrijke mate af van de architectuur van de oostgevel van Gaudi. Hij maakte alles hoekig en strak. Geen tierelantijnen dus. Men zegt, dat men de architectuur van Gaudí te ingewikkeld vond en te kostbaar in de realisatie. Anderen zeggen, dat men na de dood van Gaudí beter had kunnen stoppen en de Sagrada Familia als een onafgewerkt monument kunnen beschouwen. Nu werd de kerk in verschillende stijlen afgebouwd.
Eerst in 1990 werden de eerste sculpturen van Subirachs in de westgevel aangebracht.  Nu is de westgevel, alsmede de bijbehorende vier klokkentorens, afgebouwd. Wat de gevels betreft, rest nu nog de zuidoostgevel, de gevel van de Glorie. In 2000 werd hiervoor de fundering gelegd. Deze zuidoostgevel wordt een belangrijke gevel, omdat hij ingang geeft tot het hoofdschip.

gaudi

Klokkentorens van de westgevel het Lijden van Christus

Architectuur van de bouw

De eerste architect Francesc de Paula del Villar wilde een neogotische kerk bouwen, gebaseerd op een Latijns kruis met een driebeukig schip en een enkelbeukig transept.
Nadat Gaudí de bouw had overgenomen, veranderde hij het concept dramatisch. Hij wilde een kerk bouwen, gelijkend op een kathedraal. De kerk kreeg een vijfbeukig hoofdschip en een driebeukig dwarsschip.

De crypte waar Paula de Villar reeds mee begonnen was, hield hij aan. Hij legde een spoor aan op de bouwplaats om materialen te vervoeren, bouwde kranen om zware stukken op te hijsen, alsmede bouw- en werkketen op de bouwplaats. Ook bouwde hij een tijdelijke school voor de kinderen van de werklieden. Hij maakte steeds maquettes om zijn medewerkers te laten zien, hoe hij het werk wenste te realiseren. Deze maquettes zouden ook dienstbaar kunnen zijn voor architecten, die het werk van hem zouden overnemen.
Alle berekeningen voor de bouw maakte hij zelf. Nu maken de archiecten gebruik van computers, waardoor de bouw veel sneller kan plaatsvinden.
De te verwerken stenen werden in de tijd van Gaudí op de bouwplaats in de juiste maat gekapt. Nu kan men de stenen reeds in de fabriek in de juiste afmetingen laten brengen.

gaudi

Sagrada Familia

Gaudí ontwierp drie gevels, allen gebaseerd op het leven van Christus. De oostgevel, welke hij zelf voor het grootste deel realiseerde, was gewijd aan de Geboorte van Christus. De westgevel, welke werd afgebouwd door Josep Maria Subirachs stelde het Lijden van Christus voor. De nog te bouwen derde gevel, de zuidoostgevel, zal worden gewijd aan de Glorie van Christus, de Wederopstanding.
Elke gevel zal worden uitgevoerd met drie portalen. De portalen van de oostgevel werden door Gaudí toegewijd aan de thema´s Geloof, Hoop en Liefde. Elke gevel zal tevens worden bekroond met vier klokkentorens, voorstellend de twaalf apostelen. Elke toren wordt bekroond met een ornament van mozaïek  en draagt de naam van een apostel.

Boven de apsis zal een toren verschijnen toegewijd aan de H. Maagd Maria. Deze toren zal 125 m. hoog zijn.  Het  middenschip zal worden bekroond met vier torens van 110 m. hoogte, voorstellend de vier evangelisten, met in het midden een toren van 170 m., toegewijd aan Jezus Christus. De top van deze toren zal bestaan uit een 14 m. hoog kruis van metaal en kristal. Dit kruis zal schitteren in het zonlicht en van grote afstand zichtbaar zijn.  Als bijzonderheid gold, dat Gaudí deze toren met opzet iets lager bouwde dan de nabijgelegen berg Montjuïc (173 m.), uit nederigheid ten opzichte van de schepping van God.

gaudi

Oostgevel van de Sagrada Familia

Symboliek van de bouw

De symboliek van de bouw van Sagrada Familia is enorm. De hele kerk is gewijd aan de Heilige Familie en dat komt in alle aspecten van de bouw tot uitdrukking.

Symboliek van de gevels

Guadí ontwierp drie gevels, elk met drie portalen. Misschien is dat al een verwijzing naar de H. Drieeenheid. De oostgevel werd gewijd aan de Geboorte van Christus, de westgevel aan het Lijden van Christus en de zuidoostgevel zal worden gewijd aan de Glorie van Christus.
In de oostgevel verwerkte Gaudí veel verwijzingen naar de natuur in de vorm van bloemen, planten, dieren etc. De portalen wijdde hij aan de thema’s Geloof, Hoop en Liefde.
In de gevel is een cipres te herkennen, symboliserend het leven. Een pelikaan aan de voet symboliseert de liefde. De pelikaan zou zich immers zelf opofferen, wanneer zijn jongen in gevaar zouden komen.  De top van de boom wordt gevormd door de T, de beginletter van het Hebreeuwse Tau (God) of van het Griekse Theos (God). Op de letter T staat een  de beginletter X van Xristos (Christus). Het geheel wordt afgerond door een duif met gespreide vleugels, voorstellend de H. Geest. Aldus wordt door Gaudí de H. Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de H. Geest weergegeven.

gaudi

Oostgevel, de gevel van de Geboorte van Christus

De scène van de Geboorte wordt omringd door engelen met bazuinen.Aan de ene zijde geflankeerd door de drie koningen, aan de andere zijde door de herders. Kolommen in het middenportaal zijn bedekt met palmbladeren en rusten aan de voet op schildpadden, symbolen van de stabiliteit van de kosmos.
Boven de scène is te zien de Aankondiging van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de kroning van Maria tot Koningin van de Hemel.
De gevel is verder versierd met episodes uit het leven van Christus. Een bijbel in beelden.

Gaudí wilde een ezel bij de geboortescène vereeuwigen. De geboorte vond immers plaats in een stal. Die ezel moest zo natuur getrouw mogelijk worden weergegeven. Dus ging Gaudí op zoek naar die ezel. Toen hij de juiste gevonden had, werd de oude dame, die de ezel bezat schadeloosgesteld. Een zigeuner schoor de ezel, waarna Gaudí met gips een model van hem maakte. Zo was de ezel natuurgetrouw. Het verhaal gaat dat de ezel en de mevrouw, die aanwezig was, de operatie hadden overleefd. De ezel kreeg zelfs een stal op de bouwplaats tot zijn dood. Misschien dacht Gaudi hem nog eens nodig te hebben.
Er liepen trouwens meer dieren rond op de bouwplaats en de omgeving, zoals geiten en kippen.

gaudi

Oostgevel, gevel van de Geboorte van Chistus

Gaudí heeft ideeën nagelaten, hoe de westgevel, het Lijden van Christus en de zuidoostgevel, de Glorie van Christus eruit moesten zien. Alleen de westgevel is gereed, voornamelijk het werk van de beeldhouwer Josep Maria Subirachs. Deze gevel is strakker, de beelden hoekiger en er is minder symboliek terug te vinden, dan in de oostgevel van Gaudí.

gaudi

Westgevel, gevel van het Lijden van Christus

Gaudí had benadrukt dat in deze gevel de wreedheid van het offer van Christus tot uitdrukking moest worden gebracht. De gebeeldhouwde scènes roepen episodes op van de Calvarieberg of Golgotha van Christus. Op het laagste niveau zijn scènes van de laatste avond van Christus te zien, zoals het Laatste Avondmaal, de Kus van Judas, Ecce Homo en het proces voor de Joodse Raad. Op het middelste niveau de Calvarieberg of Golgotha van Christus, zoals de drie Maria’s, Sint Veronica, Longinus en een Hollow-Face illusie van Christus. Op het derde niveau is de begrafenis en de wederopstanding van Christus te zien. Tussen de twee torens van de apostelen Bartholomeus en Thomas is een verbindingsbrug, waarop een bronzen figuur, voorstellend de Hemelvaart van Jezus.
Bij de voorstelling van de Kus van Judas is een magisch vierkant weergegeven met vier rijen van vier cijfers. De rijen vormen verticaal en horizontaal het getal 33, de leeftijd van Christus.

gaudi

Magisch vierkant

Met de bouw van de zuidoostgevel, de gevel van de Glorie van Christus is in 2002 een aanvang genomen. Gaudí maakte een algemene schets hoe deze gevel eruit moest zien. Zeker is, dat dit de belangrijkste gevel wordt, omdat hij direct toegang geeft tot het hoofdschip.
Subirachs gebruikte, net als Gaudí overigens, het Alpha- en Omega-teken.

gaudi

Alpha- en Omegateken

Symboliek van de torens

In totaal verrijzen er 18 torens. Twaalf torens, vier per elke gevel, zijn gewijd aan de twaalf apostelen. Op elke toren is de naam van de apostel vermeld. De torens zijn bekroond met ornamenten in mozaïek.  De torens zijn rond de 100 m.

Op de apsis komt een toren, gewijd aan de H. Maagd Maria. Deze toren krijgt een hoogte van 125 m.
Centraal op het middenschip zijn er vijf torens. Vier torens van 110 m. voorstellend de vier evangelisten. Deze torens zijn elk voorzien van een symbool, een stier voor de H. Lucas, een gevleugelde man voor de H. Mattheus, een adelaar voor de H. Johannes en een leeuw voor de H. Marcus.
De meest centrale toren van 170 m. is de toren, gewijd aan Jezus Christus.

gaudi

Westgevel, gevel van het Lijden van Christus, Sculpturen van Josep Maria Subirachs.

Epiloog

In 1926 stierf Gaudí door een tragisch ongeval. Gaudí leefde de laatste weken voor zijn dood in een bouwkeet op de bouwplaats van de Sagrada Familia. Hij had zichzelf verwaarloosd. Maar hij ging elke dag naar de Vespers in de kerk van Sant Felip Neri in de binnenstad. Op een dag werd hem dat noodlottig en werd hij door een tram overreden.
Voorbijgangers dachten met een zwerver te doen hebben  en brachten hem naar het Armenziekenhuis. Hier werd hij herkend door een priester, maar binnen enkele dagen was hij dood.
Zijn begrafenis was een indrukwekkende plechtigheid. Een stoet van 1½ km. lengte volgde zijn lijkkist. Hij werd bijgezet in de crypte van de Sagrada Familia. De crypte werd hiertoe uitgebreid met een kapel, waarin een tombe voor Gaudí werd aangebracht. Zo blijft Gaudí voor eeuwig verbonden met de Sagrada Familia.

Er worden pogingen gedaan om Gaudi zalig te verklaren. Gaudí was een gelovig man en besteedde een groot deel van zijn leven aan het realiseren van een kerkelijk monument. Er gaan echter stemmen op, dat Gaudí behoorde tot de Vrijmetselarij, evenals overigens zijn mecenas Güell. Diegenen, die dat beweren menen dit af te leiden uit de symboliek, die Gaudí meermalen gebruikt. Dit zal na zijn dood niet worden opgelost. Gaudí gaf weinig uitleg over de betekenis van zijn symboliek. Daar moest men maar naar gissen.

Zijn werk wordt wel gewaardeerd door de Unesco. In 2005 werden de crypte en de Geboortegevel van de Sagrada Familia door de Unesco op de Werelderfgoedlijst geplaatst. Opvallend dus, alleen het Gaudí-deel van de Sagrada Familia.

gaudi

Tombe van Gaudí

Dialect (1)

14 mei

Noonk Sjaak, de kapper

Jong, zègk ut noch ins

Noonk Sjaak
Familiegebeuren

Dit keer een verhaal uit mijn vroege kinderjaren. Ik ben geboren op 30 januari 1926 in Grevenbicht. Vlak na de watersnoodramp in december 1925. Bij mijn geboorte kreeg ik net geen natte voeten.
Mijn ouders moeten snel hierna zijn verhuisd naar Obbicht. Mijn herinneringen beginnen bij de uitstapjes van Obbicht naar Grevenbicht. Alle familie woonde nog in Grevenbicht, dus werd er vaak een bezoek gebracht aan de Tantes en Noonkes in Grevenbicht. Meestal gebeurde dat te voet. Ik kan mij herinneren, dat ik dat niet leuk vond.  Weliswaar is de afstand Obbicht – Grevenbicht hemelsbreed 1,5 km. maar voor mijn korte beentjes was dat een crime. Laat ik in die tijd 5 jaar geweest zijn.

Noonk Sjaak en Tant Lies

Gelukkig was vaak het bestemmingsdoel Noonk Sjaak en Tant Lies, zwager en zuster van mijn moeder. Noonk Sjaak en Tant Lies waren alleraardigste mensen. Niet dat we (mijn zus en ik) er verwend werden, dat was er in die tijd niet bij. Als we geluk hadden, dan kregen we allebei een cent om een snoepje te kopen bij ‘Lemsje’ (veel inwoners van Grevenbicht hadden een bijnaam). Lemsje had een winkeltje in de buurt in een klein huisje, met uiteraard kleine ramen. Het kwam wel eens voor dat je buiten ontdekte, dat je toch iets anders had gekocht dan wat je binnen had gezien.

Noonk Sjaak als kapper

Waarom waren die bezoeken aan Noonk Sjaak en Tant Lies zo aantrekkelijk? Noonk Sjaak (Sjaakske bij de autochtonen) was een hardwerkende kapper. Hij had in zijn huis aan de voorzijde een herenkapsalon, aan de achterzijde een dameskapsalon. Hoe Noonk Sjaak dat zonder knecht of hulp klaarspeelde, is mij een raadsel. Vermoedelijk had hij vaste tijden voor de dames en heren afgesproken.
In de dameskapsalon kwam ik trouwens niet. Die was min of meer voor heren verboden. Ik herinner me, dat ik er een keer in verzeild was geraakt. Ik zag een mevrouw met krulspelden onder een grote wasemkap zitten. Men vertelde mij, dat dit wel even kon duren.

Fieneke

Noonk Sjaak en Tant Lies hadden de nodige kinderen. Een ervan was Fieneke, die wel met ons speelde. Ik schat dat Fieneke toen tien jaar was. Ik weet me te herinneren, dat ik haar vertelde, dat ik een nieuw liedje kende. Toentertijd was: Twee ogen zo blauw, zeer populair. Ik had er een variant van gehoord en die wilde ik Fieneke wel even voorzingen. Ik zong uit volle borst: Twee klote zo blauw. Dat leverde mij een reprimande op. “Foei, dat mag je niet zingen”, zei Fieneke (zij zei dat in dialect uiteraard).  Het waarom ontging me. Fieneke deed ook geen aanstalten om dat op te helderen. Waarschijnlijk was het te moeilijk voor haar om het verboden woord te omschrijven.

Het snorretje van Noonk Sjaak

Noonk Sjaak had een klein snorretje. Een blond en pluizig snorretje. Niet zo’n zwart snorretje, zoals we dat later in de geschiedenis zouden tegenkomen.
Wanneer Noonk Sjaak bezig was, dan mocht ik vrijelijk bij hem binnenlopen. De zaak zat dan vol klanten. Voor mij waren de scheerklanten het interessantste. Ik keek gebiologeerd naar het ritueel, dat Noonk Sjaak daarbij hanteerde. Bij elke klant begon hij met het slijpen van het scheermes. Hiervoor had hij een lang blok, bekleed met dik leer. Met lange halen haalde Noonk Sjaak het mes op en neer. Er op lettend, zich geen jaap in zijn vingers te snijden. Als het mes geslepen was, ging hij de klant inzepen. Royaal tot diens neusgaten dicht zaten. Met de doek, die de klant om had, verschafte Noonk Sjaak hem weer lucht.
Na het inzepen, ging Noonk Sjaak met het scheermes aan de slag.  Lange halen naar beneden en naar boven, afhankelijk van het gedeelte van het gezicht. Het spannendst was onder de neus. Met twee vingers van een hand wipte Noonk Sjaak de neus omhoog en haalde dan met de andere hand vakkundig het scheerschuim en de haren weg.
Het scheren kostte naar ik meen 15 cent. Als de klant meer te makken had, dan kreeg hij voor 5 cent een bad eau de toilette, of iets dergelijks, over zijn gezicht. Fris geschoren en met een luchtje maakte hij plaats voor de volgende klant.
Ik heb mij eens afgevraagd: Waar gingen die mannen dan naartoe. Als het in een stad was  geweest, gingen ze misschien rechtstreeks naar de dames van lichte zeden, maar in een dorp lag dat niet voor de hand.

Jong, zègk ut noch ins

Er werd wat afgekletst in die scheersalon. Wanneer Noonk Sjaak aan het scheren was, deed hij daar niet aan mee. Hij wilde voorkomen, dat hij de klant een jaap zou geven. Zou hij meteen een klant minder hebben. De klant hield ook wijselijk zijn mond en als Noonk Sjaak hem de neus dichtkneep, kon hij toch niets zeggen.
Als Noonk Sjaak een klant zijn haren knipte, dan werd hij vrolijker. Als ik weer eens in de salon was en als die behoorlijk vol zat, dan zei hij tegen mij: ”Jong, zègk ut noch ins”. Ik wist wat ik dan moest zeggen. Ik moest het zinnetje opdreunen: “Aan de kéndj van het léndj steit ein ménj mit zéndj” (Aan de kant van het land staat een mand met zand). Dit leidde tot een grote hilariteit onder de aanwezigen. Ook hier ontging mij het waarom. En ook hier vond Noonk Sjaak er geen aanleiding in om voor opheldering te zorgen. Dat moest ik verder maar zelf ontdekken.

Beegter variant

Later kwam ik er achter, dat de inwoners van Beeg (Grevenbicht) het zinnetje uitspraken als : “Aan de kandj van het landj steit ein manj mit zandj”. Een kwestie van een klankverschil. Misschien werd de spot met me gedreven vanwege mijn spraakgebrek, dan wel om mijn afwijkend dialect. Ik heb reeds eerder gememoreerd de afstand tussen Beeg en Obbeeg (Obbicht ) is hemelsbreed niet meer dan 1,5 km.

Heemkunde

Dat het zinnetje echt heeft bestaan, heb ik later ervaren. Waar ik het opgedaan had, weet ik niet. Een tijd geleden kwam ik het zinnetje in de Beegter variant tegen in een artikel in een boek aan de hand van Jean Knoors (heemkundevereniging Bicht). Dat hij de Beegter variant hanteerde verbaasde mij, want Jean Knoors is in 1939 in Nattenhoven geboren. Nattenhoven schurkt tegen Obbicht aan en ligt iets zuidelijker. Is de toepassing van de é in Obbicht een enclave in het dialect, zoals elk dorp een afwijkend dialect heeft, of komt het in meer zuidelijker gelegen dorpen dan Obbicht voor. Dat moet ik maar eens aan de heer Knoors vragen, die zal het beslist weten. De woorden in de Beegter variant heb ik overigens kunnen checken in een beschrijving van “t Beegs woordenboek.

Epiloog

Zo ziet u, kennelijk had ik toen al warme gevoelens voor verschillen in dialecten, zonder het te weten overigens. Ik was bovendien, als artist in spé, in staat om mijn gehoor te vermaken. Of ik werd door Noonk Sjaak misbruikt om de amusementswaarde in zijn salon te verhogen. Ik weet het niet.
Desondanks heb ik goede herinneringen aan Noonk Sjaak en Tant Lies, zaliger gedachtenis. En ook aan Fieneke, die nu een gezegende leeftijd heeft bereikt.

Maar het meest herinner ik mij het snorretje van Noonk Sjaak, een echt kappersnorretje, een keurmerk van zijn professie.

Pierre Swillens

Gaudi (3)

11 mei

Park Güell

gaudi

Historie van Park Güell

gaudi

De historie van Park Güell begint bij Eusebi Güell i Bacigalupi (1846-1918). Eusebi Güell, een Catalaans ondernemer, werd in 1911 door zijn benoeming tot graaf in de adelstand verheven. Güell werd met zijn vermogen een mecenas op het gebied van architectuur en kunst. Güell had respect voor het werk van Gaudí en stimuleerde hem met zijn opdrachten. Beiden hadden veel gemeen, Catalaan, gelovig katholiek en liefhebber van architectuur en kunst.
Güell was een bereisd man. Op zijn reizen naar Engeland maakte hij kennis met landschapsparken en ‘garden-city’s’.  Hij bezat in Barcelona in de wijk Gracia twee grote stukken land op de Munanya Palada (kale berg), zo genoemd omdat er nauwelijks begroeiing was. Güell stelde zich voor, dat hij daar een elite-wijk in het landschap kon bouwen en gaf Gaudi in 1900 daartoe opdracht. Het hele complex zou zo worden ingedeeld, dat  er 60 woningen konden worden gebouwd op 60 percelen in pastillevorm, aangepast aan de hellingen van de heuvel.
Vanwege de vergelijking met de Engelse garden-city’s werd Park Güell met het Engelse Park aangeduid. De Catalanen bleven hardnekkig spreken van Parc Güell.

Gaudi dacht meer aan een landschapspark en concentreerde zich hierop. Hj wilde zoveel mogelijk gebruikmaken van de natuurlijke omstandigheden. Om het land te ontzien, bouwde hij viaducten om de wegen begaanbaar te maken voor koetsen. De kolommen van die viaducten bekleedde hij met stenen uit de omgeving om ze zo weinig mogelijk te laten opvallen. In totaal kwam er 3 km weg, met voor de koetsen een helling van 6% en voor de voetgangers tot 12%.

gaudi

voetgangerspad ondersteund door kolommen van natuurlijk materiaal

De verkoop van de percelen wilde niet zo vlotten. Twee percelen werden verkocht aan de Trias-familie. De familie bouwde hierop het Casa Marti Trias i Domènech. De architect was Juli Batllevell i Arús. Een perceel werd in 1904 bebouwd als modelwoning. De architect hiervan was Francesc Berenguer i Mestres. Aangezien er geen belangstelling voor was, adviseerde Güell Gaudí om het zelf te kopen. Gaudí was een verstokte vrijgezel en hij betrok in 1906 de woning, samen met zijn 93-jarige vader, die in datzelfde jaar nog stierf, en zijn nichtje Rosa Egea i Gaudí, een dochter van zijn zuster. Gaudí had zich haar lot aangetrokken, aangezien haar drankzuchtige vader niet voor haar kon zorgen. Rosa Egea i Gaudí stierf in 1916.

Waarom het niet zo lukte met de verkoop van de percelen is niet zo duidelijk. De huizen waren bedoeld voor de elite van Barcelona. Misschien hadden deze geen vertrouwen in de aanleg van de noodzakelijke voorzieningen, zoals water en elektriciteit, alsmede in de aanleg van wegen. Misschien zagen ze op tegen de moeilijke toegankelijkheid door de hellingen.  Anderen waren misschien huiverig, omdat Gaudí voor veel vreemde architectonische verrassingen had gezorgd.
In 1914 werd het project door Güell gestopt. Hij woonde in het park in La Casa Güell, dat eerder voor hem was gebouwd. Park Güell beschouwde hij als zijn tuin. La Casa Güell is nu een schoolgebouw.

Gaudí leefde in het huis tot enkele maanden voor zijn dood in 1926. Hij was bezig met de bouw van de Sagrada Familia. Dat slokte hem zo op, dat hij een werkkeet betrok op de bouwplaats.
Na zijn dood vermaakte hij het huis aan het Bestuur voor de Bouw van de Tempel van de Sagrada Familia (La Fundació de la Junta Constructora del Temple Expiatori de la Sagrada Familia). De bouw hiervan kon alleen doorgaan door giften, waarop het Bestuur het huis verkocht aan het Italiaanse echtpaar Francesc Chiappo Arietti uit Turijn. In 1960 verkocht het echtpaar het huis aan de l’Associació d’Amics del Parc Güell . Deze groep gaf het gebouw in 1963 de functie van museum. In 1992 kwam het huis weer in het bezit van het Bestuur voor de Bouw van de Tempel van de Sagrada Familia.
Het huis heet nu Casa Museu Gaudí. Het is momenteel museum van meubilair en objecten van Gaudí, alsmede objecten van een aantal van zijn medewerkers. Het huis wordt ook wel eens aangeduid als ‘La Torre Rosa’.

gaudi

Casa Museu Gaudí

Toen Güell in 1918 stierf verkochten zijn erfgenamen Park Güell aan de Stad Barcelona. Deze stelde in 1922 het park open voor het publiek. In 1969 werd Park Güell door het stadsbestuur van Barcelona als monument verklaard en opgenomen in de lijst van Historisch Patrimonium. Er was een discussie ontstaan om in het park een groot hotel te bouwen. Dit was niet naar de zin van het stadsbestuur, weshalve de verklaring tot monument.

In 1984 werd Park Güell door de Unesco opgenomen in de Werelderfgoedlijst.

Tussen 1984 en 1994 werd er in het Park een grondige restauratie doorgevoerd.

gaudi

Viaduct voor koetsen

Indeling van Park Güell

Het gehele park is omzoomd door een muur, afgedekt met trencadis (gebroken glas}. Er zijn zeven toegangspoorten. Bij de hoofdingang, gelegen aan de Carrer d’Olot, zijn twee medaillons op de muur aangebracht, waarin in trencadis  de woorden Park, respectievelijk Güell zijn gevormd.
De smeedijzeren toegangsdeur is afkomstig van Casa Vicenç en in 1965 aangebracht ter vervanging van de houten deuren.

Aan weerszijden van de toegangspoort vinden we twee door Gaudí ontworpen gebouwen met een Hans- en Grietje-uitstraling. Deze paviljoens, in gebruik voor diensten en portierswoning, werden gebouwd in 1901 en 1902. Er zit niets rechtlijnig aan deze gebouwen.
Het kleinste paviljoen (Casa de l’Atanor) is afgewerkt met een 17 m. hoge toren, waarop een vierarmig kruis.  Het grootste paviljoen (Casa l’Alquimista), de portierswoning, is afgewerkt met een koepel en schoorsteen in de vorm van een paddenstoel.

gaudi

Portiers- en dienstenwoning

Vanuit de entree komt men bij het centrale gedeelte van het park. Onderaan begint een symmetrische dubbele trap met een tweetal platforms. De trappen omsluiten drie fonteinen, de onderste in de vorm van een grot, de middelste met een Catalaans embleem en een slangenkop, de bovenste in de vorm van een hagedis. Over deze fonteinen later meer.

gaudi

Centrale ingang met zicht op de kolommengalerij (Sala Hipóstila)

Sala Hipóstila

De  Sala Hipóstila, gebouwd tussen 1907 en 1909, was bedoeld om te fungeren als markt. Het geheel bestaat uit 86 Dorische zuilen. Er ontbreken vier zuilen. Op de vrije plaatsen in het plafond vervaardigde Josep Maria Jujol vier rozetten in mozaïek met symbolische afbeeldingen. Op een ervan is een slang te herkennen.

gaudi

Rozetten in mozaïek aan de hand van Josep Maria Jujol

De kolommen zijn aan de onderzijde bedekt met mozaïek, aan de bovenzijde met steenkleurig mortel. De buitenste kolommen zijn schuin geplaatst, omdat dit beter de krachten opvangt en de massaliteit een minder streng karakter geeft.  Nu wordt de ruimte van de Sala Hipóstila gebruikt door muzikanten. Het mozaïekwerk in het plafond is van Josep Maria Jujol.

gaudi

Dorische kolommen in de Sala Hipóstila

Plaça del Teatre Grec

De kolommen dragen het Grieks theater (Plaça del Teatre Grec). Dit is een onverhard plein, gedeeltelijk rustend op de 86 Dorische zuilen en op een verharding in de heuvel. De oppervlakte van het Grieks theater is dus groter dan de oppervlakte van de Sala Hipóstila.

gaudi

Grieks theater, als dak van de Sala Hipóstila

Het meest kenmerkend op het plein van het Grieks theater is de 110 m. lange bank. Deze met bogen naar binnen en bogen naar buiten slingerende bank omzoomd de hele voorkant van het plein. De bank is uitgevoerd in mozaïek  van gebroken tegels en glas en is voornamelijk het werk van Josep Maria Jujol. De buitenste bogen worden ondersteund door kolommen (zie voorgaande foto). De oppervlakte van het plein is 3000 m2.
Een andere bijzonderheid is, dat het plein een functie vervult in de watervoorziening van het park.  Het regenwater wordt onder de onverharde bovenlaag verzameld en via de Dorische zuilen, die hol zijn uitgevoerd, in een bekken van 1200m3 onder de Sala Hipóstila opgevangen. Dit opgevangen regenwater dient voor de fonteinen en voor de bevloeiing van het park.
De bank is over de hele lengte uitgevoerd met hobbels. Het verhaal gaat dat Gaudi een naakte werkman had laten plaatsnemen in natte klei. Zijn afdruk was de mal voor deze hobbels. De hobbels hebben waarschijnlijk een functie om het regenwater van de banken af  te voeren naar gaten, die uitmonden in waterspuwers.

gaudi

Mozaïek bank rond het Grieks theater

Turo de les tres Creus

Op het hoogste punt van de heuvel staat een monument. Het is een ronde berg stenen, met wederzijds trappen, geïnspireerd door de vondst van historische grotten op het terrein. Op de top van de berg staan drie kruizen, een groot en twee  kleine. De oorspronkelijke kruizen werden in de Spaanse burgeroorlog vernield.

Pórtico de la Lavendera

Dit is een lange zuilengang met de beeltenis van een wasvrouw aan het begin. De hele gang, inclusief de schuine kolommen, is gemaakt van materialen verkregen uit de omgeving. De gang heeft het karakter van een kloostergalerij.

gaudi

Zuilengang van de wasvrouw

Symboliek van Park Güell

Gaudí had oorspronkelijk voor de entree een poort gemaakt, bediend door twee mechanische gazellen. De gazellen verwezen naar de jonkgeliefden in de Joodse poëzie, gehanteerd in de streek Catalonië. Deze poort werd tijdens de Spaanse burgeroorlog vernield en in 1965 vervangen door de smeedijzeren poort, afkomstig uit Casa Vicenç.

gaudi

Smeedijzeren toegangsdeur, afkomstig uit Casa Vincenç

De portiersloge (Casa de l’Alquimista) is bekleed met een schoorsteen in de vorm van een paddenstoel. Sommigen menen dat Gaudí hiermee verwees naar de hallucinogeen zwam de ‘Amamita’, die hij had ontdekt op zijn lange bergwandelingen. Gebruik van de zwam kon een veranderde staat van bewustzijn en een overgang naar een andere realiteit veroorzaken. Bevond Gaudí zich in een dergelijke staat bij het ontwerpen van zijn kunstwerken.
De dienstenwoning (Casa de l’Atanor) is bekroond met een toren met een vierarmig kruis. Dit kruis stelt de vier windstreken voor.

gaudi

Portiers- en dienstenwoning

Boven de fonteinen staat een driepoot structuur met binnenin een ruwe ongepolijste steen. Deze opstelling verwijst naar de smeltoven in de alchemie.
Over die fonteinen valt meer te vertellen. Het zijn er drie boven elkaar, die elk verwijzen naar Catelaanse gebieden. De onderste naar het zuidelijk-Catelaanse gedeelte in Spanje, de middelste naar Catelonië, en de bovenste naar het noordelijk-Catelaanse gebied in Frankrijk.
De onderste fontein is uitgevoerd als een grot met de symbolen van een kompas en een cirkel, respectievelijk verwijzend naar de architectuur en de wereld.

gaudi

Onderste fontein in de vorm van een grot

De middelste fontein in de vorm van een cirkel, verwijst naar het Catalaans wapen, omringd door bloemen en zaad van eucalyptus. In het midden is een slangenkop, waarvan men aanneemt dat deze verwijst naar de bronzen slang, die Mozes met zich meevoerde bij zijn tocht met de Joden door de woestijn. Deze slang moest de Joden beschermen tegen giftige slangen.

gaudi

Fontein met Catalaans wapen en slangenkop

De bovenste fontein is uitgevoerd in de vorm van een hagedis als symbool van de stad Nîmes, de stad waarin Güell opgroeide. De hagedis zou een verwijzing kunnen zijn naar Python de bewaker van de onderaardse wateren. De hagedis spuwt water vanuit een bekken onder de Sala Hipóstila.

gaudi

Fontein in de vorm van een hagedis

De Dorische zuilen van de Sala Hipóstila verwijzen naar de Dorische zuilen van de Tempel van Apollo uit Delphi. In het plafond van de Sala Hipóstila is een medaillon met een symbool van Amra, een logo gebaseerd op de Keltische spiraalmotieven. en een medaillon van Jujol in het plafond verbeeldt een slang.

Het dak van de Sala Hipóstila (Plaça del Teatre Grec) verwijst naar het Grieks theater. De kronkelige bank wordt in verband gebracht met een zeeslang.

Gaudí bouwde om het terrein beter begaanbaar te maken voor koetsen viaducten elk met een eigen stijl. Als bijzonderheid geldt dat de kolommen zijn bekleed met stenen uit de omgeving, waardoor zij in het  landschap opgenomen lijken. De kolommen lijken op palmbomen, die uit de grond ontspringen.
Het laagste viaduct (Viaducto del Museo) is in gotische stijl; het middelste viaduct (Viaducto del Algarrobo) is in barok stijl en het bovenste viaduct (Viaducto de las Jardineras) is in romaanse stijl. Het laatste viaduct is misschien wel het mooiste.

Langs de Rozenkransweg liggen bollen, die verwijzen naar de kralen van de rozenkrans.

De berg op het hoogste punt met de drie kruizen (Les tres Creus) verwijst naar de Mont Calvari (Berg van Calvarie).

Deze diashow vereist JavaScript.